Waarom mensen alleen op wereldreis gaan

Solo de wereld in trekken, volgens sommigen is het een trend, voor anderen een regelrechte nachtmerrie. Je hoeft niet aan zelfverdediging te hebben gedaan, maar moet wel een beetje zelfredzaam zijn. En af en toe glimlachen helpt.
©Sofie Goossens

Als er vroeger iemand naast me kwam zitten – op een perron, op een bank – en die zocht oogcontact, zuchtte iets te luid tijdens het neerzakken of lachte breed, dacht ik: o jee, weer zo iemand die een praatje wil maken. En ja, het duurde dan geen twee minuten voor de persoon in kwestie een gesprek probeerde aan te knopen. Zelf ben ik zo niet. Ik laat mensen in bushokjes met rust. In een lift begin ik niet over het weer. En in een kledingwinkel vraag ik geen advies aan een verkoper. Introvert, noemt men dat. En verlegen.

Je zou dus denken dat ik er eerder tegen opzie om in m’n eentje op reis te gaan. Want, tja, de kans dat er mensen iets tegen je gaan zeggen –in een bushok zeg maar, en daarna gezellig in de bus – is dan vrij groot.

Die eerste grote reis ligt intussen zestien jaar achter me. De bestemming was Costa Rica, waar ik drie maanden zou blijven. Mijn moeder wilde liever dat ik thuisbleef. Zelf overwoog ik die ochtend tijdens het tandenpoetsen nog of ik alles zou afblazen, maar met een loodzwaar gevoel in m’n buik ging ik toch. Tot Miami ging het goed. Daar was een grote staking aan de gang op de luchthaven en ik zat er een dag en een nacht tussen veel lawaai en slapende mensen op de vloer. Ik wilde bellen naar mijn gastgezin in Costa Rica, om te zeggen dat ik later was. Omdat ik nog geen iPhone had, moest het met een ouderwetse telefoon aan de muur. ‘Hola?’ ‘Sofia.’ ‘Un problema.’ ‘Hola?’ Daar waren ze: de eerste tranen.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

©Sofie Goossens

Ze begrepen me niet, daar in Costa Rica. En de wanhoop ontvouwde zich verder in mij toen bij aankomst in Midden-Amerika bleek dat mijn rugzak in Madrid stond. Ik denk dat iemand me toen uit medelijden in een taxi heeft gestopt en naar een hostel heeft gevoerd. Even later zat ik op een stapelbed, 9000 kilometer van huis, met naast mij een zakje met een witte onderbroek en een tandenborstel. Op het andere stapelbed zat een meisje, naar wie ik iets te breed lachte. Van toen af ging het beter.

Verlangen naar contact

Eigenlijk gebeurde er zelfs iets geks, daar in Costa Rica. Ik vond het al die tijd leuk als wildvreemden me aanklampten. Behalve als ze stoned of dronken of gewoon irritant waren, dan niet. Maar doorgaans wel. Anders dan thuis was er altijd een verlangen om met anderen contact te maken. De luiken gingen open. Sneed ik een wortel in het keukentje van een hostel, dan hoopte ik dat iemand vroeg wat ik van plan was. Zat ik in een restaurant en kwam iemand aangeschuifeld met ‘Do you mind if I join you?’ dacht ik: eindelijk! Ik heb gedurende die drie maanden heel wat geheimen, bedden en bordjes gebakken bananen gedeeld, met een hele rij mensen.

En ik heb ze nooit meer teruggezien. Ze verdwenen zomaar uit mijn leven, na een laatste zwaai vanuit de bus. Hun achteromkijkende hoofd werd een vlek, de bus een stip en uiteindelijk verdween iedereen voorgoed uit zicht. Tot nooit meer, en aju. Dat kan snel gaan.

Zo ontmoette ik eens een Belgisch koppeltje in Laos. We waren blij bij elkaar te zijn, want we zaten in een bootje op de Mekong dat tegen een rots was gevaren en nu een probleem had. De schipper vond gelukkig een zandbank waarop we konden stranden, trok zijn broek uit, ging het water in, zocht een grote steen en klopte het scheve roer weer recht. Zijn wollen muts hield hij op. Intussen deelden het koppeltje en ik Laotiaanse croissants, water en handdoeken om ons hoofd te beschermen tegen de zon. En staken we onze armen juichend in de lucht toen onze kano anderhalf uur later eindelijk weer kon varen. Tegen het duister werden we op een modderige oever vol rattenholen gedropt en moesten we daar een hostel zoeken. Met z’n drieën drentelden we met beladen, vermoeide ruggen door het intussen donkere dorpje. Het viel me ineens op dat die andere twee wel erg lange benen hadden. En ik niet. Ik moest twee passen zetten als zij er één zetten. Mijn backpack was ook te groot en mijn sandalen waren nat en glibberig. Op zeker moment sloeg ik zonder woorden een zijweg in. En zij hadden niet meer achterom gekeken. Tot nooit meer en aju dus. Toch hadden we een leuke dag gehad, maar uiteindelijk bleek ik te korte benen te hebben.

Op zoek

“Ben je nooit bang, zo alleen?” vragen mensen soms. Ja, dat heb ik. De hele rit naar het vliegveld zit ik al te denken: waarom doe ik dit eigenlijk? Maar grofweg kun je stellen dat veel soloreizigers op zoek zijn naar iets. De 70-jarige vrouw naast mij op het strand in Negril zocht een groot geschapen Jamaicaan, bijvoorbeeld. Maar het kan natuurlijk nog net iets dieper gaan. We zoeken schoonheid. Vrijheid. Avontuur. De zin van het leven. Of simpelweg onszelf. Een beetje bang zijn, hoort daarbij.

©Sofie Goossens

Zo werd ik in Jamaica eens thuis uitgenodigd bij twee jongens met wie ik bevriend was geraakt tijdens mijn verblijf in Negril – ja, waar oudere vrouwen op zoek gaan naar vertier. Ze wilden het nationale gerecht voor mij klaarmaken: ackee en saltfish. Omdat ik vertrouwen wilde hebben in de mensheid, stemde ik toe. Zodoende ging ik mee naar hun schamele huisje. Ik mocht in de beste sofa gaan zitten, er werd een ventilator op mij gericht en een geurspiraal tegen de muggen aan mijn voeten geplaatst. ‘Wait here, sister’, klonk het. Zij zouden nog even om de vis fietsen. Toen zat ik daar alleen, in dat huis, in Jamaica. Terwijl ik de boel wat bekeek, zag ik plots een roestige machete achter de deur hangen. Natuurlijk, hoe onnozel kon ik zijn! Straks zouden die terugkomen, mij verkrachten en met de machete in stukken hakken en van de kliffen van Negril dumpen. In blinde paniek holde ik het huis uit. Maar daar kwamen de jongens al aangefietst, met hun zakje vis. Ze troonden me weer mee naar binnen, er werd braaf gekookt en we aten geweldig. De machete bleef onaangeroerd.

Van alle plekken in de wereld voelde ik mij grappig genoeg het zieligst in Sevilla. Het is een mooie stad, dat wel. Je zult er niet op een zandbank stranden met een scheef roer of angst hebben voor roestige machetes. Maar de boulevards liepen er vol verliefden, op elk terras werd er samen aan rietjes gezogen. Zulke plekken zijn niet echt leuk voor soloreizigers. En denk niet dat er zomaar een knappe Spanjaard naast je komt lopen, die jou meeneemt achter op zijn fiets, haren in de wind. Voor dat gebeurt, zullen er eerst vijf Spanjaarden passeren met een slecht gebit, wier haren in je gezicht waaien op de brommer, terwijl je helm scheef op je hoofd hangt, omdat je dat riempje niet dichtkrijgt. Laat steden als Sevilla dus voor wat ze zijn. Kies een bestemming met een sociale, avontuurlijke vibe.

©Sofie Goossens

Er is een omstandigheid waarin je het haat om alleen te zijn. Dat is als je ziek wordt. Als je diarree hebt, en er niemand is die een extra rol toiletpapier kan halen. Maar verder valt het echt wel mee. En die meereizende vrienden of vriendinnen hebben ook zo hun nadelen: op een bepaald moment beginnen ze te jammeren over hun ex of gaan het nieuws van thuis checken. Dan denk ik: volgende keer ga ik weer alleen.

Lees ook:

Reisreportages vanuit bijzondere bestemmingen, boeiende steden en verre streken, met reistips. U vindt ze op trouw.nl/reizen of op deze kaart.