Overspringende virussen: moeten we radicaal anders met dieren omgaan?

Opnieuw was een dier de bron van een virusuitbraak onder mensen. Willen we een volgende epidemie voorkomen, dan zullen we de omgang met dieren drastisch moeten veranderen, zeggen wetenschappers.  
Mest van geiten bleek in 2004 de bron voor een golf van Q-koorts. ©VKFOTO

Je zou die Chinese hoefijzervleermuis, hoofdverdachte in het coronaproces, wel kunnen schieten natuurlijk. Maar het diertje wast zijn pootjes in onschuld: hij was slechts ‘container’ (drager) van diverse virussen die verdacht veel lijken op het inmiddels beruchte coronavirus. Zelf wordt de vleermuis daar niet ziek van.

Waarschijnlijk was een ander dier, een ‘tussengastheer’, betrokken bij de virusoverdracht van dier op mens. Verdenkingen gaan naar de pangolin, een met schubben bedekte miereneter die in China wordt gedood voor voedsel en medicijnen. Wellicht werd die verhandeld op een markt voor vis en wilde dieren in de stad Wuhan, in de Chinese provincie Hubei. Een andere mogelijkheid is de witsnorpalmroller (wie kent hem niet?), een civetkatachtige die in 2003 ook al opdook in de sars-epidemie.

Het zijn voorbeelden van zogeheten ‘zoönosen’, ziekten die door besmetting via dieren op de mens kunnen overspringen. Daar zijn er veel van. ‘Wereldwijd zijn er 150 ziekten die als zoönose worden gezien’, stelt een rapport van de Wageningen Universiteit. 13 daarvan zijn verantwoordelijk voor 2,2 miljoen doden. Tot die ziekten horen onder meer vogel- en varkensgriep, rundertuberculose, hondsdolheid, Q-koorts en hepatitis E.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Niet het eerste

Het nieuwe coronavirus was zelfs niet het eerste coronavirus dat oversprong van dier naar mens. Dat legt viroloog Raoul de Groot van de Universiteit Utrecht uit in een leerzaam en openbaar ‘pop-upcollege’. Er waren volgens hem nu vier andere coronavirussen rond, elk afkomstig van dieren. Ze bezorgen de mens met enige regelmaat een verkoudheid.

Covid-19 is, zo vertelt hij, ‘een ongeluk dat stond te gebeuren.’ Na de sars-uitbraak in 2003 wees onderzoek uit dat bepaalde vleermuizen (er bestaan meer dan duizend soorten) in Zuidoost-Azië, virussen dragen die erg lijken op het originele sars-virus. De Groot in zijn college: ‘We wisten dus dat daar een hotspot was. Chinese onderzoekers beschrijven dat ook in artikelen uit maart 2019. En toch slagen we er als mensheid niet in daar adequaat op te reageren.’

Ziedaar het gevaar in een notendop.

Het RIVM noemt op zijn site 33 zoönosen die in Nederland voorkomen. Van anaplasmose (een bacteriële ziekte die wordt overgebracht via teken en die kan leiden tot griepachtige verschijnselen met koorts, hoofdpijn, spierpijn, gewrichtspijn en vermoeidheid) tot vlekziekte (een bacteriële besmetting door diercontact met de huid, waardoor wondjes kunnen opzwellen en een blauwrode kleur krijgen). Niet al die ziekten zijn ernstig of gevaarlijk. Maar sommige zijn levensbedreigend en bij onvoldoende behandeling dodelijk, zoals rundertuberculose.

Er bestaan in Nederland veel meer zoönosen, zegt Els Broens, veterinair microbioloog aan de Universiteit Utrecht, al is het lastig te zeggen hoeveel precies. ‘Mensen die hun hond aan een wondje laten likken, omdat ze geloven in het fabeltje dat dat genezend zou werken, kunnen een infectie krijgen. Dat noemen we ook een zoönose, maar die zal zich niet verspreiden.’

Dieren vormen ‘per definitie een risico’, zegt Broens. En van dieren hebben we er nogal wat.

Allereerst is er natuurlijk de (intensieve) veehouderij. Daarnaast houdt ruim de helft van de Nederlandse huishoudens één of meerdere huisdieren. Volgens onderzoek uit 2018 (RIVM – ‘Staat van zoönosen 2018’) herbergt Nederland 33,4 miljoen gezelschapsdieren. Dit zijn ongeveer 2,6 miljoen katten, 1,5 miljoen honden, 3,9 miljoen zang- en siervogels, 5 miljoen postduiven, 1,2 miljoen konijnen, 0,5 miljoen knaagdieren, 0,65 miljoen reptielen, 9 miljoen aquariumvissen en 9 miljoen vijvervissen.

Wellicht was een miereneter verkocht op een markt voor vis en wilde dieren in Wuhan de bron voor de coronabesmetting. ©AFP or licensors

Huisdieren

Bello en Flappie zijn natuurlijk lieverds, maar ze kunnen ook ziekten verspreiden. Dat kan tot problemen leiden, omdat, zo zegt Broens, de medische wetenschap steeds meer mensen met een slecht immuunsysteem in leven weet te houden. Daarin schuilt een risico, zeker voor wie zijn kat of hond gezellig mee naar bed neemt, zoals velen doen. ‘Het huisdier is een bron van veel bacteriën. Maar dat is de menselijke huisgenoot ook’. Aan beiden zit natuurlijk ook een sociaal aspect, en veel van de mogelijke ziekten zijn niet gevaarlijk, relativeert ze.

Nemen zoönosen toe in aantal? Dat is een lastige vraag. Wetenschappers twijfelen: het lijkt er wel op, maar de vraag is of dat niet komt doordat de wetenschap zoveel beter is geworden in het signaleren ervan.

Hoe dan ook: volgens diverse schattingen, onder meer van de Wageningen Universiteit, was de afgelopen tien jaar zo’n 60 tot 75 procent van nieuwe ziekten afkomstig van dieren. Zo gek is dat niet, zegt Thijs Kuiken, dierenarts en patholoog verbonden aan de afdeling Viroscience van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. ‘Waar moeten opkomende virussen anders vandaan komen dan van dieren?’

Die nuchtere feiten nopen, in het hart van deze coronacrisis, wel tot de vraag: moeten wij mensen onze omgang met dieren niet drastisch herzien en veranderen?

Het antwoord is soms eenvoudig. Dat aan die bizarre Chinese dierenmarkten direct een einde moet komen, betwijfelt niemand. Ook de Chinese overheid niet: die heeft ze verboden verklaard. Maar zelfs het totalitaire systeem van dat land weet niet te verhinderen dat de markten illegaal worden gehouden. Veel wilde dieren worden er – levend en ter plekke geslacht in de open lucht – verhandeld, vanwege vermeende medicinale eigenschappen of om de cultureel verankerde traditie van consumptie. Een recept voor uitbraak van ziekten, eens in de zoveel tijd.

Dat is China. Hoe zit het hier?

Patholoog Thijs Kuiken is ervan overtuigd dat zoönosen in frequentie en omvang zullen toenemen, en dat ze de mens dwingen anders met dieren en dierhouderij om te gaan. Hij aarzelt de woorden in de mond te nemen, maar toch: ‘In plaats van antropocentrisch moeten we meer ecocentrisch gaan denken’. Met andere woorden: de mens moet z’n plaats kennen in de natuur en het ecosysteem. ‘Ik ben bèta-wetenschapper, ik voel me hier wat ongemakkelijk bij, maar ik zie dat de praktische oplossingen van de bèta-wetenschappen niet toereikend zijn. We kunnen als onderzoekers een vaccin tegen een virus maken, we kunnen bij sommige zoönosen tijdelijk het vervoeren van dieren aan banden leggen. Maar als we onze houding niet fundamenteel veranderen, zal telkens een nieuw probleem blijven opdoemen.’

Dierenmarkten sluiten

Om bij China te blijven: ‘Natuurlijk zouden die dierenmarkten onmiddellijk moeten sluiten. Maar voor veel uitbraken van zoönosen geldt dat de directe bestrijding uit lapmiddelen bestaat en voorbijgaat aan onderliggende oorzaken: de toename van de humane populatie, verandering van ons gedrag en consumptiepatroon.’

In dit verband wijzen de hier geraadpleegde wetenschappers ook op het toegenomen toerisme en de (trofee)jacht in exotische oorden. Meer in het algemeen: de globalisering van economische activiteiten. Met alle risico’s van dien. Kuiken: ‘Door het vele reizen en het enorme handelsverkeer komen ziekten die vroeger lokaal zouden zijn gebleven nu wereldwijd voor. Covid-19 is daar een krachtig voorbeeld van. Wuhan is de ‘werkplaats van de wereld’, een tot voor kort tamelijk onbekende hub voor vliegverkeer. Als we niet zoveel reisden, zouden we de verspreiding van die ziekte hebben kunnen voorkomen.’

De oplossing schuilt volgens de patholoog onder meer in ‘minder vlees eten, maar ook bedenken in hoeverre we zo nodig bepaalde wilde diersoorten willen houden thuis.’ Kuiken wijst op de zogeheten monkeypox, een soort pokken die bij bepaalde apen in Afrikaanse regenwouden voorkomt na contact met knaagdiersoorten. Een van die knaagdieren, de gambiahamsterrat, werd in 2003 geëxporteerd naar een handelaar in exotische dieren in de VS. Daar kregen kinderen die de knaagdieren als huisdier hielden het virus dat monkeypox veroorzaakt. 71 mensen raakten besmet. ‘Dat is niet uit de hand gelopen, maar dat had gekund.’

Kuiken doet veel onderzoek naar aviaire influenza, oftewel de vogelgriep. ‘Dat is geen infectie die van nature bij pluimvee als kippen of kalkoenen hoort, wel bij wilde watervogels als eenden en meeuwen, die er niet ziek van worden. Het virus springt makkelijk over tussen pluimvee en de wilde vogels, die het intercontinentaal verspreiden. In de laatste vijftig jaar is de wereldpopulatie van pluimvee vervijfvoudigd. Momenteel is de infectie endemisch in onder meer Egypte, China en Indonesië. Daar komt de vogelgriep al jaren voor.’

Van varkensgriep kunnen varianten ontstaan die overdraagbaar zijn op de mens. ©ANP

Virale oorlog

Zo woedt de virale oorlog permanent om ons heen, volgens Kuiken. ‘Pokken is wereldwijd in 1977 uitgeroeid, wie ouder is dan 45 is er nog tegen ingeënt. Jongeren niet meer. Dus is een groot deel van de bevolking nu weer bevattelijk voor pokkenvirussen. Voor een besmetting is niet zo gek veel nodig.’

Het hete hangijzer in deze kwestie is de bio-industrie. De Nederlandse veestapel (nu zo’n 113,5 miljoen varkens, runderen, kippen en geiten) veroorzaakte eerder al de uitbraak van Q-koorts. In 2003 was Nederland de bron van vogelgriep. Nadat veel boeren – vanwege onder meer varkenspest, mond-en-klauwzeer en het invoeren van melkquota – waren overgestapt op het houden van geiten, is het aantal geiten in 25 jaar 50 keer groter geworden. Die stonden in open stallen of buiten in de wei. Hun mest, uitgereden in de droge en daardoor stoffige zomer van 2004, bleek de bron voor een golf van Q-koorts. Te veel dieren met te veel mensen op een te klein oppervlak, dat lijkt vragen om problemen.

Is corona een reden om de intensieve veehouderij aan banden te leggen? Wim van der Poel, viroloog aan de Wageningen Universiteit, is zelf geen voorstander van intensieve veehouderij, maar noemt de coronacrisis in dit verband ‘een gelegenheidsargument’. ‘Er is geen enkele aantoonbare relatie tussen corona en de veehouderij. Die bevat wel degelijk risico’s, zoals de vogelgriep aantoonde. Maar daar heeft de industrie op gereageerd met betere bewakingssystemen en hygiëne.’

Zijn collega Els Broens wijst erop dat als een virus de veehouderij binnensluipt, het zich door de intensiviteit wel snel kan verspreiden, al is het voornamelijk via het transport van de dieren tussen veehouderijbedrijven en naar slachthuizen.

Rondlopende dieren

Toch: de licht opkomende trend naar kleinschaligheid en vrij rondlopende dieren vindt zij, hoe wenselijk ook vanuit dierenwelzijn, als microbioloog geen goed idee. ‘Je krijgt dan automatisch veel meer blootstelling van mensen aan dieren. Puur vanuit het oogpunt van mogelijke infecties is dat niet verstandig.’

Haar Wageningse collega pleit voor een ‘One Health-benadering’, oftewel: ‘Dieren houden onder goede omstandigheden, met voldoende welzijn en goede hygiëne. Daar gaat het om: de belangrijkste voorwaarden voor een gezond product combineren met voor dieren zo gunstig mogelijke omstandigheden in een gezond ecosysteem.’ Wat hij maar zeggen wil: ‘Als je dieren onder gezonde omstandigheden houdt, is dat voor mensen ook gunstig.’

Ook Van der Poel wijst erop dat het wereldwijde reisgedrag bijdraagt aan een snellere verspreiding van ziekten door contact tussen mensen en voor hen ‘vreemde’ dieren. Kunnen we hier dan nog wel naar de dierentuin? Die vormt geen gevaar, zegt Van der Poel. ‘Daar kom je niet direct met dieren in contact. En de daar gehouden dieren zijn meestal nooit in een oerwoud geweest, maar gefokt.’

Wel ziet hij andere potentiële gevaren. ‘Je ziet nu de trend ontstaan van insecten gebruiken in de voedselproductie. Die zijn rijk aan eiwitten, en zo een welkome vervanging van vlees uit de bio-industrie. Maar we weten nog helemaal niet goed wat de risico’s zijn voor het overbrengen van ziekten door die insecten. Er zijn nog zó veel virussen die de mens nog nooit heeft ontmoet. We zullen dus ook waarborgen moeten inbouwen om de insecten goed te controleren.’

Ook kijkt Van der Poel met argusogen naar de toename in de aquacultuur: oftewel kweekvis, een soms intensieve dierlijke productie op het water. Van der Poel: ‘Ook daar zul je beducht moeten zijn voor ziekten die kunnen circuleren.’

Iedereen vegetariër?

Is het, nu dus ook uit het oogpunt van volksgezondheid, niet veel beter dat iedereen vegetariër of veganist wordt? De geraadpleegde virologen aarzelen zich daarover uit te spreken. Van der Poel wijst op de stijgende populariteit van geitenkaas. ‘Dat leidt tot meer geitenhouderij, met het risico op Q-koorts.’

Uitgesprokener is Thijs Kuiken van de Erasmus Universiteit. ‘Ik denk dat het essentiële probleem is dat wij mensen ons plaatsen buiten de natuur, zelfs tegenover de natuur’, zegt hij. Een andere omgang met dier en natuur is onvermijdelijk volgens hem: ‘We moeten bepaalde dingen niet meer doen, of op een heel andere manier. In elk geval minder vee produceren. Los van de milieuproblemen die de veehouderij oplevert, moet je je als land ook afvragen of je de voedselproductie voor andere landen voor je rekening moet willen nemen.’

Als wetenschapper betreedt hij nu onbekend terrein, beseft hij, maar de verandering zal volgens hem van burgers moeten komen. Niet zozeer van de politiek, want die loopt volgens hem vaak achter de feiten en burgers aan. Al twintig jaar pleit hij voor een andere omgang met dier en natuur, en lang was hij somber over veranderingen, maar nu ziet de patholoog lichtpuntjes in de oplevende klimaatprotesten. Die stemmen hem optimistisch: ‘Wij hebben als welvarend land de luxe dat we erover kunnen nadenken en kunnen experimenteren met nieuwe manieren van leven.’