Nooit heeft Ceel Visser zijn lot in twijfel getrokken: hij is en blijft binnenvaartschipper

Ceel Visser is binnenvaartschipper in hart en nieren, net als zijn vader. Doordeweeks heeft hij alleen contact met de brugwachters op zijn route. Een relatie heeft hij nooit gehad.
Binnenvaartschipper Ceel Visser. ©Marieke de Bra

 Hij kent elke bocht, elke brug, iedere stip aan de horizon op de route van Woerdense Verlaat naar de Australiëhaven in de Amsterdamse haven. Ook de mensen die langs de vaart wonen kent hij, hij wuift naar ze, terwijl hij met zijn schip voorbij glijdt. Van de brugwachters onderweg die nog niet zijn overgeplaatst naar een centrale – steeds meer bruggen worden op afstand bediend – weet hij waar ze mee bezig zijn in hun leven, waar ze van houden, of ze getrouwd zijn en kinderen hebben. 

Behendig manoeuvreert Ceel Visser zijn schip door het open val. “Dag Benno, ik kom er weer aan. Als ik voorbij ben, kan je weer aan je studie.” Vriendelijk steekt hij zijn duim op en lacht naar de man in het brugwachtershuisje. “Benno is druk aan het leren voor zijn vaarbewijs”, vertelt hij. “Hij heeft pas examen gedaan, maar moest vier vakken overdoen. De brugwachters heb ik iedere keer aan de bel. Dat is mijn contact doordeweeks als ik aan het varen ben. En de kraanwerkers bij het laden en lossen natuurlijk, maar mijn baas van Bruil Beton heb ik nog nooit gesproken, laat staan gezien. Vroeger wist je voor wie je werkte.”

Ceel Visser op zijn Res Nova, een vrachtschip van het type kempenaar. ©Marieke de Bra

Toen Ceel Visser (59) opgroeide, was het: je vader is schipper, dus jij wordt schipper. Nooit heeft hij zijn lot in twijfel getrokken, nooit was hij nieuwsgierig naar een ander ­beroep. Binnenvaartschipper was wat hij zou worden en binnenvaartschipper is wat hij, soms tegen wil en dank, nog steeds is. 

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Van de schippersgemeenschap in de Nederlandse ­binnenwateren is niet veel meer over

Toch lijkt niets meer hetzelfde. Waar het vroeger gangbaar was om met het hele gezin op het schip te wonen, verblijven de vrouwen en kinderen van schippers nu doorgaans ‘op de wal’. Van de compleet op zichzelf staande schippersgemeenschap in de Nederlandse ­binnenwateren is niet veel meer over. 

Het schippersinternaat in Dordrecht, waar de jonge Ceel een groot deel van zijn vormende jaren doorbracht, telt nog maar zestien leerlingen. In zijn jeugd waren dat er 250. “Ik ging niet altijd terug naar de boot in het weekend, we hadden geen auto aan boord en vaak lagen mijn ouders te ver weg. Ongeveer de helft bleef over, dus ik hoefde nooit te zoeken om met iemand te spelen. We kwamen allemaal uit hetzelfde milieu, we misten onze ouders niet. Na de basisschool ging je op je dertiende weer terug aan boord, en toen zag ik mijn vrienden op laad- en losplekken en onderweg. Je kon toen nog overal aanmeren om te zwemmen of om een dorp in te gaan.” 

Binnenvaartschipper Ceel Visser springt graag met een blok zeep in het water. Dat is de beste manier om op frissen, vindt hij. ©Marieke de Bra

Toch ziet Visser kans om zijn schip ergens in een ruime bocht in de Kromme Mijdrecht stil te leggen. Met een blok zeep springt hij in de plomp, de beste manier om op frissen vindt hij. Het is ruim na spertijd (in Amsterdam zijn bruggen tussen 16.00 en 18.00 uur gesloten voor varend verkeer) als hij zijn Res Nova voorbij de Amsteldijk voert, de kades liggen vol met woonschepen. “Al deze schepen waren vroeger vrachtschepen. Stel dat ik nu een telefoontje krijg dat er iets met mijn moeder is, kan ik heel lang nergens aanmeren. Ook de ambulance of brandweer kan niet bij mij aan boord komen.”

Van alle jongens met wie hij opgroeide is nog maar een handjevol schippers over. In zijn thuishaven Werkendam, van oudsher een schippersdorp, is hij een van de laatste. De rest is ermee gestopt. Te veel regels. Te veel bemoeienis. Te weinig rendement. Hij wijst naar het laadruim dat nu leeg is. “Mijn vader hing hier vroeger een schommel op. Dat zou nu niet meer mogen. Je moet voor alles wat je aan je schip doet, toestemming hebben. En je wordt aan alle kanten gevolgd. Ik kan straks niet in Amsterdam aanmeren om wat te gaan eten en dan om tien uur op de laadplaats aankomen. Dan ga ik buiten mijn uren.”

‘De vrijheid, die bij een schippers­leven hoort, is weg’

“Vroeger was je vol en dan zag je wel wanneer je op de laadplek aankwam. Nu is er een planning. De vrijheid, die bij een schippers­leven hoort, is weg. Toch heb ik het beter naar mijn zin op het schip dan aan de wal. Het schip is eigen. Ik ben blij als het Kerst is, als ik er even af mag, maar nog blijer als ik na Oud en Nieuw weer terug kan.”

Het eerste gesprek aan boord vindt plaats als de moeder van Visser nog leeft. Hij belt ­iedere dag met haar. Ze wil weten waar hij is, wat hij vervoert, hoe hij geslapen heeft. In het weekend gaat hij naar haar toe. Ze woont in een dijkhuisje in Werkendam. Op zaterdag doet hij de boodschappen en eten ze samen gebak, op zondag gaan ze tweemaal naar de kerk. 

Ceel Visser in het ruim van zijn schip Res Nova. ©Marieke de Bra

Toen hij 31 was, ging ze naar de wal en voer hij met zijn zus met wie hij een hut deelde – zij boven, hij beneden – en vader verder, tot zijn zus op late leeftijd toch nog trouwde en zijn vader op Ceels 39ste plotseling overleed. Toen werd het zijn schip. “Ik heb nog nooit een relatie gehad. Ik heb weleens iemand verkering ­gevraagd, een schippersdochter, maar dat was meteen ‘nee’. Ze vond me wel aardig om mee om te gaan, maar niet op die manier. Ik heb ­natuurlijk wel gevoelens, maar om nou naar de rode lampjes te gaan, daar heb ik geen zin in. Ook niet om daar geld aan uit te geven. Dat heeft waarschijnlijk met mijn opvoeding te maken.”

“Doorgaan en niet zeuren. Wat je nooit hebt gehad, mis je niet. Soms zag ik weleens een stel lopen, dat ik dacht: wat heeft hij nou meer dan dat ik heb, maar daar heb ik mezelf overheen gezet.” Nu slaapt Visser alleen in zijn hut. De knuffelbeer van zijn zus staat nog op het nachtkastje.

Het is een halfjaar later als we Ceel Visser opnieuw ontmoeten. De avond valt als hij de Australiëhaven bereikt. De Res Nova, een kempenaar met een laadvermogen van maximaal 523 ton, is een dwerg vergeleken met het schip met een tonnage van 3000 dat er al ligt. De schipper kent hij niet en omdat het een afgesloten terrein is, is hij in de avond alleen – zoals tegenwoordig alle avonden. “Vroeger was het gezelliger in de binnenvaart, dan ging je nog weleens een bakkie koffie bij elkaar drinken. Je kon dan meestal ook zo het centrum in lopen, waar je ook lag. Er waren altijd kinderen op de schepen.”

‘De vrachtwagen is nu mijn concurrent, die is een stuk sneller’

Zand en grind is wat hier geladen wordt en in een enkel geval graniet. “De derde levens­behoefte: beton. Mensen moeten bouwen. Hoewel er nog volop zoetwatergrind in Limburg is, vaar ik daar niet meer. De afstand is te groot, dus is de vrachtprijs voor mij in vergelijking met grote schepen niet meer rendabel. Ik kan juist op plekken komen waar zulke schepen niet kunnen komen. De vrachtwagen is nu mijn concurrent, die is een stuk sneller.”

Aan boord van de Res Nova. ©Marieke de Bra

De aardappelen heeft hij onderweg geschild, het draadjesvlees heeft gisteren al staan sudderen. Hij bidt en eet in stilte. Zijn moeder is afgelopen winter overleden, dus geen belletje voor het slapengaan. “Om mijn vader heb ik nooit gerouwd, ik heb het verdrongen, terwijl we tot de laatste dag samen hebben gevaren. Nu laat ik het verdriet wel toe. Mijn vader toonde geen emoties, ik heb hem nooit zien huilen, maar ik heb mijn tranen laten lopen. Ik heb mezelf laten gaan. Iemand van wie ik heel veel heb gehouden, is er niet meer. Ik ben kind af. Als ik vroeger met mijn moeder was, zag ze aan mijn gezicht: er zit iets niet goed. Dat hebben alle moeders. Ze vroeg er niet rechtstreeks naar, maar wachtte tot ik er zelf over begon. Ik begrijp nu wel hoe het komt dat ik op een bepaalde manier reageer. Ik houd me afzijdig. Mensen zeggen: ‘Het interesseert jou niets’, maar in wezen wel, ik toon alleen niets.”

Na de eerdere interviews is Visser gaan nadenken; misschien wil hij toch nog een vrouw. Hij heeft zich ingeschreven bij relatiebureau Mens & Relatie, heeft er een aantal gesprekken gehad en tests ondergaan. Hij laat de resultaten zien. “Dit is voor mij algebra. Ze hebben van die woorden neergeschreven waarvan ik denk: het zal wel. In dat neuroticisme herken ik mij niet zo, maar mijn moeder zei altijd dat ik slecht tegen kritiek kan.” 

Een kandidaat is nog niet gevonden. De combinatie schipper en religieus blijkt een lastig profiel. “Er waren een paar dingen waar ik aan moest werken.” Hij gaat harder praten. “Mij úíten. Ze zei wel dat ik openstond voor een relatie, een vlucht nemen in je werk schiet niet op. Toch gaan de meeste van mijn zorgen nu over mijn schip: wat er in de toekomst gaat gebeuren met de wet- en regelgeving. Stel dat ik niet door de volgende keuring kom, ik zou niet weten wat ik op de wal zou moeten doen. Ook al zou ik een vrouw hebben.”

Lees ook: 

Met 85 meter door een haakse bocht: vooral kalm blijven

De kapotte brug bij Boskoop brengt de Hollandse binnenvaart flink in de problemen. Trouw reist mee op de Domino, die nu ver om moet, dwars door Amsterdam.