Christiaan Alberdingk Thijm schreef roman over spermadonor: ‘We zijn kritischer gaan denken over zaaddonatie’

Hebben zaaddonors recht op anonimiteit? Of hebben donorkinderen juist een recht om te weten wie hun biologische vader is? Christiaan Alberdingk Thijm schreef een roman over een spermadonor die hem aan het denken zette. 
Christiaan Alberdingk Thijm ©Jildiz Kaptein Fotografie

Maar liefst 411 kinderen heeft de hoofdpersoon in De familie Wachtman, de tweede roman van advocaat en schrijver Christiaan Alberdingk Thijm (1971). Tenminste, dat is zijn schatting – de hoofdpersoon weet het niet precies. Hij, Philip Wachtman, is zaaddonor. Anoniem. Al jaren. Het begon als een eenmalig experiment, maar groeide uit tot een vast ritueel, iets dat zijn leven zin gaf. Die tijd is bijna voorbij. Wachtman is de wettelijke leeftijdsgrens van 45 gepasseerd – een bevriende arts laat hem nog even doorgaan, maar niet lang meer. Door een nieuwe wet kan het doneren ook niet meer anoniem. Daar komt in de roman nog een fictieve uitspraak van een Europese rechter bovenop, die maakt dat zijn anonimiteit zelfs met terugwerkende kracht wordt opgeheven. Zijn voltallige kroost kan hem achterhalen, vreest Philip Wachtman. Zijn leven wankelt.

Het idee voor de roman ontstond in 2011, net nadat zijn debuut was verschenen, vertelt Alberdingk Thijm. “Ik las een interview met een 23-jarige studente. Ze vertelde hoe zij op 15-jarige leeftijd haar ouders verloor en bij het opruimen van de zolder ontdekte dat ze een donorkind was. Haar vader was na bestralingen onvruchtbaar geworden; haar ouders hadden daarom gekozen voor een spermadonor van het AMC-ziekenhuis in Amsterdam. Maar daar konden ze haar niet vertellen wie dat was: hij had aangegeven anoniem te willen blijven. Veel meer dan dat het een lange man was, kwam ze niet te weten. Ze vertelde hoe ze nog steeds naar haar biologische vader zocht.”

Toch staat in uw boek niet een donorkind, maar een donor centraal.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

“Klopt, al komt er ook een jonge vrouw in voor, die denkt dat ze zijn dochter is. Ze confronteert hem met het bestaan van zijn kinderen.”

Dat vindt Philip Wachtman maar ingewikkeld. Hij wil vrij zijn, autonoom. Hij wil niet worden lastiggevallen door zijn kinderen.

“Tegelijkertijd maakt hij een ontwikkeling door. Hij realiseert zich gaandeweg dat hij wél contact wil met zijn kinderen. Het boek gaat heel erg over contact, over wat dat betekent.”

En over hoe de tijden veranderen. Wachtman is docent familierecht aan de universiteit van Amsterdam en heeft zijn carrière gewijd aan de verdediging van de anonimiteit van donors. Die carrière zit in het slop – zijn denkbeelden passen niet meer bij de tijdgeest.

“Ik vond het interessant om te zien dat we als maatschappij echt anders zijn gaan denken over zaaddonatie. Men is kritischer geworden. Aan het begin, in de jaren zestig, zeventig en tachtig, werd het vooral gezien als iets goeds, iets dat wensouders helpt. De zaaddonor deed iets altruïstisch. Er werd vooral belang gehecht aan de anonimiteit van de donor en de bescherming van het gezin. Inmiddels zie je dat die discussie is omgeslagen. Nu staat het recht van het donorkind om te weten van wie het afstamt centraal. Sinds de nieuwe Donorwet uit 2004 kunnen zij vanaf hun zestiende de identiteit van de donor opvragen.”

©Jildiz Kaptein Fotografie

Een ‘CDA-wet’, schampert Wachtman, volgens hem vooral bedoeld om het traditionele gezin te beschermen. Overigens laat u die wet in uw boek uit 2012 stammen.

“Ja, anders kwam ik in de knoop met mijn verhaal, dan paste het niet bij de leeftijd van Wachtman. Als je de Kamerdebatten terugkijkt, zie je dat hij wel enige grond heeft voor zijn kritiek op die wet. Wilde men niet vooral donors afschrikken en voorkomen dat lesbische stellen kinderen krijgen, vraag je je dan af.”

Hoe verklaart u die maatschappelijke omslag?

“In de eerste plaats zijn donorkinderen mondiger geworden. Zij laten van zich horen en vertellen over hun worstelingen met hun identiteit – zoals die studente. Ze hebben er vaak echt psychologisch last van hebben dat ze niet weten van wie ze afstammen. Het donorschap kreeg een vlucht in de jaren zeventig en tachtig. Toen waren er nog amper volwassen donorkinderen die voor hun belang konden opkomen. Die zijn er nu wel.

“Bovendien speelden er recent enkele schandalen rond donors. Neem Jan Karbaat, een gynaecoloog van wie bekend werd dat hij zijn eigen zaad doneerde, iets wat hij altijd had ontkend. Na zijn dood hebben ze DNA van zijn tandenborstel gepulkt. Hij bleek 67 kinderen te hebben. Door zo’n schandaal komen zaaddonors in een negatief daglicht te staan.

“Ik denk ook dat we als maatschappij zijn veranderd. In Nederland waren we op medisch-ethisch gebied altijd zeer progressief, met abortus en euthanasie. Maar bij donorschap hebben we een slingerbeweging gemaakt. Misschien zijn we op dit gebied ook wel ‘gidsland’, alleen dan de andere richting in. We zijn nu conservatiever dan sommige andere landen om ons heen.”

Zaaddonors zijn in het verdomhoekje terechtgekomen?

“Ja. Een tijdje geleden stond er een interview in de Volkskrant met een donor. Max Pam schreef vervolgens in een column dat alle donoren ‘narcistische rukkers’ zijn. Tja, als dat de toon van het debat is, krijg je dus dat minder mensen dat gaan doen.” (Dit is de interpretatie van Alberdingk Thijm van deze column, niet de feitelijke woordkeuze van Pam, red.)

Daar maakt Wachtman zich druk over. Hij vreest dat de ontwikkelingen ertoe leiden dat er een schimmige handel ontstaat in zaad uit het buitenland.

“En daar heeft hij een punt. We hebben in Nederland nog maar tweehonderd donors. Dat waren er meerdere duizenden. Er wordt nu een hele hoop zaad uit het buitenland gehaald, van commerciële zaadbanken, met name uit Denemarken. Tegen betaling kun je dan bijvoorbeeld de stem horen van de donor. Spanje doet dan weer heel veel in eicellen. Je ziet dus een levendige handel. Maar als je het recht van het kind vooropstelt, dan helpt die buitenlandroute natuurlijk niet, want dat maakt het moeilijker om je afkomst te achterhalen en de betrouwbaarheid van het zaad te garanderen.”

Veranderde uw eigen kijk door het schrijven van het boek?

“Privacy is belangrijk voor me, als advocaat. Mijn sympathie ging daarom in eerste instantie uit naar de donor en zijn recht op anonimiteit. Maar ik kreeg gaandeweg steeds meer sympathie voor de donorkinderen, van wie ik er vele heb gesproken. Het leuke van een roman is dat je geen keuze hoeft te maken. Je kunt al die verschillende perspectieven en belangen laten zien, ze door verschillende karakters laten belichamen. En ze met elkaar laten botsen. Een goed boek moet je op verschillende niveaus kunnen lezen. Je kan mijn roman lezen als ‘gewoon’ een spannend verhaal met een goed plot. Maar als je wilt, kun je je er ook door aan het denken laten zetten. En waar de gedachten van de lezer naar toe gaan, dat probeer ik niet te dicteren.

“Ik hoop dat de lezer begrijpt dat het in het recht altijd om een lastige afweging van belangen gaat, een zoektocht naar het juiste evenwicht. Dat het complex is, niet zwart-wit. Wiens belang staat voorop? Hebben donors recht op anonimiteit? Of hebben donorkinderen juist een recht om te weten wie hun biologische vader is? Heb je altijd het recht om te weten van wie je afstamt? Dus ook als je een buitenechtelijk kind bent – zoals een op de twintig kinderen in Nederland?”

Kinderen hebben door de nieuwe wetgeving het recht om ‘afstammingsvragen’ te stellen. Maar Wachtman vraagt zich af: hebben ze ook een recht antwoorden te krijgen?

“Een goede vraag. Ik heb er niet direct een antwoord op. De autonomie van de wensouders en de donors is hier ook in het geding.”

Het werkkamertje in zijn Amsterdamse huis is krap. Hij houdt het interview via Teams, staand – “ik werk altijd staand, vanwege een slechte rug”. Aan een boekenkast hangt een toga. Hij bijt in een boterham met pindakaas. “Heeft mijn dochter van dertien voor me gesmeerd”, glimlacht hij. Hij heeft ook een zoon van 15. “Het zal door mijn boek komen, maar ik vraag me vaak af bij mijn kinderen: wat komt van mijn genen en wat niet?”

En?

“De ene is analytisch en mondig, houdt erg van argumenteren. Dat zal ie wel van mij hebben. De ander is wat extraverter, positiever ingesteld. Dat zie ik ook bij mijzelf terug. Ik kan verder bloedirritant zijn, een behoorlijke zuiger. Ik mep terug, verbaal. En ja, dat zie ik óók bij mijn kinderen. ‘Net je vader’, zegt mijn vrouw dan tegen ze. Je kinderen tonen je wie jij bent. Door hun gedrag, het leuke of het vervelende. Het zegt iets over jou en jouw eigenschappen. Genen spelen toch best een belangrijke rol bij de vorming van het karakter. Zeker wat je doet in situaties van stress – ik denk dat dat grotendeels genetisch bepaald is.”

Hoe zit het met uw eigen genen? U komt uit een geslacht met tal van letterkundigen, zoals uw overgrootvader, Lodewijk van Deyssel.

“Ik vind het interessant om me in die familiegeschiedenis te verdiepen, als kind deed ik dat al. Tegelijkertijd heb ik niet het gevoel dat er een bepaald literair talent aan mij is ‘doorgegeven’. Het is natuurlijk wel zo dat je als kind met zo’n familie eerder een interesse voor literatuur en schrijven ontwikkelt. Je ziet de boeken in de kast staan. Het is ook zo dat ik daardoor het schrijven überhaupt als een mogelijkheid zag: je kunt het je voorstellen als beroep. Als je vader buschauffeur is, zal dat anders zijn. In die zin is je achtergrond zeer belangrijk voor je identiteit: ze vormt je voorstellingen en verwachtingen van het leven.”

Dat gaat dan dus om de verhalen en voorbeelden waarmee je opgroeit. Een donorkind krijgt die ook, alleen dan van het wensgezin. Het vormt in dat gezin zijn identiteit. Ís het eigenlijk nog wel een kind van zijn biologische vader?

“Ik hoor vaak van donorkinderen dat het hen helpt om te weten dat ze van een andere vader afstammen. Ze voelden zich bijvoorbeeld altijd al anders, er ontbrak ‘iets’. Nu vallen dingen op hun plek. Wel vraag ik het me ook vaak af: wie is je vader nu precies – degene die je opvoedt of degene die het zaadje geeft? Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? We weten ook nog maar weinig over hoe het daarna verder gaat – nadat een kind zijn ‘echte’ vader heeft gevonden. Hoe verloopt het contact daarna? Welke vragen stel je aan je biologische vader? En hoe verandert dat je perspectief op jezelf en het leven? Je kunt je hele leven op zoek zijn naar iemand, daar heb je dan een bepaald beeld bij. Dan vind je hem. En dan? Sommige vinden een vader die dood is of geen contact wil, of juist te véél contact.”

Zou u zelf doneren?

“Ik heb dat weleens schertsend tegen mijn vrouw gezegd. ‘Als je het maar laat’, was haar antwoord. Inmiddels ben ik er te oud voor. Het blijft een interessant dilemma. Ik heb een hoop donorkinderen gesproken die zeiden: ‘het moet verboden worden, het is een misdadig systeem’. ‘Maar dan was jij niet geboren’, zei ik dan. Ik kan me goed voorstellen dat iemand het doet om mensen te helpen. In Denemarken zijn er superveel donoren. Daar is het veel meer iets wat jij voor de maatschappij doet. Ik heb veel donoren gesproken die zeiden: ‘het heeft mijn leven echt zin gegeven’.”

Hoe is het afgelopen met die studente over wie u in 2011 las?

“Toen mijn boek bijna af was, vroeg ik me dat ook af. Ik wist haar adres op te sporen en stuurde haar een e-mail. Binnen een uur kreeg ik een reactie: ze stond op een treinstation, op weg naar haar halfbroers. Twee maanden daarvoor had ze haar vader ontdekt en gesproken. Het was inderdaad een lange man. Ik ben benieuwd hoe dat verhaal verder gaat, nu het geheim is uitgekomen.” 

©rv

Christiaan Alberdingk Thijm
De familie Wachtman
Anbo|Anthos;
320 blz. € 22,99

Lees ook:

Schrijver Johan Harstad stoort zich aan onverschilligheid: ‘Het is essentieel om te blijven protesteren’

Sommige boeken zijn lijvig, andere vuistdik - letterlijk. Zoals Max, Mischa & het Tet-offensief, van de Noorse schrijver Johan Harstad, dit jaar een onverwachte verkoophit