Zij hebben geleefd, en hoe: ‘In laatste fase blijken mensen in staat extra te genieten van wat wél kan’

Als je nog maar kort te leven hebt, wat doe je dan? Annemarie Haverkamp sprak voor deze site twee jaar lang wekelijks met iemand die wist dat het einde nabij was. Binnenkort verschijnt haar boek Ik heb geleefd. ,,Mensen die doodgaan, kun je alles vragen.’’

‘Wie met mij praat gaat dood.’ Heel lang was dat in mijn hoofd de titel van het aanstaande boek. Omdat het zo was: wanneer ik bij je aanklopte, wist je dat het echt foute boel was. Dan duurde het niet lang meer tot je je laatste adem zou uitblazen. De eerste drie mensen die ik interviewde, stierven nog voor ik hun verhaal in de krant kon zetten. Dat gaf me een ongemakkelijk gevoel. Ik leek wel Magere Hein die met een zeis in de vorm van een balpen de deuren langs ging.

Natuurlijk was het onzin. Het verband lag anders: mensen waren al ongeneeslijk ziek en dáárom kwam ik op visite. Maar toch. Menige nacht lag ik woelend in bed, me afvragend of ik er wel goed aan deed het land te doorkruisen op zoek naar het noodlot.

In oktober 2018 bezocht ik voor het eerst van mijn leven een hospice. De man die binnen afzienbare tijd zou sterven, vroeg me welk gebakje ik wilde: hazelnoot of slagroom? Op het terras in de zon aten we van onze taart. Hij lachend, vol bravoure. Ik op mijn hoede, zoekend naar de juiste woorden. Kon ik vragen hoe hij het vond dat hij zijn kinderen niet zou zien opgroeien?

©Paul van Agten, Arie Kievit, Marco de Swart, Koen Verheijden

ABBA of Slayer

Na twee interviews voor de serie ‘Ik heb geleefd’ wist ik al dat je álles kunt vragen. Simpelweg omdat geen enkele vraag meer als een verrassing komt. Mensen die doodgaan, weten dat al een tijdje. Zij hebben zich al lang het hoofd gebroken over duizend-en-één kwesties. Hoe moet dat met het gezin? Het bedrijf? Het huis? Verkopen we de caravan? Is er een hiernamaals? Wie moet er spreken op mijn uitvaart? Draaien we ABBA of Slayer? En alvast een tip voor iedereen die in zijn omgeving iemand kent die ernstig ziek is: blijf vooral praten en vragen. Uit al mijn gesprekken heb ik geleerd dat mensen gezien willen worden. Omdat ze er nog zijn. Het ergste wat je kan doen is iemand die nog leeft, doodzwijgen. Stap over die schroom heen en vraag gewoon hoe het gaat en of je misschien iets kunt doen.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Geneviève wilde nog maar één ding: kamperen met haar man in België. Samen voor de tent zitten en naar de sterren kijken, net als vroeger

Waar ik zelf het meest benieuwd naar was, was wat mensen nog wilden met de tijd die hun restte. Als je nog een jaar hebt, wat doe je dan? Maak je een wereldreis of schoffel je de moestuin?

Geneviève, een vrouw van 58 die ik in het voorjaar van 2019 opzocht op het Brabantse platteland, had altijd gezegd dat ze het noorderlicht nog eens wilde zien. Maar toen puntje bij paaltje kwam en ze wist dat haar dagen geteld waren – galwegkanker – boekte ze die trip niet. Ze wilde nog maar één ding: kamperen met haar man in België. Samen voor de tent zitten en naar de sterren kijken, net als vroeger. De eenvoud was waar ze naar verlangde. De intimiteit van het gezin. Elke dag een lievelingsdag laten zijn.

De tekst gaat verder na de foto.

Geneviève Verberk (1960) wenste aan het eind van haar leven nog maar één ding: kamperen met haar man in België. Samen voor de tent zitten en naar de sterren kijken, net als vroeger. ©Koen Verheijden

Petra, een Rotterdamse die leefde met een tumor in haar hoofd, wilde juist dolgraag nog een cruise maken naar Noorwegen. Hoe lief was het dat een reisorganisatie die wens (gratis) in vervulling liet gaan nadat haar verhaal was gepubliceerd in de krant. Haar man stuurde na afloop een enthousiaste mail: ‘We hebben genoten. Vier steden aangedaan, hele mooie fjorden gezien. Het schip had 11 verdiepingen en 9 eetzalen (ben nu op dieet).’

Petra Trumpi (1959-2020) wilde nog dolgraag eens een cruise naar Noorwegen maken. Een vriendelijke reisorganisatie zorgde ervoor dat haar droom uitkwam. ©Marco De Swart

In Geldermalsen sprak ik met Fleur, een dertiger die darmkanker had. Toen ze net ziek was, bleef ze thuis. Maar een paar maanden later meldde ze zich toch weer op haar werk. Ook al wist ze dat ze niet lang meer te leven had, ze wilde niets liever dan zich omringen met collega’s. Grappen maken bij de koffieautomaat. Méér zijn dan een patiënt. Bovendien, vertelde ze: ,,De raarste mensen komen langs als je ziek bent. Mensen die je in geen jaren hebt gezien en op wie je ook totaal niet zit te wachten.’’

Fleur Duijvestijn (1982-2020) wilde tot het laatst onder collega’s zijn. Grappen maken bij de koffieautomaat. Méér zijn dan een patiënt. ©Koen Verheijden

Sterven is doodeenvoudig, luidt de titel van het boek van voormalig Denker des Vaderlands René Gude die leed aan botkanker. Ondertitel: Iedereen kan het. Ik zou daaraan willen toevoegen dat iedereen het vooral op zijn eigen manier doet. Van de ruim zeventig mensen die ik sprak, hadden er geen twee hetzelfde verhaal.

Mysterie

De dood heeft me altijd gefascineerd. Ik zal een jaar of zeven zijn geweest toen mijn eerste konijn op een ochtend stijf in zijn hok lag. Hij zag er nog steeds uit als Herman, zijn oren voelden even zacht als die van Herman, maar hij wás niet langer Herman. Dit was een dood konijn. Of, zoals een vergelijkbare scène met een papegaai onsterfelijk werd gemaakt door Monty Python in Dead Parrot: mijn konijn rustte in vrede, was heengegaan, teruggekeerd naar zijn Schepper. Dit was een ex-konijn. Want het ontbreekt niet aan eufemismen om te melden dat iets er niet meer is. Dat mysterie intrigeerde me ook. Wat was nou precies het verschil tussen dit versteende beest op het droge zaagsel en het diertje dat gisteravond nog zijn warme neus tegen mijn hand had geduwd?

Twee jaar lang praten met mensen die balanceren tussen deze en gene zijde, heeft me niet dichter bij een antwoord gebracht. Zelfs het overlijden van mijn zachtmoedige schoonmoeder tussen de krantengesprekken door – ze sloot haar ogen te midden van de familie – bood geen helderheid. Wat de dood precies is, blijft een raadsel. ,,Niemand is ooit teruggekomen om erover te vertellen’’, hoorde ik vaak als ik mijn interviewkandidaten ernaar vroeg. Een dooddoener die ontnuchterend waar is. Dus rest ons maar één ding: focussen op het leven. Hoe moet dat dan?

Opmerkelijk hoe mensen in staat blijken ondanks een slopende ziekte tevreden te zijn met een telefoontje van een verre vriend

Beperkingen

Niks moet, om te beginnen. Maar wat helpt, is je realiseren dat alles eindig is en dat het leven van de ene op de andere dag anders kan zijn. De coronacrisis heeft ons wat dat betreft allemaal met de neus op de feiten gedrukt. Niet alleen omdat mensen om ons heen bezweken aan dat enge nieuwe virus, maar ook omdat we moesten leren leven met beperkingen: geen terrasje, geen vakantie, geen feestje, geen bezoek.

Mensen die ongeneeslijk ziek zijn, hebben daar ruimschoots ervaring mee. Hun tijd is beperkt, maar de ruimte vaak ook. Wie onder intensieve controle staat van een arts, of een zeer kwetsbare gezondheid heeft, piekert er niet over het vliegtuig naar Alicante te nemen. De angst voor besmetting met een virus was er vaak al; mensen bleven angstvallig weg van de massa.

Wat me opviel, was dat de tevredenheid er in veel gevallen niet minder om was. In de laatste fase blijken mensen in staat extra te genieten van wat wel kan. Het lijkt wel of kleuren scherper gezien worden en alle zintuigen wagenwijd open staan. Opmerkelijk hoe mensen in staat blijken ondanks een slopende ziekte tevreden te zijn met een telefoontje van een verre vriend of de aanwezigheid van de kinderen.

Wendy Colijn (1974-2019) had zoveel pijn dat ze uitkeek naar de dag van de euthanasie. Haar vriend Gerard liet vlak voor haar dood haar naam op zijn arm tatoeëren. Wendy moest er vreselijk van huilen. ©Arie Kievit

Niet eerlijk

Het leven is niet eerlijk, dat wist ik al. Nu helemaal. Ik praatte met Kinga, een jonge moeder van drie kinderen die wist dat haar man de opvoeding straks alleen moest doen. Met Nicole, die het moeilijk te verdragen vond dat haar zoon met het syndroom van Down haar misschien wel zou vergeten. Met Wendy, die zoveel pijn had dat ze uitkeek naar de dag van de euthanasie. Met Tjalling, de tandarts die nog moest beginnen aan zijn pensioen, maar werd ingehaald door het verval. Met Piet, die niet wilde sterven in coronatijd omdat hij graag zo veel mogelijk mensen naar zijn uitvaart zag komen.

Tjalling Koopmans (1942-2019) had een progressieve longziekte maar wilde geen ziekenhuisbed in zijn kamer. Met zo’n bed in de kamer voelt het alsof je nog maar twee stappen verwijderd bent van de dood, vond hij. ©Paul van Agten

De keren dat ik na een interview huilend in de auto zat – mijn zeis in de kofferbak – zijn ontelbaar. Dat was niet alleen vanwege de onverbiddelijkheid van de dood, maar ook omdat ik in zo’n gezin de liefde had gevoeld waar het echt om draait. Jaloersmakende warmte, die alleen straalt als er niets meer te verliezen is. ‘Had ik dit maar eerder geweten’, verzuchtte menig interviewkandidaat. Waarom hadden ze bij leven zo hard gerend en zich druk gemaakt om kleine dingen? Omdat ze mens waren (zijn). Kennelijk hebben we de dood nodig om ons te wijzen op de waarde van het leven.

Mijn gesprekken met bijna-doden waren telkens weer een wake-upcall: volg je hart, stel niets uit, heb mateloos lief. Maar toch maakte ik nog steeds ruzie thuis en zei ik ‘ja’ tegen klussen die ik nooit had willen doen. ’s Nachts lag ik wakker van de vraag of ik wel genoeg uit mijn tijdelijke bestaan hier op aarde haalde. Dan echoden de verhalen van zieke mensen na in mijn hoofd. Hoe ze zomaar op een ochtend een pijntje voelden in hun arm of een knobbeltje in het been. Hoe ze toch maar naar de huisarts gingen en niet veel later stomverbaasd tegenover een specialist zaten die vertelde dat hun laatste uur had geslagen. Ik werd er bijkans hypochondrisch van – was mijn zeurende hoofdpijn ook de voorbode van iets rampzaligs? En ik begreep dat er tevens nadelen kleefden aan te véél nadenken over de dood. De nacht kan men ook benutten om te slapen (beter ook voor de gezondheid).

Piet Lepelaars (1961-2020) voelde zich volmaakt gelukkig op zijn chopper. ,,Ik heb altijd goed geleefd’’, vertelde hij vlak voor zijn overlijden.,,Veel gedronken ook, soms zat ik wel vier keer per week in het café.’’ ©Koen Verheijden

Kandidaten

Nee, voor mijn nachtrust was deze reeks niet best. Ik herinner me de eindeloze google-sessies in een donker huis. De woorden ‘terminaal’ en ‘ziek’ heb ik zo vaak ingetikt, dat ik via slimme algoritmes aan de lopende band morbide advertenties voor uitvaart-prullaria en medische oplossingen kreeg voorgeschoteld. Toch was internet dé manier om nieuwe kandidaten voor mijn serie te vinden. Vervolgens lag ik dan weer wakker van de vraag hoe ik de man of vrouw moest benaderen. Niet te enthousiast (‘ik hoor dat u doodgaat, dat treft’), maar ook niet te terughoudend. Eén keer had ik het mis en belde ik een dame over wie ik via via had gehoord dat haar laatste uur had geslagen. Ze bleek zelf van niets te weten.

Uiteindelijk werd de titel van het boek niet Wie met mij praat gaat dood, maar Ik heb geleefd – net als de serie. Die naam doet recht aan alle mensen die zo ruimhartig waren mij in hun laatste fase toe te laten. Ja, ze hebben geleefd. En hoe. Ik hing aan hun lippen: vertel ons hoe het moet, zeg me wat je weet. Er is leven vóór de dood. Het doet me pijn dat ik de meesten het boek niet meer persoonlijk kan overhandigen. Ze zijn overleden, ja, dat zat er in. Maar ik heb geleerd dat het niet erg is daar gewoon intens verdrietig om te zijn.