Waarom de confrontatie van botsende waarden nodig is

Wanneer heeft iemand ooit het woord ‘salafisme’ in een krantenkop gezien en het artikel vervolgens met monter gemoed gelezen? Of een gezellig koffieautomaatgesprekje gevoerd over de laatste trends uit de salafisten­wereld?

Voor de gewone Nederlander is salafisme geen sexy onderwerp. En het is bovendien omgeven door mist omdat zelden helder wordt wat de precieze definitie is, hoeveel mensen het belijden en wat de impact van deze geloofsstroming is op de samenleving – ondanks de trits onderzoeken in het afgelopen decennium.

Gelukkig was daar vorige week de publicatie van een handige inventarisatie van vijftien jaar salafisme-onderzoek, opgesteld door het Verwey-Jonker Instituut en de Universiteit Leiden, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken. Voor de sociale wetenschap is salafisme kennelijk wél interessant, getuige de tientallen rapporten sinds 2004.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

De inventarisatie van vijftien jaar salafisme-onderzoek. ©nadia ezzeroili verslaggeverscolumn

De publicatie bracht zelfs echt vrolijk nieuws: ‘Hollandse salafist is geen gewelddadige extremist, maar gematigde poldermoslim’, kopte de Volkskrant over de inventarisatie. De gemiddelde salafist, volgens ‘de laatste wetenschappelijke stand van zaken’ gedefinieerd als een ‘conservatieve of ultraorthodoxe moslim die een puriteinse ­islam nastreeft’, wil namelijk niet per se homo’s van het dak werpen of overspelige vrouwen stenigen. En bommen gooien op de samen­leving? Slechts grootspraak. De soep wordt dus minder heet gegeten, luidde een van de conclusies.

‘Nee, natuurlijk worden in ­Nederland homo’s en overspelige vrouwen niet gestenigd door salafisten’, zegt adviseur Heleen Cousijn van Diversion, een maatschappelijk bureau dat onder meer lessen over gelijkheid biedt aan scholen. ‘Anders zouden ze allemaal in de gevangenis zitten. Mensen stenigen of van een gebouw afgooien is namelijk moord.’

We zitten in een kantoorruimte van Diversion in Amsterdam. In ­reactie op het artikel schreef Heleen, samen met haar collega Kai Pattipilohy een vlammend opiniestuk dat vrijdag in de Volkskrant werd geplaatst. De kern van hun betoog: salafisme perkt de vrijheden in van anderen en verdient geen enkele relativering.

Heleen Cousijn. ©nadia ezzeroili verslaggeverscolumn

Van progressieve jongeren die een bijbaan hebben bij hun organisatie, onder wie veel moslims, horen ze immers vaak dat conservatieve mensen in hun omgeving onverdraagzaam zijn. ‘Jonge homo’s en jonge vrouwen durven daardoor hun seksualiteit niet te ontwikkelen, om maar een voorbeeld te noemen’, zegt Heleen.

Ze wijst op dezelfde inventarisatie van Verwey-Jonker en de Universiteit van Leiden. ‘Daarin staat nota bene dat salafisten een onverdraagzame, intolerante en zelfs intimiderende houding hebben ten aanzien van moslims in hun omgeving. Dat is een heftige conclusie. In jullie krant is dat niet eens benoemd. Waarom springen we daar zo makkelijk overheen?’

En, waarom denk je, vraag ik.

Heleen: ‘Omdat onder progressieve Nederlanders een not in my backyard-mentaliteit heerst. Zolang wij er als niet-moslims geen last van hebben, zoeken ze het allemaal maar uit. Prima, maar dan laat je onder de vlag van tolerantie wel veel mensen in de kou staan.’ Progressieve Nederlanders zijn bovendien terughoudend met kritiek op de conservatieve islam omdat het wordt gezien als een ‘rechtse hobby’, denkt Heleen.

Poster van Diversion. ©nadia ezzeroili verslaggeverscolumn

Toch benadrukt ook zij tijdens het gesprek geregeld dat ze tegen islamofobie is. Is ze misschien zelf ook wat bang om voor islamofoob versleten te worden?

‘Misschien speelt die angst bij mij ook nog ergens,’ geeft Heleen toe. Het opiniestuk hebben zij en haar collega zo zorgvuldig mogelijk proberen op te schrijven, zegt ze. Een kant-en-klare oplossing heeft ze ook niet, wel een aanzet om dit probleem bespreekbaar te maken: ‘We moeten in eerste instantie over het ongemak van confrontatie heen stappen. De confrontatie van botsende waarden.’

Een hartekreet waarmee iedereen met gezond verstand het eens kan zijn. Maar er ontbreekt nog iets aan dit verhaal, bedenk ik me later. Naar mijn persoonlijke ervaring zijn het niet louter conservatieve moslims die een onverdraagzame en intimiderende houding aannemen ten opzichte van progressieve moslims, homo’s en vrouwen. Ik ken biddende moslims en conservatief ogende (hoofddoekdragende) vrouwen die pal voor de vrijheden van anderen staan. En ik ken niet-praktiserende, succesvolle posterkids van de integratie die midden in de samenleving functioneren, maar tóch hun homoseksuele broertje afwijzen.

Hier is dus iets meer aan de hand dat het onderzoeken waard is. De vraag is alleen of dit onderwerp voor de sociale wetenschap net zo sexy is als het salafisme.