Rumoer rond de peilingen: hoeveel invloed hebben ze nu echt op uw stemgedrag?

In de hitte van de verkiezingscampagne is er geen dag meer zonder: opiniepeilingen. Hoe komen ze tot stand, hoe betrouwbaar zijn ze en wat voor effect hebben ze op ons, de kiezers? 
©Hollandse Hoogte / Flip Franssen

De betrouwbaarheid 

De vraag komt steeds opnieuw op, vooral vlak ná verkiezingen: hoe betrouwbaar waren al die peilingen eigenlijk? Het antwoord verschilt nogal. In 2012 zaten de peilers er tussen de 18 en 24 zetels naast, bleek achteraf. Behoorlijk veel, vonden critici, al kwam dit vooral door de nek-aan-nekrace tussen VVD en PvdA. In 2017 gaven ze een redelijk beeld van de werkelijkheid. Toch laat de daadwerkelijke verkiezingsuitslag zich volgens verschillende peilers moeilijk voorspellen. ‘Twee of drie dagen voor de verkiezingen zijn er nog heel veel zwevende kiezers, dus hun uiteindelijke keuzen zijn moeilijk te overzien’, aldus Manuel Kaal van onderzoeksbureau Kantar.

Wie zitten er in de panels?

Peilingbureaus proberen een goede doorsnee van de Nederlandse kiezers te bevragen, zodat het onderzoek zo representatief mogelijk is. ‘Het panel wordt voor allerlei soorten onderzoek gebruikt', zegt Sjoerd van Heck van Ipsos. Dus niet alleen voor politiek onderzoek. Sterker: ‘Men kan zich niet alleen voor ons politieke onderzoek aanmelden', aldus Van Heck. ‘Het zijn mensen die al aan andere onderzoeken hebben meegedaan. We willen niet alleen mensen in ons panel die al politiek geïnteresseerd zijn, want dat geeft een vertekend beeld.’

Ook bij Kantar en I&O Research kun je je niet aanmelden, dat kan alleen bij Maurice de Hond. Kaal van Kantar: ‘We doen daarbij ook aan panelmanagement. We geven personen bijvoorbeeld een vergoeding, zodat er niet alleen mensen deelnemen vanuit een intrinsieke politieke motivatie.’ I&O Research werkt met een spaarprogramma, waarvan de punten kunnen worden ingewisseld voor een tegoedbon, of een donatie aan een goed doel.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

De weging

Het opiniepanel is volgens politicoloog Jean Tillie (Universiteit van Amsterdam) vooral problematisch vanwege de representativiteit. ‘Bureaus doen verwoede pogingen, maar echte representativiteit krijg je alleen bij een willekeurige steekproef, zonder uitval. Als bepaalde groepen niet meedoen of niet worden bereikt, dan trekken peilers het recht met wegingen, maar de vervuiling gaat er uiteindelijk niet uit.’

Die weging wordt door opiniepeiler Maurice de Hond als volgt beschreven: ‘Als in het onderzoek 60 procent van de deelnemers vrouw is en 40 procent man, dan is dat dus fout. Dit hoort ongeveer 50 procent te zijn voor beide geslachten. Door de deelnemende mannen aan het onderzoek zwaarder mee te tellen dan de vrouwen wordt de 60-40 verhouding naar 50-50 gebracht. En een dergelijke procedure kan worden uitgevoerd voor diverse andere kenmerken waarvan de Nederlandse verdeling bekend is (zoals opleidingsniveau).’

©Hollandse Hoogte / Laurens van Putten

‘Stel er zijn te weinig jongeren in een peiling, dan ga je die groep ophogen’, aldus Tillie, ‘Dan zijn er bijvoorbeeld tien jongeren gepeild en die ga ik dan vermenigvuldigen. In dat geval doe ik toch een assumptie.’

Volgens Peter Kanne van I&O Research is er geen sprake van een assumptie, maar zijn de steekproeven en de wegingen daarna simpelweg gebaseerd op harde cijfers van het CBS. En bovendien is het effect niet groot, zegt hij. ‘Het is een ingewikkelde procedure, maar we hoeven eigenlijk maar heel weinig te wegen, omdat we ervoor zorgen dat de bruto-steekproef al heel goed is’, aldus Kanne.

De foutmarges

Terugkerende ergernis onder politicologen: in elk kiezersonderzoek zitten foutmarges, maar daarover wordt in de media weinig bericht. De standaardopzet van een steekproef gaat uit van een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent. Dit betekent dat in 5 procent van de gevallen het onderzoek niet het resultaat oplevert dat overeenkomt met het populatiepercentage.

Belangrijk om daarbij te vermelden is dat peilers niet per se iets verkeerd doen, maar de inschatting van de kiezerssteun simpelweg wat hoger of lager inschatten, schrijft politicoloog Tom Louwerse (Universiteit Leiden) op de website peilingwijzer.nl. Het ontbreken van duiding omtrent de foutmarges is dan ook meer een probleem van de media, die op onverantwoorde manier met de peilingen aan de haal gaan. Ipsos schrijft bijvoorbeeld in de politieke barometer dat zij rekening houden met een marge tussen de 1 en 2,5 zetels. Dit soort verschillen worden echter nog te vaak groot uitgemeten.

Juist om deze reden is de Peilingwijzer in het leven geroepen. ‘De Peilingwijzer is ontstaan vanuit de kritiek op het feit dat peilingen iedere keer net andere uitkomsten hadden. Door met die Peilingwijzer een intelligent gewogen gemiddelde te geven, zie je heel goed wat je wel en niet met die peilingen kan’, zegt Peter Kanne. Dat betekent in de praktijk dat mediaredacties niet moeten berichten over 1 zetel meer of minder, omdat dit feitelijk niks zegt. Kanne stelt vast dat er met name sinds de verkiezingscampagne van 2012 veel contact is geweest tussen peilers, politicologen en media en er sindsdien veel is verbeterd aan beide kanten.

Zo besloten onder andere de NOS, RTL, de Volkskrant en NRC Handelsblad in 2017 om terughoudend te zijn in hun berichtgeving over peilingen. In januari dat jaar vond ‘Peilingoproer’ plaats, waarin peilers, journalisten en wetenschappers met elkaar in gesprek gingen. Tijdens dit symposium werd afgesproken dat journalisten een poging zouden doen om zorgvuldiger te informeren, waar opiniepeilers op hun beurt meer transparantie beloofden. De Peilingwijzer zou hierbij moeten ondersteunen.

Vragen

Toch stellen enkele politicologen ook kritische vragen over de totstandkoming van het onderzoek: zijn de vragen niet te sturend? Dat risico is groot, waarschuwt Jean Tillie: ‘De plek van een vraag is heel belangrijk. Je kunt mensen een kant opsturen met de vragen die je stelt voordat de vraag naar politieke voorkeur aan bod komt.’

In de politieke barometer van Ipsos, bijvoorbeeld, staat dat het bureau nooit vragen stelt over politieke onderwerpen voordat de politieke voorkeursvraag wordt gesteld. Is daarmee het vragen-probleem opgelost? ‘Nee’, zegt Tillie. ‘We zitten in een keuzeproces en pas aan het eind breng je een stem uit. In dit proces twijfelen heel veel mensen tussen verschillende partijen, maar in de peilingen kiezen ze er maar één. Deze ‘weet-nieters’ worden in de zetelpeilingen niet in kaart gebracht, terwijl ze een enorme invloed hebben op de uitslag.’ 

Milan Driessen van I&O Research: ‘Wij vragen naar verschillende voorkeuren van personen en brengen ook in beeld hoeveel mensen het nog niet weten. Dat is echter geen categorie in de uiteindelijke zetelpeilingen die verschijnen op internet, in de krant of op tv.’

Ook Ipsos probeert via een puntensysteem in beeld te brengen hoeveel mensen nog twijfelen. ‘Wij vragen respondenten om 10 punten te verdelen over alle partijen, juist om te benaderen hoe groot de kans is dat men op een partij stemt’, zegt Van Heck. Het blijft echter de vraag in hoeverre de media dit oppakken.

Het Bandwagon-effect

Is, gezien die complicaties, de invloed van peilingen niet groot in een land met zoveel zwevende kiezers? Over deze vraag buigen politicologen zich al jaren. De centrale term daarin: het bandwagon-effect. Dit houdt in dat kiezers de neiging hebben te stemmen op partijen die aan de winnende hand zijn. Politicoloog Tom van der Meer (Universiteit van Amsterdam) zegt dat dit meerdere malen is aangetoond, ook al is het volgens hem geen aanzienlijk effect. ‘En als het kiezers helpt een keuze te maken, is het ook niet per se een slecht effect. Cruciaal is dan wel dat journalisten alleen rapporteren over peilingen wanneer ze zeker weten dat die uitkomsten hard te maken zijn. Dat ging in het verleden wel eens fout: non-nieuws kan dan een selffulfilling prophecy worden.’

Ook politicoloog Joop van Holsteijn (Universiteit Leiden) zegt dat de media en politici een belangrijke beïnvloedende rol hebben: ‘Het hele klimaat rondom campagnes wordt ook ingegeven door wat journalisten en politici denken dat de situatie is en wat eruit gaat komen. Die verwachtingen zijn gebaseerd op de informatie uit peilingen.’

Enkele peilingbureaus benadrukken ook dat peilingen niet per se bepalend zijn voor de verkiezingsuitslag. ‘Peilingen bieden waardevolle informatie waaruit kiezers kunnen opmaken of partijen het goed doen. Ze bieden hoogstens een bijdrage in het informatieproces, maar zijn geenszins leidend in de uiteindelijke keuze’, aldus Manuel Kaal van Kantar.

Ondanks de Peilingwijzer en het verbeterde contact tussen peilers en de media, lukt het de media nog niet altijd om op correcte manier naar de peilingen te verwijzen. Politicoloog Martin Rosema (Universiteit Twente) noemt het haast gênant hoe zowel media als politici hiermee omgaan. ‘Peilingen leiden te vaak tot een soort hijgerigheid onder journalisten.’ Hij verwijst naar een aflevering van Buitenhof op 14 februari 2021, waarin presentator Twan Huys in een gesprek met SP-leider Lilian Marijnissen wel erg veel nadruk legde op de peilingen. ‘Het is niet relevant. Je hebt de tijd om inhoudelijke vragen te stellen, dus doe dat ook’, aldus Rosema. Volgens hem stemmen politici ook hun koers af op de tussenstanden. ‘Het inhoudelijke debat krijgt daardoor minder ruimte.’

Zowel journalisten als politici zelf spelen volgens de politicologen in op kleine stijgingen of dalingen in de peilingen. ‘Het risico blijft dat we terugvallen op het beeld van een horse race, waarin het de vraag is wie de grootste wordt’, aldus Tom van der Meer. Psycholoog Willem van der Does (Universiteit Leiden) wijst op de situatie in 2012, toen Mark Rutte en Diederik Samsom in de peilingen verzeild raakten in een strijd om het premierschap. ‘Als dat gebeurt, wordt die strijd zo groot uitgemeten dat die twee de andere partijen leegtrekken. Dan wordt een peiling een selffulfilling prophecy.’

Van Holsteijn denkt dat het eerder andersom is, een selfdenying prophecy. ‘Kiezers veranderen hun stem, omdat ze zien dat de peilingen een bepaalde kant op gaan. Dat doen ze juist omdat ze die informatie serieus nemen.’ Dit ziet van der Does ook gebeuren: ‘Als kiezers vinden dat een partij te groot wordt, stemmen ze op iets anders, om de balans te behouden.’

De strategische stem

Maar als kiezers door informatie uit de peilingen opeens anders gaan stemmen, zorgen peilingen dan niet voor een toename in strategische stemmers? Politicoloog Tom van der Meer meent dat een zetelpeiling nuttige informatie is voor de kiezer die op basis daarvan een goed geïnformeerde (strategische) keuze kan maken. De kiezer weet hoe de verhoudingen liggen en kan op basis daarvan besluiten om op partij A in plaats van partij B te stemmen.

Daarmee hebben de peilingen een niet te onderschatten invloed. Althans op de vele zwevende kiezers die uiteindelijk vaak strategisch stemmen. Maar dat effect is ook weer niet onbeperkt, benadrukt Jean Tillie. Mensen stappen niet over van linkse naar rechtse partijen of andersom. Hij benadrukt de gevoelswaarde van een stem. ‘De keuze ligt vaak al grotendeels vast. Als mensen een kieswijzer invullen en de uitslag hen niet bevalt, vullen ze ‘m vaak nog een keer in, zodat de uitslag overeenkomt met hun voorkeur.’