Wat blijkt, zelfs een God in Frankrijk heeft buren

Schrijver en journalist Ivo van Woerden koopt met zijn man een werkelijk schattig huisje in Frankrijk. Ze leven er in harmonie met de plaatselijke bevolking. Tot hun buren bouwplannen blijken te hebben.
©Claudie de Cleen

Het is augustus 2017 en op internet vinden we een advertentie met een foto van het kleinste, schattigste Hans-en-Grietje-huisje met roze luiken dat we ooit hebben gezien. Het bestaat uit twee kamers: één boven en één beneden. Het ziet er oud, sfeervol, maar goed onderhouden uit. Er zit een schuurtje aan de achterkant en er ligt een tuin omheen. We zien een foto van wat schots en scheef staande bomen die samen een boomgaard moeten voorstellen en er ligt ook nog een ruïne naast. Dat alles voor een prijs waar je in Nederland nog geen parkeerplaats voor hebt.

Ik ben journalist en schrijver en verlang naar een mooie rustige plek om boeken te maken, te genieten van het goede leven. Mijn man ziet er ook een plek in waar hij zijn droom van een kleinschalig, duurzaam leven kan waarmaken.

Het huisje bevindt zich in Le Berry in het hart van Frankrijk, een plattelandsstreek waar een Parijse vriend van ons over zegt dat iedereen er achterlijk is en je er niet dood gevonden wil worden. Maar wij zijn er bekend en komen er graag. Een aantal jaar eerder waren we er via-via terechtgekomen en raakten gecharmeerd van de ruimte en de rust. Het is er prachtig groen en weelderig. We maken eindeloze wandelingen met de hond door het verlaten, glooiende heuvellandschap, langs weilanden vol koeien, waarbij je af en toe oog in oog komt te staan met een verdwaald hert of een everzwijn.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Het gebied is voor ons de perfecte tegenhanger van ons leven in de Randstad, waar we het idee hebben dat we onze leefruimte voortdurend moeten bevechten, waar je over de toeristen struikelt en waar je hutjemutje zit.

We gaan de drempel van het Hans-en-Grietje-huisje over en we weten direct dat dit het is, dat we ons thuis in Frankrijk hebben gevonden.

Drie maanden later heeft de plaatselijke notaris de koopakte in orde gemaakt en krijgen we de sleutel. Terwijl we onze Franse droomwoning inrichten, nemen we ons voor dat we er alles aan gaan doen om het goed met deze kleine buurgemeenschap te kunnen vinden. Het nastreven van de harmonie vinden we belangrijk omdat we eerder hebben ervaren wat het betekent als je problemen hebt op de plek waar je woont. We hebben meerdere malen te maken gekregen met homofobie en ons daardoor onveilig en ongemakkelijk gevoeld. We hadden ervan geleerd dat, hoewel je het recht hebt om te zijn wie je bent, het geen gegeven is dat anderen dat respecteren. Bijbehorend ongemak zal afbreuk doen aan het droomscenario dat we voor ons zien. Omdat dit Franse huis er voor altijd zal zijn, voelt het als een noodzaak om door de buurt geaccepteerd te worden.

Ook wij hebben Ik vertrek gezien waar het ene na het andere stel een naïeve droom najaagt om in een ander land waar het leuk vakantie vieren is, zonder de taal en de cultuur echt te kennen, een nieuw bestaan wil opbouwen, waarna dat geregeld in het honderd loopt. Maar dat gaat ons niet gebeuren. We spreken aardig Frans en we zijn behoorlijk bekend met de plaatselijke gebruiken. Bij een leven op het platteland hoort bijvoorbeeld dat je je buren helpt als dat nodig is. Dat je een oogje op elkaar houdt en elkaar de overbodige courgettes geeft die tijdens de zomer met stapels tegelijk uit de moestuin komen.

Naast onze geaardheid wijken we op andere vlakken ook af van de doorsnee heteroseksuele, conservatieve en katholieke inwoner van Le Berry. We gaan niet naar de kerk en zijn behoorlijk links. Ook ben ik al jaren vegetariër, geen gemeengoed in een gebied dat juist uit een lappendeken aan weilanden vol limousinkoeien bestaat, die worden gehouden voor de slacht.

Het huis ligt in een gehuchtje met andere minuscule huizen waarvan slechts de helft bewoond is. Naast ons en tegenover ons woont een stel. De rest van de huisjes is onbewoond of wordt gebruikt als schuurruimte.

Wat betreft onze geaardheid kunnen we het niet beter treffen, onze overburen blijken ook een mannenstel te zijn. Ze vertellen ons dat we niets te vrezen hebben ‘zolang we maar niet tongend over straat gaan’. Wel waarschuwen ze: mensen die hier afwijken worden getolereerd, zolang ze maar niet al te opzichtig de aandacht op zich vestigen.

Onze buren hebben bijna de pensioengerechtigde leeftijd en blijken hier geboren en getogen te zijn. Veel meer dan hun dagelijkse gang naar hun kippenschuur blijken ze niet van de wereld te hebben gezien. Als ze vragen hoe lang het naar Nederland rijden is en we antwoorden dat het al snel zo’n acht uur duurt voor je bij Rotterdam bent, zetten ze grote ogen op en prevelen ‘acht... uur...’ alsof het over een tocht naar de maan gaat.

Hoewel zij fysiek het dichtst bij ons wonen, staan zij in alle andere opzichten het verst van ons af. Het zal het moeilijkst worden om een brug naar hen te slaan. Tegelijkertijd vinden we de band met hen het belangrijkst omdat onze huizen dicht genoeg bij elkaar liggen dat we elkaar, zodra we naar buiten gaan, kunnen zien.

Met vlag en wimpel nemen we de eerste hobbel. De buurvrouw vraagt in het lokale dialect, het Berrichon, waarom we nou juist voor dit huisje op deze plek hebben gekozen. Wij antwoorden in het Frans dat het de rust, de ruimte en de mooie natuur is. Ze glimlacht van oor tot oor want dat is précies wat ze zelf zo fijn aan deze plek vindt. Daarbovenop krijgen we een compliment: ons Frans is voorbeeldig!

Niet lang daarna worden we door haar uitgenodigd voor het jaarlijkse buurtfeest waarbij ons gehucht samen met de inwoners van het aanpalend gemeente’tje de maaltijd zal nuttigen. We gaan verguld op de uitnodiging in, meldden ons in een aftands lokaal van een voormalige school en doen mee met raclette, waarbij ik vooral de schalen met vleeswaren doorgeef en het zelf bij wat gekookte aardappels met kaas houd. Alles om onzichtbaar afwijkend gedrag verborgen te houden en de kans om geaccepteerd te worden te vergroten.

Onze directe buren blijken van zo ongeveer de halve regio familie te zijn en met de andere helft bevriend te zijn. We schudden handen met familieleden die bij hen langskomen en allemaal wel iets voor ons kunnen betekenen zoals het leveren van hout voor de kachel of het repareren van een kapotte auto.

Onze verstandhouding ontwikkelt zich voorbeeldig. Als onze auto na een fikse regenbui in de modder wegzinkt, komt de buurman bijvoorbeeld uit eigen beweging met zijn tractor, maakt een touw aan de trekhaak van de auto en haalt ons letterlijk uit de drek.

Als we de deur uitlopen, kijken we om ons heen en als we de buren zien, groeten we ze van harte.

Ze hebben niet zoveel te doen en blijken graag naar ons te kijken als we in en om het huis klussen, in de moestuin rommelen of bezoek hebben. We maken bij gebrek aan raakvlakken praatjes over het weer of over tuinieren. Als we aankloppen met een lading zelfgekweekte courgettes die we toch niet op gaan krijgen, nemen zij die van harte aan.

We accepteren ook dat de buurman van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat met een van zijn grasmaaiers, ploegen of ander lawaaierig tuingereedschap in de weer is, dat hoort nou eenmaal bij het leven op het platteland. En we staan het oogluikend toe dat ze ons ‘collega’s’ blijven noemen, in plaats van ‘echtgenoten’. Alles voor het behoud van de lieve vrede.

We voelen ons geaccepteerd en noemen deze verhouding ‘harmonieus’. Dit avontuur zou met ‘Er was eens...’ moeten beginnen en eindigen met ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.

‘Alles is niet voor altijd maar altijd voor maar even / Je vindt iets moois, je draait je om en bent het kwijt’, zingt cabaretier en kunstenaar Jeroen van Merwijk. En inderdaad: waar we inzetten op iets dat voor altijd zo zou moeten blijven, worden we teleurgesteld, want ergens gaat er iets grondig mis.

Eerst moet u dit weten: naast ons huis ligt een vierkant stuk grond dat bij ons erf hoort, daar hebben we onze moestuin aangelegd. Daarnaast bevindt zich een stuk grond dat ongeveer net zo groot is en van de buren is. Zij stallen daar alles wat ooit nog eens naar het grofvuil moet én hun vuilnisbakken. Daarnaast staat hun huis. Ons keukenraam biedt uitzicht op onze moestuin, het vuilnis van de buren en hun woning.

Toen we het huis betrokken zat er tussen ons erf en dat van onze buren geen afscheiding. Omdat onze hond graag tussen hun vuilnis rondscharrelde en omdat we wel wat recht opstaand gaas konden gebruiken om planten tegenaan te laten groeien, zetten we een lage afscheiding van paaltjes en gaas op de erfgrens.

‘O, maar we vinden jullie hond zo gezellig’, kwam de buurvrouw nog zeggen.

‘Ja, maar wij hebben liever niet dat hij vuilnis eet’, biechtten we op.

Het deed de harmonie verder geen kwaad. Regelmatig kwamen ze bij het hekje staan om toe te kijken hoe we aan het wieden waren, als we de planten water gaven, of als we vergeten groenten oogsten waar ze nog nooit van hadden gehoord.

©Ivo van Woerden

Op een dag laat de buurman vallen dat ze een garage aan hun huis gaan bouwen op het stukje grond waar het vuilnis staat. Ze worden ouder en ze willen meer ruimte hebben om niet alleen hun auto, maar bijvoorbeeld ook hun wasmachine in te zetten.

‘Dat kunnen we ons voorstellen’, zeggen wij. ‘Wat fijn voor jullie.’

Een landmeter zal de grenzen van onze erven opnieuw vast komen stellen, zodat de buren daarna een bouwvergunning kunnen aanvragen.

‘Wat worden de bouwplannen?’, vragen wij.

‘Eerst komt de landmeter,’ zeggen zij.

We vragen niet door, want ja, de harmonie en dat we hier voor altijd van de magie willen blijven genieten.

De landmeter graaft paaltjes op die de grenzen moeten aangeven, verbindt verschillende punten met elkaar en kriebelt iets met een potloodje op een plattegrond. Volgens hem staat het hekje dat we in de moestuin hebben geplaatst zo ongeveer op de landsgrens. ‘Geen probleem’ zegt hij.

We moeten een krabbel zetten op een formulier en dat is dat.

Er gaat weer wat tijd overheen. ‘Hoe gaat de garage er eigenlijk uitzien?’ vragen we toch maar aan de buurman als we hem tegenkomen bij het sprokkelen van takken. Hij zegt iets over een puntdak en: ‘Er blijft een stuk grond over tussen jullie moestuin en de garage. Wij doen er niets mee, dus dat kunnen jullie gebruiken.’

Dat vinden we een aardige geste, wéér een bewijs dat we volledig door de buren en daarmee door de wijde omgeving zijn geaccepteerd. Het lijkt ons desondanks niet verstandig om van dat aanbod gebruik te gaan maken, omdat je nooit weet hoe de dingen lopen en je dan niet over erfgrenzen wil gaan zitten kibbelen.

Maanden later horen we dat de vergunning eindelijk is goedgekeurd en dat het een kwestie van wachten is tot de aannemer tijd heeft om met de bouw te beginnen.

We kopen zelf een houten tuinhuisje dat we in onze moestuin willen zetten voor het opbergen van tuingereedschap. ‘Stel dat er bij jullie straks een graafmachine komt’, zeggen we tegen de buurvrouw. ‘Staat dit huisje hier dan in de weg? Misschien moet die machine een draai maken?’

‘Nee hoor’, zegt zij. ‘Het is jullie grond, daar heb ik niets over te zeggen, maar aardig dat je het vraagt.’

Een maand later komt de buurman vragen of we het hekje van de moestuin willen weghalen. Het gaat nu eindelijk gebeuren: de mensen met de graafmachine komen eraan. Niet het huisje, maar het hekje staat in de weg voor die machine, concluderen we. We halen de paaltjes uit de grond en rollen het gaas op.

‘Piep-piep-piep’, het is 18 oktober 2019 en een grote vrachtwagen rijdt achteruit de weg af om bij de buren te stoppen en de graafmachine die hij vervoert, af te leveren. Als we de voordeur uitlopen, maant de buurman dat we direct moeten komen. Hij heeft een touw gespannen van het ene grenspaaltje naar het andere en wat blijkt: ons tuinhuisje staat 5 centimeter op hun grond.

‘Op jullie grond?’

‘Het moet weg.’ Hij is nog nooit zo directief en kortaf geweest. Maar we zien nog veel chagrijnigere mannetjes met de graafmachine heen en weer rijden en concluderen dat het de stress bij hem moet zijn, dat het nu eindelijk gaat gebeuren en dat ons tuinhuisje blijkbaar toch in de weg staat om het werk goed te kunnen uitvoeren. Hoewel we net bezoek hebben, besluiten we de buurman direct ter wille te zijn en halen het huisje leeg. We hoeven het niet af te breken, maar kunnen het in zijn geheel optillen om het te verplaatsen. Voor de zekerheid verschuiven we het tien centimeter. Tegen elkaar zeggen we dat het belachelijk is dat hij over die paar centimeter zeurt, maar goed, een grens is een grens en er zijn ergere zaken dan het ietsje verplaatsen van een tuinhuisje.

De werklui kijken met de handen in hun zij toe hoe we het tuinhuisje opnieuw volzetten. Als we de laatste schoffel er weer in doen, zeggen ze tegen de buurman dat we het huisje nog zeker een halve meter moeten opschuiven. De buurman maakt een maaibeweging met zijn arm en commandeert: ‘Nog een halve meter!’

Daar is geen reden voor. De grens is de grens en bovendien slaat het nergens op om met een nieuwe eis te wachten tot we net klaar zijn. Met een schuin oog naar de werklui zeggen we: ‘Nee, we hebben gedaan wat jullie vroegen en nu gaan we terug naar ons bezoek.’

‘Piep-piep-piep’. De dag zit erop en de graafmachine vertrekt. Ons bezoek gaat ook weg. We gaan kijken naar het resultaat van de werkzaamheden en schrikken: er is een hele rand van onze moestuin afgegraven! De aardperen die er in de grond zaten en waren opgekomen, zijn samen met andere planten op een grote hoop puin terechtgekomen.

‘Wat is er gebeurd?’, vragen we.

‘We moesten het tot en met de landsgrens afgraven voor de fundering’, is het antwoord. Er is een touwtje getrokken tussen de grenspaaltjes en blijkbaar is de landmeter iets te laconiek geweest toen hij tegen ons zei dat het hekje op de grens had gestaan.

Was dat vooraf duidelijk gemaakt, dan was het een minder grote schok geweest én hadden we de aardperen en andere planten eerst nog kunnen verplaatsen. Maar goed, het zal de stress zijn geweest, denken we. De graafmachine is vast maar voor één dag gehuurd en dus moet het allemaal vlug-vlug zijn gedaan, met dit als resultaat. Als we nu stampij gaan maken, dan is dat misschien wel het einde van de harmonie. Bovendien moeten er nog zoveel stadia volgen eer dat die garage af is, dat zal het allemaal alleen maar nodeloos ingewikkeld en ongemakkelijk maken. We slikken onze irritatie in en blijven uit de buurt als het erf van de buren weken later met machinerie wordt volgezet om de fundering te maken en te storten.

Hier is het goed om te vertellen dat onze aandacht verslapte. Onze lieve hond werd ziek. Hij was al oud en had het laatste jaar meer gezondheidsklachten gehad. Maar ze verergerden zo heftig dat we moesten beslissen om hem uit zijn lijden te verlossen en hem in te laten slapen.

Met zijn dood, sterft ook een gedeelte van het sprookje dat we ons Franse droomhuis hebben beleefd. Waar we ook kijken, overal zien we de leegte die onze hond achter heeft gelaten. Voor de deur, waar hij zo graag in het zonnetje baadde. In de moestuin, waar hij tegen ons aan kwam liggen als we gingen wieden. In de achtertuin waar hij tegen ons aanleunde als we naar de zonsondergang keken. Om die herinneringen te ontlopen, blijven we liever binnen. Daarbij blijkt de rouw om een huisdier een totale apathie en lusteloosheid los te kunnen maken. Dat doet onze alertheid bepaald geen goed.

©Ivo van Woerden

Tot we op een dag uit het keukenraam kijken en zien dat de werklui terug zijn en de ene rij op de andere rij stenen hebben gelegd. In sneltreinvaart is er een grote, dikke, grijze muur bovenop de landsgrens, strak tegen de moestuin aangebouwd. In plaats van naar buiten te rennen en verhaal te halen, staan we verlamd naar het grote grijze gevaarte te kijken. Er is helemaal geen sprake van een strook grond die overblijft, nee elke centimeter wordt in beslag genomen voor de garage.

We twijfelen aan onszelf: hebben we iets gemist? Hebben we hier per ongeluk mee ingestemd toen we een krabbel op het formulier van de landmeter zetten? Is ons Frans toch niet zo goed als we dachten? Daarom durven we het niet aan om ruzie te gaan schoppen. Eerst moeten we het formulier terugvinden. Hebben we daar een kopie van? We zoeken ons rot, maar vinden het niet.

De volgende dag wordt er een paal als een mast rechtop tegen de muur gezet en metselen de mannetjes tot bovenin de nok door. Als de werklui vertrekken laten ze een grauwe muur van twee verdiepingen hoog achter.

We gaan naar buiten en kijken vol verbazing naar de structuur van deze garage die nu bijna zo groot en zo hoog is als het huis van de buren. Cement is naar beneden gedropen en bedekt de bladeren van de romanesco-planten die onder de muur in hun groentebedden de zon proberen te pakken.

We kunnen niet geloven dat dit is gebeurd, dat wij op het uitgestrekte Franse platteland, in the middle of nowhere te maken hebben gekregen met buren die bevangen zijn geraakt door wilde bouwlust.

‘Dit is bizar,’ zegt een bevriende aannemer die toevallig die avond langskomt. Hij kijkt met zijn handen in zijn zij naar de constructie. Volgens hem hadden de buren ons dit moeten vertellen voordat ze begonnen en heeft dit niets te maken met het formulier dat we hadden getekend. Bovendien wijst hij ons erop dat de fundering een centimeter of 10 voorbij het grenspaaltje is gelegd, óp onze grond. ‘Je moet direct actie ondernemen, voor het te laat is!’

‘Maar hoe dan?’, vragen wij.

Hij weet van een planbureau, in een nabijgelegen dorp. Dáár moeten we naartoe. ‘Daar kunnen ze de bouw met één telefoontje tegenhouden tot er duidelijkheid is.’

‘Moeten we niet eerst met de buren gaan praten?’

‘Die hebben hun eigenbelang en laten dat duidelijk vóór die van jullie gaan. Nu moeten jullie voor jezelf opkomen, weten wat je rechten zijn, informatie inwinnen en daarmee een afweging maken, voordat je met je buren om tafel gaat zitten.’

We zijn het met hem eens dat het nergens op slaat dat er eerst werd gezeurd over ons tuinhuisje dat 5 centimeter over de erfgrens had gestaan en dat ze daarna wel hun fundering een stukje op onze grond hebben gelegd. En hoe zit het met de muur die bovenop de grens is gebouwd? In Nederland kan dat een gezamenlijke muur zijn, waar je ook verantwoordelijkheden voor hebt. Is dat hier ook zo?

De volgende ochtend rijden we bij het krieken van de dag naar het bureautje toe. Terwijl we ons verhaal doen aan de balie en benadrukken dat we willen weten wat onze rechten en plichten zijn, gaat er een deur open en komt er een man naar buiten. Ik herken hem direct, dit is de achterneef van onze buurvrouw die af en toe bij hen komt buurten en die we een hand hebben geschud. De man die ons nog een winterse houtvoorraad heeft bezorgd. ‘Ik hoorde toevallig jullie vraag’, zegt hij. ‘Er is niets mis met die muur.’

‘Maar de fundering staat op onze grond.’

‘Nee hoor, die staat precies goed.’

Daar hebben we dus niets aan. De secretaresse van het bureau raadt ons aan om vooral naar het stadhuis van ons dorp te gaan en daar verdere vragen te stellen.

Terwijl we onderweg zijn, vermoeden we dat de buren een telefoontje van hun neef hebben gekregen en van onze zoektocht op de hoogte zijn.

We hebben geluk, de baliemedewerkster van het stadhuis is zowaar géén familie van onze buren. Ze laat ons de bouwplannen inzien. Daar zien we dat de garage inderdaad op de landsgrens is getekend. Ook leren we dat er geen mogelijkheid meer is om bezwaar te maken, dat had twee maanden na afgifte van de vergunning gemoeten, voordat ze gingen bouwen.

Het wordt steeds duidelijker dat we hebben vertrouwd op het goede contact met de buren. Wij zijn net zo naïef geweest als de mensen die zich door de camera’s van Ik vertrek laten volgen. Dat we bij het woord ‘garage’ bovendien hebben gedacht aan een bouwwerk zoals we dat kennen uit Nederland, een blokkendoos waar een auto in past, in plaats van een huis van twee verdiepingen, helpt ook niet mee.

We bezien de buren en het contact dat we hebben gehad ineens met heel andere ogen: zijn zij al die tijd aardig tegen ons geweest zodat wij niet moeilijk zouden doen bij de bouw van hun garage? Hadden we dat kunnen weten, maar zijn we, bang om niet geaccepteerd te worden, eventuele signalen daarvan uit de weg gegaan?

De stadhuismedewerkster doet navraag en vertelt ons dat een aanbouw in Frankrijk ten minste drie meter van de grens met de buren moet worden neergezet, óf er recht bovenop zodat er geen stroken loze grond naast huizen ontstaan. Ook leren we dat, hoewel deze muur bovenop de grens staat, hij geen gedeeld eigendom is. Als wij er dus iets tegenaan zouden willen zetten, moeten we toestemming vragen. Er is nog een regel: bij het aanplanten van groen dat hoog zou worden, een noodzaak om de muur niet meer te hoeven zien, moeten we de bomen op twee meter van de muur plaatsen (dat zou neerkomen op halverwege onze moestuin).

Er is nu nog wel één kans om ‘iets’ aan deze lelijke muur te doen, maar dan moeten we wachten tot het hele gebouw af is. We zullen dan moeten claimen dat het op onze grond staat en dat de buren zich daarmee niet aan de bouwvergunning hebben gehouden. Daartoe dienen we zelf een landmeter in te huren die de grenzen opnieuw bepaalt. Als hij vindt dat het gebouw inderdaad, al was het maar een centimeter, op onze grond staat, dan kunnen we naar een advocaat stappen die er een zaak van kan maken. Als we die zaak winnen, moeten de buren hun hele garage afbreken. Mogelijk zullen ze hem dan kunnen heropbouwen, zolang ze niet over onze landsgrens komen. Dus het hele gevaarte verrijst dan alsnog met hetzelfde resultaat.

Gaan wij dat doen? Nu we net zo naïef als de Ik vertrek-mensen blijken te zijn, gaan we ook nog eens de boze buren spelen die bij de Franse versie van De Rijdende Rechter hun gelijk willen halen, om 10 centimeter? En wat als we winnen en we de buren een financiële strop omhangen om daarna alsnog een lelijke ‘garage’ in ons uitzicht te krijgen? Het zal het einde van enige sociale cohesie zijn in ons gehucht en de wijde omgeving, ook vanwege die wijdvertakte familiale banden.

Tijd voor een gesprek. We kloppen bij de buren aan en vertellen dat we ‘zeer geschokt’ zijn door wat ze hebben neergezet. Dat dit geen garage maar een extra woonhuis is. Dat we niet begrijpen dat het op de landsgrens staat, zonder dat we daar vooraf van hebben geweten. Dat we informatie hebben ingewonnen en dat de fundering bovendien een stukje op ons erf ligt.

De buurvrouw antwoordt dat ze de extra ruimte nodig heeft, haalt een aantal keer ongemakkelijk haar schouders op, zegt dat ze hier een bouwvergunning voor heeft gekregen en dus in haar recht staat, dat de fundering niet op onze grond staat, maar dat ze geen verstand van de bouw heeft dus dat ze hun aannemer bij ons langs zal sturen om het allemaal uit te leggen. Wel laat ze weten dat de muur nog ‘mooi’ gemaakt zal worden.

Hun aannemer constateert dat we een punt hebben met de fundering. ‘Maar het is maar een klein stukje’, zegt hij tegen mijn man, alsof wij hier degene zijn die pietluttig doen. Om ervoor te zorgen dat we niet naar de rechter stappen komt er onaangekondigd een leger mannen met allerhande machinerie onze tuin in om die tien centimeter van de fundering weg te bikken. Wat hen betreft moet onze zeurpieterij dan wel over zijn.

Maar wij koken vanbinnen: het gaat ons natuurlijk helemaal niet om die 10 centimeter. Het gaat ons om de gang van zaken. Het verrassingseffect van een lelijke muur die de schoonheid van onze Franse sprookjesplek behoorlijk om zeep heeft geholpen. De onbehouwenheid van het bouwen, het gebrek aan overleg en toelichting, het gevoel dat we onszelf voor de gek hebben gehouden met het idee dat we zijn geaccepteerd en worden gerespecteerd om wie we zijn, opdat we het met elkaar tot in lengte van dagen kunnen blijven rooien.

De muur drukt ondertussen een flinke stempel op ons leven. Zodra we de voordeur uitlopen, zien we de muur. Zodra we de moestuin ingaan is daar de muur. Als we door het keukenraam kijken, missen we zowaar het vuilnis dat ooit op de plek van de muur stond omdat daar tenminste nog een uitzicht achter lag. Als we gaan wandelen, is de nieuwe aanbouw van de buren alles wat onze aandacht trekt. Als ik mijn gal niet over de muur spui, dan doet mijn man het. De magische sfeer die in en om ons Hans-en-Grietje-huisje hangt, verandert in iets donkers en ongezelligs. We slaan ons voor onze kop: Hoe konden we zo dom zijn? Waarom hebben we onszelf wijsgemaakt dat de harmonie zo belangrijk was en dat we het recht hadden op een sprookje?

Wat we er ook aan overhouden is een gemeenschappelijke vijand: de buren, want die kunnen we nooit meer vertrouwen. Het lukt me om, eenmaal buiten, mijn hoofd zo naar de grond te houden dat ik de muur én de buren niet meer zie. Als we ze in een onbewaakt moment echt niet meer kunnen ontlopen, dan zeggen we ‘bonjour’. Tegen mij zeggen ze ‘bonjour’ terug. Tegen mijn man niet, wat de woede alleen maar verder opdrijft.

©Claudie de Cleen

Iedere keer als de buurman nu met zijn luidruchtige tuingereedschap in de weer is, foeteren we op dat geluid, hoort het niet meer bij het leven op het Franse platteland, maar bij het moedwillig verstoren van de anders zo zalige stilte waar we hier voor komen. We voelen hun ogen in onze ruggen prikken als we in de moestuin bezig zijn, voelen ons bekeken en kunnen hun nieuwsgierigheid helemaal niet meer waarderen.

Voorzichtig polsen we bij onze overburen, het mannenstel, wat die van de situatie vinden. Zij laten in diplomatieke bewoordingen vallen dat ze het gebouw wel ‘boven verwachting groot’ vinden, maar houden zich verder afzijdig.

Op internet beginnen we uit te kijken naar een replica van deze plek, maar dan zonder directe buren. Er ontstaat zelfs de stiekeme hoop dat we het huis van de buren op de verkoopsite zullen tegenkomen, omdat de bouw van een garage hen boven het hoofd is gegroeid en ze daarom hebben besloten het in zijn geheel te verkopen om ergens anders opnieuw te beginnen. We fantaseren dat we het opkopen om het dan met een enorme sloopkogel met de grond gelijk te kunnen maken.

Net als we overwegen om het huis te verkopen, verandert de situatie onverwachts. In maart zorgt de coronacrisis ervoor dat in Frankrijk een strenge quarantaine wordt ingevoerd. Even daarvoor zijn we aangekomen in ons Hans-en-Grietje-huisje, zodat Ik er aan mijn debuutroman kan werken.

De afstand die we tot onze buren hebben genomen, krijgt om een hele andere reden een officiële naam: social distancing. Het voelt daardoor ineens niet meer ongemakkelijk om hen uit de weg te gaan, maar als een noodzaak om ons steentje bij te dragen aan het tegengaan van de pandemie.

De Franse economie is door de crisis in een recessie terecht gekomen en Le Monde meldt dat de bouw een van de hardst getroffen sectoren is omdat driekwart van de bouwwerkzaamheden stil is komen te liggen. Bij de buren blijven alle bestelde bouwmaterialen voor hun ‘garage’ onaangeroerd. Er zijn ook geen bromberen meer die doorgaan met het verder om zeep helpen van al wat wij mooi vinden.

Het virus en het gevoel van de naderende apocalyps zorgen er ook voor dat we onze zegeningen zijn gaan tellen. Het is hier toch maar goed toeven: verse groenten uit de tuin, nog altijd een prachtig uitzicht over de vallei in de achtertuin, rust en weinig mensen in de buurt waardoor het risico op besmetting kleiner is dan in een grote drukke stad. Niets blijkt voor altijd, maar deze elementen lijken behoorlijk eindeloos.

We klaren weer wat op. Natuurlijk begrijpen we dat zodra de bouw weer begint, de irritatie toe zal nemen, maar we beginnen ook plannen te maken om, als de buren eenmaal klaar zijn, onze tuin zo in te gaan richten dat we hen en hun muur niet meer hoeven te zien, om hun priemende blik weg te werken.

Er liggen een aantal groentebedden tegen de muur aan. We besluiten die maar eens te gaan wieden en trekken het onkruid weg dat tussen de eeuwige moes en de spitskolen is opgekomen. We vegen het cement van de bladeren van de romanesco en verdeelden nieuwe compost over de bedden om ondertussen te bedenken wat we hier eens gaan zaaien.

Maar als ik de weg oploop om onze geleegde vuilnisbakken op te halen, komt de buurman op een drafje naar me toe. ‘De muur’, zegt hij wat stuntelig terwijl ik duidelijk wil maken dat we anderhalve meter afstand moeten houden. ‘De muur moet afgewerkt worden. Er moet een machine in jullie moestuin komen en daarvoor hebben we anderhalve meter direct voor de muur nodig.’ Wanneer dat gaat gebeuren weet hij niet, maar het is maar beter dat we dat gedeelte van de tuin niet in gebruik nemen zodat zij er altijd bij kunnen komen.

Dit gaat over de plek waar de romanesco’s staan, daar waar we net de compost hebben neergelegd. Om de buren hun muur te gunnen, moeten we nu voor onbepaalde tijd een flink stuk van onze moestuin opofferen.

In een laatste poging nog enige vorm van overleg en communicatie in dit hele proces aan te brengen, stellen we een brief op met het verzoek om ons voortaan in hun plannen te betrekken. We beloven de moestuin voor hen vrij te maken, maar wel op een moment dat voor óns gunstig uitkomt.

We doen de brief bij hen in de bus. Het voelt alsof we de macht hebben teruggenomen, omdat we inmiddels hebben geleerd dat we in een situatie die wij ‘harmonieus’ noemen, onze grenzen letterlijk en figuurlijk niet goed bewaken. Dat we nu begrijpen dat je ook naast elkaar kunt leven, in plaats van met elkaar. Dat een vrede niet altijd lief hoeft te zijn.

Op de brief hebben we nooit antwoord gekregen.