Op de dag dat het RIVM nul doden meldde, stierf verpleegkundige Boy Ettema aan corona

Boy Ettema, een chirurgieverpleegkundige die op de covid-afdeling werkte, was gezond, fietste veel, had geen overgewicht en was pas 42 jaar oud. Toch overleed hij aan corona, op de eerste dag dat het RIVM nul doden meldde.
©.

Voor het RIVM was het een kwestie van statistiek, van het simpelweg optellen van alle meldingen. En die kwamen die dag niet.

Maar voor Boys familie kwam de mededeling van het RIVM als een klap in het gezicht. Het voelde of de dood van Boy, een chirurgieverpleegkundige die vele weken lang op de covidafdeling van het ziekenhuis had gewerkt, werd genegeerd. Alsof hij er niet toe deed. Het was de reden dat Boys broer Thomas de Volkskrant belde. Want de ijskoude statistiek met die nul doden – dat is het grote verhaal. Maar daarnaast bestaat er een andere werkelijkheid.

Boy Ettema is met zijn 42 jaar de jongste zorgverlener in Nederland die overleed aan corona – in totaal overleden er dertien. Hij was gezond, fietste veel, had geen overgewicht en rookte niet, aldus zijn vriendin.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Het is half mei als de chirurgieverpleegkundige ’s avonds thuiskomt van zijn coviddienst in het St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein. Die dag heeft hij een doodzieke patiënt geholpen die onverwacht in zijn gezicht heeft gehoest. Hij heeft iets gevoeld, tussen zijn bril en mondmasker in.

‘Ik heb het idee’, zegt hij bezorgd tegen zijn vriendin, die ook verpleegkundige is, ‘dat ik vandaag ben besmet.’

Thuis houden ze al weken afstand van elkaar. Ze ontmoeten niemand en zij doet de boodschappen. Boy waarschuwt iedereen om op te passen. ‘Ook als ze het op je werk anders regelen, blijf alsjeblieft thuis’, zegt hij tegen zijn broer.

Twee dagen later wordt hij op een dinsdag wakker met hoge koorts en hoofdpijn. Voor zijn ogen ziet hij flitsen. De benauwdheid begint pas een paar dagen later. ‘Ik ben doodziek’, appt Boy naar zijn broer Thomas. ‘Maar maak je niet te veel zorgen. Het komt wel goed.’

Al eerder had zijn broer Thomas hem gevraagd of hij dat nou wel zou doen, die coviddiensten. ‘Het moet gebeuren’, had Boy geantwoord. Hij voelde het als zijn plicht iets bij te dragen. Aan zijn vrienden en familie stuurt hij opgewekte foto’s van zichzelf in coronatenue.

Die leuke broeder

Boy Ettema is een opvallende verschijning op de chirurgieafdeling van het St. Antonius Ziekenhuis. Zijn schaterlach klinkt hard, hij praat veel en maakt snel contact met patiënten. Die vragen soms speciaal om ‘die leuke broeder’. Als er een lastige patiënt is, wordt Boy ‘erop’ gezet. Thuis is hij vrolijk, zachtaardig en zorgzaam, vertelt zijn vriendin Lizahn (31), die hij afgelopen maart ten huwelijk vroeg en met wie hij zich verloofde. Boy geeft weinig om geld, om spullen of om status; hij is liever bezig met de natuur, met vrienden, kranten en boeken lezen, leuke dingen doen. Hij maakt zich druk over de ongelijkheid in de wereld. Op zijn 35ste volgde hij, na een studie sociologie, de opleiding tot verpleegkundige. Het bleek een gouden zet. Hij wilde iets betekenen voor anderen, vertelt zijn broer.

Dagenlang is hij thuis, waar hij steeds zieker wordt. Zijn vriendin Lizahn belt drie keer met de huisartsenpost. ‘Ik vertelde dat Boy uitgeput raakte’, zegt ze. ‘Maar de arts wimpelde ons af en zei: nou, hij spreekt nog volle zinnen uit. Bij meer dan 41 graden koorts konden we komen. Ik had het gevoel dat we niet serieus werden genomen, omdat Boy nog jong was.’

Op dag acht zegt Boy: ‘Dit is echt niet goed.’

Binnen een kwartier rijden ze met spoed naar zijn eigen ziekenhuis, waar Lizahn hem die dag even mag zien. ‘Ik ben bang’, zegt Boy, terwijl hij hijgend in bed ligt. Het is het enige wat hij kan uitbrengen. In zijn bloed zit nog 80 procent zuurstof.

Lizahn: ‘Hij wist precies hoe het kon gaan. Hij had zelf al zo veel mensen naar het mortuarium moeten brengen. Zijn grootste angst was de ic.’

In de nacht erop wordt ze om half vijf wakker gebeld, met zijn telefoonnummer. In beeld is een verpleegkundige. ‘Het gaat echt niet meer met Boy’, zegt die. ‘We moeten hem nu gaan intuberen.’

Dan ziet ze Boy liggen, happend naar adem. Hij zegt dat hij van haar houdt. En dat hij bang is. Hij moet huilen, maar het maakt hem alleen maar benauwder. Lizahn kan nog net wat terugzeggen, voordat de verpleegkundige de telefoon uitdrukt. Lizahn rijdt zo hard als ze kan naar het ziekenhuis, maar als ze aankomt, is hij al in slaap.

Dit gebeurt niet echt, denkt Lizahn. Ze heeft het gevoel dat hij elk moment lachend om de hoek kan lopen.

Zijn broer Thomas komt aan zonder dat hij nog iets tegen zijn broer heeft kunnen zeggen.

Hartlongmachine

Zestien dagen lang ligt de verpleegkundige op zijn eigen intensive care, terwijl zijn longfoto’s steeds slechter worden en zijn familie nauwelijks meer slaapt. Artsen en verpleegkundigen op de ic slaan pauzes over, werken langer, doen alles voor hun collega. Lizahn en haar familie krijgen extra bezoekuren. Telkens lijkt het even beter te gaan, maar telkens krijgt hij weer een terugslag. ‘Ik heb duizend keer gedacht dat hij het ging redden, en duizend keer dat hij dood zou gaan’, zegt broer Thomas. Omdat zijn longen het niet redden, wordt hij aan de hartlongmachine gelegd, waarbij het bloed buiten het lichaam zuurstof krijgt en bloedverdunners nodig zijn.

Het is 22 juni als Lizahn om kwart voor vijf in de ochtend wordt gebeld door een ic-arts. ‘Hij zei dat het een goed idee was dat ik zou komen en vroeg of ik zijn ouders en broer wilde bellen’, vertelt ze. ‘Toen wist ik: dit is foute boel. Ik heb hier lang genoeg gewerkt om dat te weten.’

Die nacht heeft Boy een massale hersenbloeding gehad met grote hersenschade tot gevolg. Hij reageert nergens meer op. De arts vertelt dat de staat van zijn hersenen niet meer te verenigen is met het leven. In zijn ogen staan tranen. Die ochtend had hij moeite om de afdeling op te gaan, vertelt hij. Lizahn zakt door haar benen als ze dat hoort. ‘Dit kan gewoon niet waar zijn’, zegt ze.

‘Dan weet je dus’, zegt zijn broer Thomas, ‘dat je broer doodgaat.’

Het is drie uur ’s middags als de arts de hartlongmachine en de andere apparaten uitzet, in het bijzijn van familie en vrienden. In de kamer speelt iemand Guns N’ Roses op de gitaar: Boy was een liefhebber van punk en hardrock.

Terwijl zijn vriendin Lizahn hem vasthoudt, klopt zijn hart nog twee minuten lang door. In de kamer wordt het doodstil. Buiten op de gang huilen verpleegkundigen. Het lukt Lizahn naderhand nauwelijks om bij hem weg te gaan.

Boy’s lijfspreuk was memento mori – gedenk te sterven. ‘Hij was zich er altijd van bewust’, zegt zijn broer Thomas, ‘dat het leven zomaar voorbij kon zijn.’

De volgende ochtend leest Boys vader het nieuws. ‘Voor het eerst nul coronadoden’, staat er.