Twee Dutchbatveteranen kijken terug op de val van Srebrenica: ‘In jouw beleving was het nog erger’

Twee Dutchbatveteranen – en vriendinnen – kijken terug op de val van Srebenica. Door toeval beleefde de één het drama van dichtbij, de ander van een afstand. ‘In jouw beleving was het nog erger.’
©Marie Wanders

Als Liesbeth Beukeboom-de Jong (45) en Alice Schutte (45) elkaar in 1994 in Ossendrecht ontmoeten, is het direct raak. “We waren meteen vrienden, we hadden enorme lol,” zegt Schutte. In Ossendrecht worden ze klaargestoomd voor hun uitzending naar Srebrenica. Ze leren ook over de verschillen tussen de etnische groepen in Bosnië en de achtergronden van de oorlog.

Beukeboom-de Jong en Schutte zitten al een tijdje bij ­defensie als hun de kans wordt geboden mee te gaan op de missie naar Bosnië. Ze zijn meteen enthousiast. “Voor mij speelde echt het avontuur, dat stond op nummer één,” zegt Beukeboom-de Jong. “Mijn ouders vonden het helemaal niet leuk,” herinnert Schutte zich. “Dan zei ik: maar ik ga op vredesmissie! We zijn blauwhelmen, we kiezen geen partij, we hoeven niet te vechten! Ik was daar toen echt van overtuigd.”

In januari 1995 is het zover: Dutchbat 3, zoals het bataljon wordt genoemd, vertrekt naar Srebrenica.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

‘Tweede familie’

Het gebied waar Schutte en Beukeboom-de Jong naartoe worden gestuurd, ligt in Oost-Bosnië, in de enclave Srebrenica, door de Verenigde Naties bestempeld als ‘veilig ­gebied’. Er wonen op dat moment 40.000 vluchtelingen, terwijl de stad gebouwd is voor zo’n 5000 mensen. Het zijn bijna allemaal Bosnische moslims die door het Bosnisch-Servische leger uit de rest van Bosnië zijn verjaagd. In ­Srebrenica komen ze bij elkaar en hopen ze veilig te zijn.

Schutte en Beukeboom-de Jong zijn allebei vracht­wagenchauffeur. Met een viertonner rijden ze door de ­enclave. Soms brengen ze meel naar de bakker, op andere dagen halen ze vrouwen en mannen van de lokale bevolking op die op de militaire basis werken. En af en toe ­hebben ze ‘dixiedienst’. “Dan reed je met de vrachtwagen naar de dixies en zoog je die met een lange slang leeg.”

De sfeer is goed op de compound, zoals de Dutchbatters hun basis noemen. Ongeveer zeshonderd jonge militairen lopen er rond, van wie negentien vrouw. Het schept een bepaalde sfeer, zegt Beukeboom-de Jong. Er wordt geflirt en er ontstaan relaties. “Er wordt soms gek opgekeken van wat er allemaal gebeurt bij defensie, maar sluit personeel een paar dagen op in hun kantoorpand en er gebeurt hetzelfde.”

Onderling is de kameraadschap groot. Het bataljon is ­verdeeld in pelotons, kleinere eenheden, die Schutte en Beukeboom-de Jong beschrijven als een ‘tweede familie’. Schutte: “Je deelde alles. Verhalen uit je jeugd, waar je je zorgen om maakte, maar ook je eten.”

Verzwakt

Vanaf april 1995 verslechtert de situatie in de enclave. De Serviërs, die het gebied omsingelen, houden voedselkonvooien tegen, waardoor de Dutchbatters wekenlang op noodrantsoenen leven. “Vooral de Franse noodrantsoenen waren vies,” vertelt Beukeboom-de Jong, al realiseert ze zich dat de ­situatie van de vluchtelingen in de enclave veel erger was. “Het was een soort drab waar een wortel en drie doperwten in dreven, en zo’n witte worst.” Benzine komt nauwelijks ­binnen, reden waarom alle voorzieningen op de basis worden teruggeschroefd: geen televisie meer, en alleen koud douchen.

Ook post komt maar sporadisch binnen, waardoor de soldaten steeds minder contact kunnen hebben met thuis. De Serven hebben het gebied onder controle. Dat blijkt ook als soldaten die met verlof gaan, niet meer terug mogen keren in het gebied. Het bataljon dat in Srebrenica zit wordt op deze manier verzwakt.

Vanaf begin juli beginnen de beschietingen, de stad wordt steeds vaker aangevallen en de soldaten moeten zich in de bunker schuilhouden. Het wordt langzaam duidelijk dat de Serven de enclave willen innemen.

In juli 1995 zou de groep soldaten waar Schutte en Beukeboom-de Jong deel van uitmaken, worden afgelost door een nieuwe groep: Dutchbat 4. Een deel daarvan zal begin juli al aankomen in Zagreb, en een paar vrachtwagenchauffeurs moeten hen gaan ophalen. Schutte en Beukeboom-de Jong worden samen ingedeeld op een van de vrachtwagens, zodat ze elkaar tijdens het rijden kunnen afwisselen. “Wij dachten: leuk, samen op de vrachtwagen en even lekker eruit.”

Dutchbatters Liesbeth Beukeboom-de Jong (links) en Alice Schutte: beiden vrachtwagen­chauffeur in Bosnië. ©Marie Wanders

Maar op het laatste moment wordt besloten dat elke vrachtwagen maar één chauffeur krijgt. Het risico is te groot dat de Serven uiteindelijk niet iedereen terug het gebied in zullen laten. Voor Schutte en Beukeboom-de Jong een dilemma: wie gaat? Schutte: “Ik weet nog goed dat jij zei: ‘Rijd jij maar, meissie.’ Jij had ook een vriendje inmiddels, dus je vond het ook wel best om op de compound te blijven.” En zo wordt besloten dat Beukeboom-de Jong in Srebrenica blijft, en Schutte met de vrachtwagen naar Zagreb rijdt.

Terwijl Schutte op weg is om de nieuwe militairen op te halen, escaleert de situatie in Srebrenica. De Servische troepen komen steeds ­dichterbij en op 11 juli 1995 valt de stad in handen van de Bosnische Serviërs. De inwoners van het stadje vluchten naar de compound van de Nederlandse militairen, waar er vijfduizend kunnen worden opgevangen.

Beukeboom-de Jong is daar. Zo goed als ze kan zorgt ze voor hen. De vluchtelingen op de compound zijn opgejaagd en bang, en het is totale ­chaos. “Vrouwen bevielen spontaan, of kregen miskramen, mensen waren beschoten, ze waren aan het schreeuwen. Er is zelfs een suïcide gepleegd en er gingen mensen dood.”

Schutte wordt naar een hotel in Belgrado overgebracht, waar ze moet wachten tot ze Srebrenica weer in mag. Hier krijgt ze nauwelijks mee wat er aan de hand is, op de Ser­vische televisie wordt er niet bericht over de situatie in Srebrenica. Alleen als ze met haar ouders belt, krijgt ze te horen wat er allemaal gebeurt. “Heel surrealistisch, je wist gewoon niet wat zich daar afspeelde.”

Alles is ineens anders

Op 13 juli mogen Schutte en de andere militairen het gebied weer in. “Het was alsof ik met mijn ogen ­geknipperd had en alles ineens veranderd was. Alles zag er volledig anders uit. Huizen waren kapot, overal langs de weg lagen spullen. Kleding, huisraad, kinderschoentjes, speelgoed. Ik dacht: wat is hier gebeurd?”

De collega’s die ze een paar dagen eerder hebben achtergelaten, zijn er nog, maar ze zijn nauwelijks aanspreekbaar. Schutte: “Ik dacht dat we verwelkomd zouden worden, en dat mensen blij zouden zijn dat we terug waren. Maar er was niemand. Ik weet nog dat ik naar jou liep en zei: hé Lies, ik ben er weer, wat is er allemaal gebeurd? En jij zei: daar wil ik nu niet over praten. Iedereen liep daar rond als een zombie. Niemand vertelde ons iets. Dat kon ook niet, want iedereen was helemaal murw.”

“Ze wilden van alles weten,” zegt Beukeboom-de Jong. “Maar we konden gewoon niet uitleggen wat er was ­gebeurd, we hadden er ook de kracht niet voor. En we konden ons niet in hen verplaatsen. Jullie hebben een week in een hotel gezeten, hoe chill, dachten wij.” Schutte: “En wij hadden zoiets van: we hadden nooit terug moeten komen, ineens waren we een aparte groep.” De kameraadschap van voor de val lijkt ineens verdwenen. “Het heeft een hele tijd geduurd voor we weer één waren.”

Nooit uitgepraat

De terugkomst in Nederland was eerst heel warm. “De hele straat was versierd, voor mij,” vertelt Schutte. Maar al gauw kwam er kritiek op het optreden van Dutchbat. “Mensen op straat spraken me aan: ‘Heb je veel lijken gezien?’, ze waren op zoek naar sensatie.” Een paar weken later opent Schutte de lokale krant: ‘Dutchbat moordenaars’ staat er in chocoladeletters. “Ik werd zo kwaad. Moordenaars? Hoe komen ze daar nou bij? Wij konden niets doen.”

Op verjaardagen lijkt iedereen een mening te hebben: ze hadden meer moeten doen, ze hadden meer mensen moeten beschermen, ze hadden moeten schieten op het Bosnisch-Servische leger. “Maar wij mochten niet schieten, dat was onze taak niet. En uiteindelijk hou je je mond, je wil niet constant de confrontatie aangaan met iedereen, want je doet het toch nooit goed.”

In de zonnige Amsterdamse binnentuin van Schutte is er 25 jaar laterniets meer van die afstand te merken. De twee vrouwen zijn nog altijd goede vriendinnen. Beukeboom-de Jong: “Altijd als we bij elkaar zijn, gaat het erover. Je zou denken dat je een keer uitgepraat raakt, maar nooit.”

Na de val laat Beukeboom-de Jong Schutte haar dagboek van die dagen in juli lezen. Door alle beelden en informatie voelt het voor Schutte soms alsof ze erbij was. Beukeboom-de Jong: “In jouw beleving was het nog erger.” Schutte: “Mijn moeder zei altijd: ‘Wees blij, je bent de dans ontsprongen.’ En dan zei ik: ‘Maar mama, ik had de dans niet willen ontspringen, ik had mee willen dansen.” Juist door het kameraadschap had Schutte de val willen meemaken, hoe vreselijk het ook voor haar collega’s was. Achteraf invullen wat er gebeurd was en haar collega’s stil en met lege ogen aantreffen, was misschien nog wel erger. Beukeboom-de Jong begrijpt dat wel: “Het is lastig uit te leggen, maar wat we toen hebben meegemaakt heeft mij gevormd tot wie ik nu ben.”