Woningzoekers zitten klem: ‘Er is gewoon helemaal niets’

Ze zwerven niet bij honderdduizenden over de straat, al die Nederlanders die op zoek zijn naar een huis. Maar nijpend is hun situatie vaak wel.
Jean-Pierre de Breed woont sinds twee weken in een woning die over zes maanden wordt gesloopt. ©Inge Van Mill

Mariëlle van der Stel (43) heeft al het een en ander aan tegenslag achter de rug. Ze is lang ziek geweest en raakte haar baan kwijt. Haar tweede kind, een dochtertje, kreeg na haar geboorte een hersenbloeding. En haar relatie liep ook op de klippen.

En toen had ze dus een ander huis nodig.

Een paar jaar daarvoor had ze zich ingeschreven bij een woningcorporatie, maar die heeft lange wachtlijsten, en een urgentieverklaring werd haar geweigerd. Een jaar lang woonde ze nog met haar ex-partner onder één dak, toen schoten haar ouders te hulp.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Nu woont ze in een huis met een huur van 1000 euro per maand, veel te veel voor haar. Dat kan alleen omdat haar ouders haar financieel ondersteunen. En het is ook nog eens te klein. “Het heeft een slaapkamer te weinig, en geen tuin of balkon. Dat zou voor mijn dochter wel heel fijn zijn.”

Nog steeds is ze dagelijks bezig met haar zoektocht naar iets beters. Ze heeft weer een baan, drie dagen per week in de wijkzorg. Meer werken en dus meer verdienen kan niet, want haar dochter met een beperking heeft veel zorg nodig. En ze wil niet uit Noordwijkerhout weg, want daar wonen ook haar ouders – die regelmatig oppassen op de kinderen – en haar ex-partner.

‘Moet ik dan een rijke vent zoeken?’

“Maar er is gewoon helemaal niets. Ik heb net nog gekeken op de site van de woningcorporatie: twee eenpersoonsappartementen, dat was alles.” Ze hoopt dat het via-via lukt. Laatst via een klasgenoot van haar zoon: die wist van een achterbuurvrouw die vertrok. “Ik heb me laten voordragen als nieuwe huurder, mijn ouders wilden wel garantstaan. Maar de verhuurder wilde geen garantstelling door derden.”

©Sander Soewargana

Het bezorgt haar stress. “Ik zit vast. En ik vind het ook niet eerlijk. Omdat ik meer dan 730 euro huur betaal, krijg ik geen huurtoeslag, mensen met een vergelijkbaar inkomen in een sociale huurwoning wel. Daardoor ben ik afhankelijk van m’n ouders, en dat wil ik niet. Moet ik dan een rijke vent zoeken?”

De zoektocht van Mariëlle van der Stel staat niet op zichzelf. Volgens recente berekeningen heeft Nederland een tekort aan 331.000 woningen. Dat betekent niet dat er honderdduizenden mensen op straat rondzwerven – hoewel het aantal daklozen groeit – maar wel dat velen wonen in een huis dat niet bij hen past.

De politiek begint nu in te zien dat er iets moet gebeuren. Op Prinsjesdag kondigde minister Kajsa Ollongren maatregelen aan om nieuwbouw te bevorderen. Maar het zal nog jaren duren voordat dat effect heeft, en veel mensen hebben nú een huis nodig.

Zoeken in het grijze circuit

“Er zitten veel mensen bij die een onverwachte gebeurtenis hebben meegemaakt”, zegt Frank Wassenberg, die zich bij kennisinstituut Platform 31 bezighoudt met de woningmarkt. “Mensen die net gescheiden zijn of hun baan zijn kwijtgeraakt en daardoor de huur of hypotheek niet meer kunnen betalen.”

Maar het is lang niet altijd iets onverwachts waardoor mensen op zoek gaan naar een huis. Jongeren die het huis uitgaan, somt Wassenberg op, net afgestudeerden die moeten verhuizen voor hun eerste baan, asielzoekers die een verblijfsstatus krijgen, ouderen die kleiner willen wonen, ‘maar niet half zo groot voor de dubbele prijs’.

Vooral de ‘spoedzoekers’, mensen die echt snel onderdak nodig hebben, zoeken het soms in het grijze circuit. Platform 31 deed vorig jaar onderzoek naar vakantieparken op de Veluwe en ontdekte dat daar tussen de 6000 en 9000 mensen wonen. Als dat een afspiegeling is van het landelijke beeld gaat het in heel Nederland om 60.000 tot 80.000 mensen. Daar zitten veel ouderen bij die nog een flatje in de stad aanhouden, maar ook arbeidsmigranten en mensen die liever ‘onder de radar’ leven.

Wassenberg spreekt van het ‘souterrain van de woningmarkt’. Zeker in de steden neemt de ruimte in dat souterrain af. Veel steden liggen er beter bij dan voorheen: sloop- en kraakpanden zijn er minder en door betere controle is ook het aantal huisjesmelkers en louche pensions teruggedrongen. “Al dat woningaanbod was misschien ongewenst”, zegt Wassenberg, “maar het bood wel een vangnet.”

Als je veel geld hebt

Emma Vermaase (22), student aan de fotovakschool, had op haar zeventiende het huis wel uit gewild om in Amsterdam te gaan wonen. Kansloos, zag ze al snel in. Tot ze anderhalf jaar geleden ‘via een oude vriend van mijn vader en daar de dochter van’ terecht kon in een huis in Amsterdam-Zuid dat ze deelde met twee anderen. Ruim 700 euro voor een kamer van negen vierkante meter plus gemeenschappelijke ruimtes. Niet ongewoon in Amsterdam.

Maar de hoofdhuurster wilde weg en zegde de huur op, dus toen begon een nieuwe zoektocht, deze keer naar een woning waar ze kon samenwonen met haar vriend – die ergens in onderhuur woonde. Ze stond al ingeschreven bij twee websites van corporaties, Woningnet en Studentenwoningweb – ‘Maar ja, ik ben bijna afgestudeerd’ – maar daar zijn de wachtlijsten lang. Een commerciële site waar je een paar tientjes per maand betaalt om je te mogen melden voor aangeboden woningen leverde ook niets op. Net zo min als Facebook.

Ten slotte nam ze een makelaar in de arm, tegen 30 euro inschrijfgeld. Die stuurde mailtjes met het woningaanbod, ging mee met bezichtigingen, kwam op de proppen met een geschikt huis in de Jordaan en regelde ook het papierwerk. Haar vader staat garant voor de huur, 1300 euro all-in voor 45 vierkante meter, en de makelaar kreeg voor zijn diensten één maand kale huur. Nu wonen ze er. “Heel gezellig, in een leuke buurt.”

Haar conclusie: “Makkelijk was het niet. Als je veel geld hebt, dán is het makkelijk.”

Ook het verhaal van Emma Vermaase is verre van bijzonder. Iedereen die voor het eerst een woning zoekt, heeft het lastig, behalve wie veel geld heeft. Het ministerie van binnenlandse zaken en de verenigingen van makelaars, van woningcorporaties en van banken wijdden er eind september zelfs een ‘week van de starter’ aan, met een website vol goede raad.

Wrang soort lachlust

Hoewel , goede raad? Op Twitter wekten de adviezen een wrang soort lachlust op. Als je een huis wil kopen, is het fijn als je geen studieschuld hebt. Oké, maar waar moet je dan in je studietijd van leven? En: zorg dat je alvast wat spaart voor een koophuis. Fijn, maar hoe doe je dat als je een torenhoge huur betaalt? En: je wilt misschien in Amsterdam wonen, maar kijk eens verder, Nieuwegein kan ook erg leuk zijn. Yeah, right.

Lang niet iedereen heeft ‘toegang tot de stad’, schreef de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur begin deze maand – maar wat de RLI beschrijft, geldt niet alleen in de steden. Bijna overal is het aantal sociale huurwoningen gedaald en zijn de wachttijden opgelopen. Woningzoekenden in Amsterdam en Utrecht staan gemiddeld bijna negen jaar ingeschreven en tussen het tijdstip dat zij daadwerkelijk gaan zoeken en het vinden van een woning ligt vijf jaar. In Almere, Haarlem, Den Bosch of Amersfoort is het niet veel beter.

Wie net te veel verdient om voor sociale huur in aanmerking te komen, kan zelden in een koopwoning terecht, want die zijn veel te duur – niet voor niets is het aantal twintigers en dertigers onder de huizenkopers in jaren niet zo laag geweest. Voor deze groep rest dus alleen de huurmarkt in de vrije sector. Daar gelden geen wachttijden, maar zijn de huurprijzen fors. Niet zo vreemd, stelt de RLI, dat het aantal jongeren tussen de 20 en 24 jaar dat nog bij hun ouders woont al tien jaar gestaag toeneemt.

Bij de Woonbond, de belangenbehartiger van huurders en woningzoekenden, merken ze dat de verhuurders nu vaak de bovenliggende partij zijn. “Er gaat veel mis”, zegt woordvoerder Marcel Trip. “Er worden soms veel te hoge huren gevraagd, dat kan helaas gewoon. Zeker op de commerciële huurmarkt zitten er rotte appels tussen. Verhuurders die bijvoorbeeld weinig aan onderhoud doen, en beginnen met pesterijen of intimidatie als huurders daarover klagen.”

‘Woelige tijden, ja’

Toen Jean-Pierre de Breed (57), wijkziekenverzorgende in Den Haag, vijf jaar geleden brak met zijn vriendin, leek hij zich over zijn huisvesting weinig zorgen te hoeven maken. Via een makelaar kon hij een huis huren dat al een tijdje te koop stond. “Iets boven mijn budget, maar ik had wat reserves.”

Toch ging het mis. De eigenaar van het huis bleek de hypotheek niet te betalen en uiteindelijk moest De Breed er daardoor uit. Hij woonde een paar maanden in een vakantiehuisje, vond opnieuw een huurhuis, kreeg een burn-out, liet een tijdlang na de huur te betalen en werd ten slotte zijn huis uitgezet.

Daarna kon hij anderhalf jaar lang anti-kraak wonen, in een huis waarvoor hij later ook een tijdelijk huurcontract kreeg. Daar moest hij per 1 oktober uit. Hij dreigde opnieuw op straat gezet te worden.

Tot hij de Bond Precaire Woonvormen erbij haalde, een club die zich inzet voor mensen die in de knel zitten vanwege de onzekerheden op de huurmarkt. Die wist Tweede Kamerleden in te schakelen: in Kamervragen herinnerden SP, GroenLinks en PvdA minister Ollongren aan haar uitspraak dat huisuitzettingen in coronatijd voorkomen moeten worden.

Jean-Pierre de Breed vond via een makelaar een woning, wel iets boven zijn budget. ©Inge Van Mill

Ten slotte bood de betrokken woningcorporatie hem alsnog een andere woning aan, op het nippertje. Voor zes maanden, want daarna wordt het huis gesloopt. Andere woningen aan zijn portiek zijn al dichtgetimmerd. “Woelige tijden, ja”, zegt De Breed. Ook voor zijn kinderen, die hij binnenkort weer hoopt te kunnen ontvangen. “Die hebben hier ook wel iets van meegekregen, dat zie je alleen al aan hun schoolcijfers.”

Actievoeren kan helpen, zegt Abel Heijkamp van de Bond Precaire Woonvormen. “Mensen denken vaak: als ik maar braaf doe wat er van me gevraagd wordt, komt het wel goed. Maar zo werkt het niet.”

Volgens Heijkamp is het aantal huisuitzettingen terug op het niveau van voor de coronacrisis. Die uitzettingen zijn het gevolg van ‘de flexibilisering van de woningmarkt’, zegt hij, van bewust beleid. Nu flexbanen gewoon zijn geworden op de arbeidsmarkt, vond het vorige kabinet, moet ook wonen flexibeler geregeld worden. Eerder nog noemde minister Ollongren flexwonen ‘niet de oplossing, wel een goede aanvulling’ voor de woningmarkt. Heijkamp ziet vooral dat er ‘een groeiende klasse van huurders zonder rechten’ is ontstaan. “Maar wonen is een recht.”

Kostendelersnorm

Zolang het woningtekort niet is opgelost, zijn er in de praktijk grenzen aan dat recht. Voor al die mensen die iets groters zoeken, of iets wat ze beter kunnen betalen of iets waar ze niet binnenkort uit hoeven, blijft het dus voorlopig behelpen.

Toch kan er in de tussentijd wel iets worden gedaan, zegt Wassenberg van Platform 31: bestaande woningen moeten ‘efficiënter’ benut worden. Hij geeft een voorbeeld: de kostendelersnorm. Die houdt in dat mensen in de bijstand gekort worden op hun uitkering als ze iemand anders in huis nemen. Daarom zitten ze liever met een leegstaande kamer dan dat ze een huurder nemen. Niet efficiënt, zegt Wassenberg.

Daarnaast wijst Wassenberg op het beleid van veel steden tegen ‘verkamering’, het opdelen van woningen in afzonderlijke woonruimtes voor bijvoorbeeld studenten. “Dat komt de leefbaarheid niet ten goede, denken stadsbesturen. Maar verkamering zorgt wel dat er in zo’n huis drie of vier mensen kunnen wonen in plaats van één.”

Nederland telt 7,8 miljoen woningen, redeneert Wassenberg. Vorig jaar kwamen er 77.000 bij, dat is dus 1 procent erbovenop. “Waarom zou je de oplossing verwachten van die ene procent, en niets doen met die andere 99?”

Lees ook:

Zo kwam Nederland aan een tekort van 331.000 woningen

Het tekort aan woningen in Nederland groeit, al jaren, en politiek Den Haag heeft dat laten gebeuren. Ook nu de wind heel zachtjes uit een andere hoek lijkt te gaan waaien, zal dat tekort nog blijven groeien. Vier redenen die verklaren hoe dat heeft kunnen gebeuren