Oud-tenniskampioen Betty Stöve: ‘Dankzij mijn generatie heeft Kiki Bertens het nu zo goed. En terecht’

Met vakvrouw en oud-tenniskampioen Betty Stöve (73) blikt Els Quaegebeur terug op een topsportcarrière in andere tijden. Waarin nog veel te winnen was.
Betty Stöve op Wimbledon in 1977. ©ANP

Op een maandagochtend in maart staat Betty Stöve (1945) me op te wachten in het paleisachtige centraal station van Antwerpen. Hoewel we elkaar nooit eerder hebben ontmoet, lijkt de Wimbledon-finalist van 1977 meteen te weten dat ze mij moet hebben. Omgekeerd is het ook niet moeilijk. Betty is een lange vrouw die kaarsrecht staat en ze is bijna helemaal in het rood gekleed, alsof ze van de Bhagwan is: rode broek, rode gympen, rode bodywarmer, rood poloshirt onder een niet-rode (blauwe) trui met een V-hals. Haar onberispelijk gelakte nagels en gestifte lippen – felrood allebei – vallen op in het verder sportieve geheel. Ze is zongebruind, het resultaat van een paar maanden overwinteren in Florida. Daar heeft ze een huis in de buurt van vier golfbanen. De rest van het jaar woont ze in Brasschaat, sinds 1988. ‘Kom’, zegt ze nadat we elkaar de hand hebben geschud, ‘we gaan eerst een stuk lopen.’

We verlaten het station, langs de ernaast gelegen dierentuin. Een kennis van haar raadde haar aan daar met mij af te spreken. Dat vond ze een goed idee, maar ze besloot het toch niet voor te stellen. Jammer. Had ik eindelijk eens schaamteloos kunnen vragen naar iemands lievelingsdier.

Ze kijkt me bevreemd aan. ‘Hoezo schaamteloos?’

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

‘Het is geen vraag die je snel stelt in een interview, behalve aan de directeur van Artis ofzo. Het is iets voor kinderen. Net als een lievelingskleur, hoewel ik die vraag bij jou wel weer vind kunnen. Is rood je lievelingskleur?’

Haar antwoord is serieus. ‘Helemaal niet. De kleur van mijn golfteam is rood. Zaterdag had ik dit ook aan, tijdens een toernooi.’

Betty loopt stevig door, al hinkt ze licht. We spreken af elkaar te tutoyeren, op haar initiatief.

Als ik vraag of de Belgen wel tegen haar nogal rechtstreekse benadering kunnen, antwoordt ze: ‘Ik heb er af en toe problemen mee. Zo ben ik, zeg ik dan. Hun omzichtigheid maakt het mij soms moeilijk. Toch vind ik het prettiger, dat beleefde, de Belg schermt zich wat meer af. De buitenwereld hoeft niet alles te zien en te horen. Hij kleedt zich ook altijd op voor een gelegenheid, dat vind ik leuk. Die Nederlandse mentaliteit dat je overal in jeans moet kunnen verschijnen en je schoenen niet poetst, staat me niet aan; it’s an easy way out. Ik poets altijd mijn schoenen. Zelfs mijn golfschoenen.’

We lopen langs een brillenwinkel. Betty heeft geen bril nodig, zelfs nog geen leesbril op haar 73ste. Alleen als ze gespannen is en het is erg donker, gaat lezen zonder vocale hulp moeilijk.

‘Scherp zicht, is dat net zo belangrijk voor een tennisser als voor een piloot?’

Betty haalt haar schouders op. ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Je kijkt naar de bal. Zie je hem, dan is het goed, zie je hem niet, dan heb je een probleem. Zo simpel is het.’ Ze opent de deur van een jaren-negentig-modern grand café: ‘Kom, we zijn er.’

Klooien met tennisballetjes

Betty vertelt over haar jeugd in Rotterdam. Haar ouders waren lid van een tennisclub. Daar hingen zij en haar zusje veel rond, beetje klooien met balletjes, tegen een muurtje slaan. ‘Topsport begint vaak op straat’, zegt ze. ‘Het is een logische gang van zaken. Kijk naar de Verenigde Staten. Het maakt niet uit waar je bent, er ligt om de drie blokken een basketbalcourt. Het gevolg is dat er in Amerika ontzettend veel fantastische basketbalspelers zijn. Talent moet de kans krijgen boven te komen drijven, anders gebeurt er niets. Daarover kunnen veel vrouwen van een zekere leeftijd meespreken, los van de sport. Er is op veel vlakken talent verloren gegaan, dat weet ik zeker.’

In december 1966 ging Betty voor het eerst naar de Verenigde Staten, samen met twee andere veelbelovende jonge speelsters, op een vrachtschip waarvan de eigenaarscabine was omgebouwd tot meisjesslaapkamer. Het schip voer naar Fort Lauderdale in Florida. ‘Van de Nederlandse tennisbond kregen we de kans. Dat hield in: een tennisbaan, een bed en inschrijvingen in toernooien, verder moesten we alles zelf regelen. We eindigden met een toernooi in Boston, 36 uur met de trein. Op een cruiseschip met een geweldige captain keerden we uiteindelijk terug naar Rotterdam. De reis duurde tien dagen. Het was allemaal even fantastisch.’

Betty heeft een wonderlijke manier van praten: duidelijk gearticuleerd, monotoon en onverstoorbaar – robotachtig. Als ze had gezegd ‘het was allemaal even saai’ of ‘het was allemaal even verschrikkelijk’, had het niet anders geklonken, denk ik. Ze wisselt ook niet vaak van blik.

‘Terug in Rotterdam speelden we weer verder. We hadden geen gedetailleerd trainingsschema of uitgebalanceerd dieet. Tegenwoordig is tennis zo wetenschappelijk en sophisticated. Elke minuut van de training heeft betekenis, over alles wat profspelers in hun mond stoppen is nagedacht. Wij waren daar niet mee bezig. Ik was een keer in Australië uitgenodigd voor een ladies lunch, een eind verder in mijn carrière. Daar aten we spam, worst uit blik, alles wat slecht was. Dat zou nu onbestaanbaar zijn.’

Ze herhaalt dat het een fantastische tijd was en dat zij de enige idioot was die bleef doorspelen, met dank aan haar ouders. Toen ik haar belde om te vragen of ze wilde meewerken aan dit boek, zei ze meteen: ‘Ik snap wat je wilt doen met al die vrouwen, maar voor mij geldt dat ik alleen maar kon tennissen omdat mijn ouders het mogelijk maakten.’ Tijdens de wandeling naar het café benadrukte ze het weer. Ze slaat haar armen over elkaar. ‘Tennis was destijds geen beroep, het had niet zo veel te maken met hard bevochten zelfstandigheid. Je moet je voorstellen dat ik er lang helemaal niets mee verdiende. Mijn ouders moesten het bekostigen. Hoe zelfstandig ben je dan?’

Dat ben ik niet met haar eens. ‘Je doet nu net alsof je tot je 53ste je handje hebt opgehouden bij papa en mama.’

Betty Stöve bij Internationale tenniskampioenschappen Melkhuisje te Hilversum in 1972. ©Nationaal Archief

‘Zo zat het nu ook weer niet, nee. Het was een investering. Mijn ouders deden het ook graag, omdat ik met resultaten thuiskwam en vooral omdat ze zagen hoeveel plezier ik erin had. Dat neemt niet weg dat ik zonder hen nooit zover was gekomen. Zij hebben me lang en goed geholpen. Toernooigeld, sponsoring, het was er allemaal nog niet, hoeveel ik ook tenniste en hoeveel wedstrijden ik ook won, tot in 1968 de open era begon, het tijdperk van het professionele tennis zoals we dat nu kennen.’

Ongelijk beloond

Betty vertelt dat ze in 1970 voor het eerst prijzengeld kreeg in een toernooi: 150 dollar. Het was minder dan wat de speler kreeg die in de mannencompetitie op dezelfde plek eindigde. Dat kon ze niet verkroppen. Vanaf het begin van de open era streed ze voor een gelijke verdeling van het prijzengeld tussen mannen en vrouwen, samen met andere tennissters, met als grote roerganger de Amerikaanse Billie Jean King. Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot. ‘We moesten één lijn trekken als professioneel tennissende vrouwen, anders hadden we te weinig overtuigingskracht om equal pay te eisen. In 1973 richtten we de Women’s Tennis Association op. Billie Jean King had de leiding, ik was penningmeester. Omdat ik groot van stuk ben, zei Billie bij de oprichtingsvergadering tegen mij: ‘Ga jij bij de deur staan, want als we geen quorum hebben, kunnen we geen geldige bond beginnen.’ We moesten alle vrouwen binnenboord houden, dus liet ik niemand naar buiten tot de oprichting rond was. Vervolgens hebben we alles op alles gezet om een eigen stempel te drukken op de tenniswereld.’

Toen Betty in 1977 in de Wimbledon-finale stond van het dames-single en tweede werd, kreeg ze 7.000 pond. Haar mannelijke tegenhanger kreeg 1.000 pond meer. Het prijzengeld op Wimbledon is nu in totaal 38 miljoen pond. De winnaars van de singles winnen allebei 1,2 miljoen.

Betty knikt. ‘Op alle toernooien krijgen mannen en vrouwen nu evenveel prijzengeld, onder druk van onze vrouwenbond en, to be fair, ook van de mannenbond. Die schaarde zich na een tijdje wel achter ons. Maar het heeft lang geduurd, hoor, voor het echt helemaal was rechtgetrokken.’

De lunch komt op tafel: garnalenkroketten voor mij, tonijncarpaccio voor Betty. Ze geeft me een goedkeurend knikje. ‘Het is goed dat je garnalenkroketten neemt. Dat is een perfecte keuze in België.’

‘Eet je altijd gezond?’

Ze spreidt het servet secuur uit over haar schoot. ‘Ik leid een gezond leven met veel groente en beweging, ja, ik probeer zo lang mogelijk mee te gaan. Dat deed ik vroeger, dat doe ik nog. Jullie moeten het ook allemaal zo doen.’

Ze komt met een reeks bedillerige raadgevingen, onderstrepend dat ik bijna op de helft ben, dat de tijd die me rest is meegenomen, een extraatje, dat ik moet genieten, dat ik mijn kind goed moet opvoeden, dat ik alles moet doen om haar gelukkig te maken, anders had ik haar niet moeten krijgen. Ze eindigt met: ‘Jij denkt steeds anders, zij denkt steeds anders, dus het is leuk om haar ontwikkeling mee te maken.’

Genoteerd.

Betty Stöve in actie op de US Open in 1979. Zij won dat jaar het vrouwendubbelspel (met partner Wendy Turnbull). ©1979 Focus on Sport

Alleen op reis

We hebben het over heimwee. Betty kon er goed tegen, maar ze had het wel. Meestal was ze afwisselend zes weken op pad en dan twee weken thuis. Het contact met vrienden en familie was schaars als ze op reis was. ‘Geen WhatsApp, Facetime, Skype, filmpjes sturen, noem maar op. Om de vier weken mocht ik van mijn vader een collect call maken. Weet je wel, met zo’n operator die zegt: ‘Sir, do you accept the charges?’ Mijn vader stuurde me lange brieven. Ik besteedde ook veel tijd aan het schrijven van brieven, vooral omdat ik graag iets wilde terugkrijgen, dan was ik minder eenzaam. Ik had twee tantes die me veel schreven. Ze leven allebei nog en we zien elkaar geregeld. Ik krijg tegenwoordig weleens een brief terug die ik toen aan ze stuurde. Oude mensen hè, die ruimen op.’

‘Waar schreef je over?’

‘Gewoon. Hoe het spelen ging.’

Ik wil weten wat ze deed tijdens al die uren alleen op reis, als ze niet speelde. Lezen deed ze veel. Bellenkoorden borduren, met patronen in kleine kruissteekjes. Dat was rustgevend. Fotograferen en 8-mm-filmpjes maken vond ze ook leuk, vooral van andere spelers, niet van gebouwen of de natuur. Zo veel vrije tijd was er ook niet. Ze moest ontzettend veel regelen, want ze had geen agent of coach. Hotelkamers, tickets en huurauto’s reserveren, haar uitrusting in orde en schoon houden (Betty waste haar rokjes in de wasbak op de hotelkamer), pleisters op zak hebben voor een ingegroeide teennagel; alles wat nodig was, kwam op haar schouders neer.

Haar ouders kwamen haar altijd opzoeken in Londen tijdens de eerste week van Wimbledon. Dat was dan hun vakantie: feest. Daar hadden ze ’s avonds weleens woorden over. Haar vader wilde uitgebreid dineren en bijpraten, Betty wilde eten. Na de hoofdmaaltijd zei ze steevast: ‘Ik loop vast terug naar mijn hotel.’

‘Gezellig.’

Ze kijkt wrevelig. ‘Ik weet het. Maar zij zaten er niet mee. Mijn zusje en ik kregen thuis alle kans om vrijzinnig te denken. Ik kon doen wat ik wilde. Heb er maar plezier in, was de boodschap waarmee wij zijn opgevoed. Als ik dan nu die Russische meisjes van 5, 6 jaar zie die min of meer met de zweep erover gedwongen worden te spelen en vooral te winnen, denk ik: och kindjes, ik hoop dat jullie het een leuk spelletje vinden, want alleen dan is het de moeite waard.’

Getrouwd met het racket

‘Je hebt in Nederland een club voor oud-tennissers. Daarvoor werden wij vrouwen nooit uitgenodigd, die was alleen voor mannen. In 1976 hebben we onze eigen club opgericht. We noemen onszelf NBNP: No Balls, No Pleasure. Eén keer per jaar gaan we samen op vakantie, even bijkletsen. We deden het vroeger minder vaak, tot we iemand verloren. Toen besloten we elk jaar af te spreken, de tijd gaat te snel. In de jaren dat ik altijd in het buitenland zat, heb ik veel dingen van ze gemist: huwelijken, doopfeesten, eerste verjaardagen van kinderen.’

Betty Stöve. ©Michiel van Nieuwkerk

Nog voordat ik het gesprek naar haar persoonlijke leven kan navigeren, begint ze er zelf over. ‘Ik heb een andere keuze gemaakt.’

‘Ben jij nooit amoureus aan iemand blijven plakken?’

Ze schudt nadrukkelijk haar hoofd. ‘Nee, en kinderen heb ik ook niet gekregen. Ik was getrouwd met mijn racket. Dat vond ik leuker dan neerstrijken met iemand of een gezin stichten. Je moet keuzes maken. Er is niets serieus op mijn pad gekomen. It takes two to tango, zo is het ook.’

‘Ben je de liefde uit de weg gegaan?’

Ongeduldig: ‘Ik ben helemaal niets uit de weg gegaan. Ik vond tennis verschrikkelijk leuk en ik bleef niet hangen in het idee van een relatie of van huisje-boompje-beestje. Ik ben ook gaan coachen omdat ik zo veel houd van het spel, niet omdat ik bang was te weinig omhanden te hebben.’

De ober haalt de lege borden weg. Ik vraag of ze voor een wedstrijd bij het opstaan al voelde hoe het zat met haar mentale kracht. Ze denkt even na. Dan zegt ze resoluut, zoals steeds: ‘Een speler heeft goede en slechte dagen, maar altijd als ik de kleedkamer uitkwam, had ik mijn wedstrijdgezicht op. Kwam ik dan nog volk tegen, dan was ik daar niet zo aardig voor. Dat is niet iets om over te piepen. Mentale kracht komt ook aan op concentratie en inleven.’

‘Zocht jij als speler naar de ogen van je vader en moeder op de tribune van Wimbledon?’

‘Jawel. Ik wist dat ze er zaten en dat was een heerlijk gevoel.’

Na een korte stilte vervolgt ze: ‘Je moet bij tennis mentaal sterk zijn omdat er altijd die ander is van wie je je constant bewust bent. Als je verliest met hardlopen of bij golf kun je het alleen jezelf verwijten. Bij tennis kun je altijd met excuses komen over de ander: ze gaf te veel spin, ze was vervelend, ze is linkshandig en daar kan ik niet tegen, enzovoort, maar het komt op hetzelfde neer: jij wint of jij verliest.’

Ze buigt zich over de tafel heen. ‘Je moet bij tennis ook snel kunnen beslissen en handelen, anders is het gebeurd. Dat snap je wel, toch? Je serveert, maakt een punt, pap-pap-pap-pap-pap, 30 seconden om naar de andere kant te lopen en dan moet je weer. Daar moet je tegen kunnen. Ik kon dat. Nu, met dat golfspel, sta ik eindeloos te kijken naar dat stomme balletje. Ja, en dan ga je nadenken, hè. Welke club, hoe hard zal ik slaan, welke gevaren kan ik tegenkomen? Als ik dan ook nog denk: o wacht, ik moet straks naar de bakker, ben ik weg.’

‘Hoe wist je dat jouw moment om te stoppen met tennissen was aangebroken?’

Het is een vraag waarvan ze opveert. ‘Ik heb heel lang doorgespeeld, tot mijn 38ste. Mijn laatste wedstrijd speelde ik op de US Open van 1983. Ik ben gestopt nadat we geldlijsten hadden gemaakt. Billie had een miljoen verdiend, Virginia Wade ook, Rosemary Casals ook. Ik was de zesde vrouw die een miljoen verdiende met tennis. Dat vond ik belangrijk. Niet om het geld, dat begrijp je hopelijk inmiddels. 1 miljoen dollar en 47 cent was het trouwens, om precies te zijn.’ Ze steekt haar wijsvinger omhoog: ‘In twintig jaar tijd, hè. Kiki Bertens heeft vorige week zes ton verdiend met het verliezen van één toernooi.’

Haar glimlach verbreedt zich. ‘Ik zou het niet anders willen, de klok hoeft niet terug van mij. Wij hebben zo veel neergezet, waardoor Kiki nu die 600 duizend kan verdienen. Ik ben niet jaloers op haar, ik ben blij dat ze het zo goed doet en dat ze het volhoudt, want reken maar dat het zwaar is.’

Ze vouwt haar handen in elkaar. Ik kan het niet laten iets te zeggen over die rode nagels. ‘Goed hè? Ik heb ze laten lakken. Dit zit er nu een maand op, het blijft zo zitten.’

‘Je hebt echt mooie handen.’

‘Vind je? Ik ben ook niet ontevreden, de vorm is goed. Maar...’, ze wijst op de wirwar van donkerbruine vlekjes, ‘dit is allemaal van de zon. Mijn handen hebben zo veel zon gezien door al dat tennissen, ze zijn ouder dan ik.’

We stappen op. De ober houdt de deur voor ons open. Betty loopt niet mee terug naar het station, want ze wil de stad nog in. Voor ze zich omdraait, zegt ze nog: ‘In de grote hal je kaartje kopen, hè, niet waar ik je ophaalde. Er is een automaat.’ Dan gaat ze. Ik kan haar nog lang zien verdwijnen, de rijzige vrouw in het rood tussen de kleine Belgen in grijs en donkerblauw.