Na lang twijfelen zou hij zich laten steriliseren: ‘Mijn ballen lagen op het hakblok’

Na lang twijfelen hakte journalist Roelf Jan Duin (42) de knoop door: hij zou zich laten steriliseren. Hij moest alleen nog even af van zijn fobie voor medische ingrepen in het kruis. 
©Alexandra España

“Bent u zenuwachtig?” vraagt de anesthesist, terwijl ik de behandel­kamer word binnengereden. Antwoorden is overbodig, mijn gezicht spreekt boekdelen. “Dat hoeft echt niet, ik ga u stap voor stap uitleggen wat we gaan doen,” vervolgt hij vriendelijk. “Alstublieft niet,” val ik hem in de rede. Ik hoor mijn stem trillen. “Doe het maar gewoon.”

Tot dit moment had ik het idee gehad dat ik nog terug kon. Dat het onomkeerbare nog omkeerbaar was. Zelfs toen ik die ochtend het OLVG aan het Oosterpark binnenliep, een tasje met de op doktersvoorschrift meegenomen strakke boxershort onder mijn arm, wist ik nog niet zeker of het werkelijk ging gebeuren. Ik kon me bedenken, ik kon nog vluchten. Een kwestie van me snel weer aankleden en het op een rennen zetten. De lift die mij had afgezet op de zevende verdieping, afdeling urologie, zou me net zo snel weer naar beneden brengen. Dan nog een sprintje door de lange gang en ik stond weer veilig buiten. Maar nu ik hier op de koude operatietafel lag, realiseerde ik me dat mijn lot definitief beschoren was. Mijn ballen lagen op het hakblok.

Misschien is dit het moment voor een waarschuwing aan de lezer. Dit verhaal gaat over hoe ik mij liet steriliseren, en hierin zal ik het veelvuldig hebben over mijn ballen. Niet omdat ik dat een mooi woord vind, integendeel, maar simpelweg omdat er geen geschikter alternatief is. Testikels, teelballen of scrotum zijn te klinisch, kloten, noten en zak te studentikoos en termen als zaakje, kroonjuwelen of klok-en-hamerspel te suf.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Verder gaat dit verhaal dus over mij, een man van 42 jaar die overdreven kleinzerig is. De aanstelleritus waarmee het ­verhaal doorspekt is, kan larmoyant overkomen, maar is niet overdreven. Sterker nog, omwille van leesbaarheid en decorum heb ik sommige details minder expliciet benoemd dan de intieme werkelijkheid. Schrijven als een vorm van traumaverwerking is al tot daar aan toe, maar we hoeven niet allemaal Heleen van Royen uit te hangen, zal ik maar zeggen.

Enfin, terug naar de behandelkamer in het OLVG, waar ik angstig naar het plafond staarde. Hoe was ik in deze onfortuinlijke positie terechtgekomen? Waarom liet ik toe dat artsen in mijn gezonde lichaam iets onherstelbaar stuk zouden maken? Welke afslagen had ik in mijn leven genomen dat ik nu vrijwillig mijn zaadleiders liet doorknippen?

De zoektocht naar antwoorden op deze vragen begint in ditzelfde gebouw, het OLVG Oost, een paar verdiepingen lager. Daar beviel mijn vriendin in 2014 van onze eerste dochter. Nu hoor je te zeggen dat dit het mooiste moment uit je leven is, en ja, het was ook heel bijzonder, maar ik herinner me vooral de spanning en het afzien van mijn vriendin, die een kleine 48 uur lag te creperen terwijl ik er als lulletje rozenwater naast zat.

Twee jaar later ­kregen we nog een meisje, dit keer in het OLVG West, en wederom keek ik machteloos toe hoe mijn geliefde bijna twee volle etmalen pijn aan het lijden was. Het is oneerlijk verdeeld tussen man en vrouw, besefte ik andermaal.

©Alexandra España

Een grens aan gedoe

De jaren daarna vond het gezinsleven zijn vorm. Vul elk cliché maar in: liefdevol, warm, dodelijk vermoeiend en alles­absorberend. Van de luiers naar de eerste stapjes, van pootjebaden in de zee naar de eerste zwemles, van de Gruffalo tot de ­tandenfee: het ware geluk schuilt in het alledaagse.

Maar, nu ik toch tegeltjeswijsheden aan het opdreunen ben: in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Twee was genoeg, vond ik. Daar kon ik een hele rits aan argumenten voor verzinnen. Argumenten van praktische aard: de zitjes op de fiets, de achterbank van de auto, de hotelkamers als ze ouder zijn. Maar ook diepgravendere redenen: zou een derde kind ons gezinsgeluk werkelijk nog ver­groten? Zouden we het lot niet tarten, met een vrouw die tegen de veertig loopt? Moesten we onze zegeningen niet gewoon tellen, met twee gezonde dochters? En is een derde kind ethisch wel te verantwoorden, qua overbevolking en ecologische voetafdruk en zo?

Maar voor mij was de belangrijkste reden: nog een kind zou ik simpelweg niet aankunnen. Er zit een grens aan het gedoe, de stress en de driftcollapsen bij elke omgevallen beker melk die een mens kan hebben. Deze afwegingen golden, op de driftcollapsen na dan, gelukkig ook voor mijn vrouw.

Ander onderwerp

Fijn, waren we het daarover eens. Maar inmiddels was er wel een olifant de slaapkamer in geslopen: anticonceptie. Een ­olifant die we beiden verrassend goed ­wisten te negeren. Heel af en toe bracht een van ons het ter sprake, maar het bleek geen gespreksonderwerp dat sfeer-, laat staan libidoverhogend werkte.

De stellingen waren al snel ingenomen: mijn vriendin had geen zin meer in hormonen in haar lijf, waarmee de pil en het spiraaltje afvielen. Condooms waren een weinig aantrekkelijk alternatief. “Dan maar een pessarium met zaaddodende pasta,” zei ik dan meestal, in een poging enige humor aan het gesprek toe te voegen, om het onderwerp daarmee ook meteen te begraven. Dus deden we niets, hoopten we op het beste, en vierden we elke nieuwe menstruatiecyclus als een overwinning in blessuretijd.

Natuurlijk waren we slim genoeg om te begrijpen dat we dom bezig waren. Eens in de zo veel maanden, als mijn vriendin een paar dagen te laat was, schoten we in paniek. Om een dag later, als we opnieuw door het oog van de naald waren gekropen, opgelucht adem te halen, tegen elkaar uit te spreken dat dit echt niet langer kon en vervolgens het rijtje mogelijkheden weer een voor een weg te strepen: pil – spiraal – condoom – pessarium met zaaddodende pasta – hahaha – ander onderwerp.

En al die tijd bleef er een mogelijkheid als een zwaard van Damocles boven die gesprekken hangen: het S-woord. Mijn vriendin wilde het niet aan mij opdringen, ik deed net alsof ik niet wist dat het bestond. Het tegenovergestelde was het geval: ik herinnerde me nog als de dag van gisteren de meelijwekkende aanblik van mijn vader, liggend in bed na zijn operatie. Ik was een jaar of 11 en gaf hem als troost een pianoboek. Mijn moeder had op de eerste pagina geschreven: ‘Door dit boek vol met noten, voel je je misschien wat minder klote’. Mijn ouders hadden een bijzonder gevoel voor humor.

Sterilisatie dus. Ik overzag mijn opties. Had ik wel opties? Mijn onderhandelingspositie was belabberd. Mijn vriendin vond, terecht, dat zij haar bijdrage wel geleverd had, dus die weg liep dood. En nietsdoen zou op ten duur tot het onvermijdelijke ­leiden: ‘niet gepland, wel ontzettend welkom’.

Sterilisatie dus. Het kostte weinig moeite om redenen te verzinnen waarom ik het niet zou doen. En dat waren heus niet allemaal gelegenheidsargumenten. Het was nog te vroeg voor zo’n definitief besluit, beweerde ik. Want hoezeer het idee van een derde kind mij ook tegenstond: je weet niet of je daar over een paar jaar hetzelfde over denkt. Het leven kan onverwachte U-bochten nemen.

Voor­sorteren op een midlifecrisis waarin ik er met een jonge blom vandoor zou gaan leek me niet een manier om de conversatie met mijn vriendin gezelliger te maken, en daarom koos ik voor een nog ongezelliger scenario: “Stel nou dat jij en de meisjes bij een auto-ongeluk om het leven komen…” zei ik. Dit neigde naar morele chantage (de vraag ‘Zou jij mij dan nieuw levensgeluk misgunnen?’ liet ik onuitgesproken), maar helemaal ondenkbaar was dit macabere scenario ook weer niet.

©Alexandra España

Doods- en doodsbang

Op het hoogte- of eigenlijk dieptepunt van het gesprek zei ik, met lichte stemverheffing: “Ik ben over de veertig en kalend, ik woon in een nieuwbouwhuis in Nieuw-West, ik rij in een fucking Skoda-stationwagen, mag ik verdomme nog íéts van mijn mannelijkheid behouden?!” Tijdens het uitspreken van deze zin vroeg ik me al af of ik ooit in mijn leven pathetischer had geklonken.

Feitelijk voerde ik een gesprek met mezelf. Mijn vriendin zette geen enkele druk, had begrip voor al mijn twijfels en herhaalde keer op keer: “Als jij het niet wilt, dan doen we het niet.” En al zat in de meeste rationele bezwaren die ik had best een kern van waarheid, wat me het meeste afhield van een besluit was angst. Ik was doods- en doodsbang.

Dat heeft een voorgeschiedenis. Eentje waar ik allerminst trots op ben, maar vooruit, ik schrijf nu toch al een stuk over mijn ballen. Ik heb een zeldzame fobie voor medische aangelegenheden in de ‘mannelijke geslachtsregio’. Wat voor sommige mensen het geluid van nagels over een schoolbord is, is voor mij de gedachte aan medische ingrepen in het kruis.

Twintig jaar geleden viel ik flauw tijdens een soa-test omdat ze een wattenstaafje in mijn plasbuis zouden gaan doen. Mijn toenmalige vriendinnetje werd alleen achtergelaten met een eendenbek tussen haar benen omdat ik in de kamer ernaast bewusteloos op de grond lag.

Ik ben ook ooit flauw­gevallen toen een bevriende arts tot in detail vertelde over een patiënt met een horrorvariant van genitale wratten. Ik ben flauwgevallen tijdens een onenightstand met een Nieuw-Zeelandse backpackster in een hostel in Laos omdat mijn ‘toompje’ scheurde en mijn penis begon te bloeden. In elk geval heeft zij er een mooi verhaal aan overgehouden, mij restte enkel de schaamte.

Niet zo zeiken

Ik vond dat het tijd was om me over mijn angst heen te zetten. In aanloop naar dit besluit was ik meermaals gestuit op de vraag wat ‘man-zijn’ voor mij betekende. Een abstract vraagstuk, dat opeens heel concreet werd. Welk belang hechtte ik aan mijn zaad? Ontleende ik mijn mannelijkheid werkelijk aan het vermogen om sperma te verspreiden? Gut, dan zou het wel erg droevig met mij gesteld zijn.

Zou een operatie, die feitelijk een einde zou maken aan mijn viriliteit, mijn zelfbeeld veranderen? Ik kon het me eigenlijk niet voorstellen. Nee, voor zover ik al een definitie van man-zijn zou hanteren, kwam die eerder neer op begrippen als ‘verantwoordelijkheid nemen’, ‘sterk zijn’ en ‘angsten overwinnen’. En dat was precies wat hier op het spel stond.

Bovenal vond ik dat ik niet zo moest zeiken. Wat mij te wachten stond aan pijn en ongemak zou sowieso in geen verhouding staan tot wat mijn vriendin twee keer had moeten doormaken. Hop met de geit, het was mijn beurt voor corvee. En dus ging ik naar de huisarts. Die gaf mij een folder en een telefoonnummer van de uroloog. De eerste stap was gezet.

Toen ging ik googelen, een slecht idee bij welke medische aangelegenheid dan ook. Ik las over de prik in beide ballen voorafgaand aan de ingreep. Over een ‘trekkend gevoel’ in lies en maag tijdens de ingreep. Over pijn tijdens het lopen na de ingreep. En over kans op ‘chronische pijn in de balzak’ als gevolg van de ingreep. Goeiemorgen zeg, als het een beetje ­tegenzit heb je de rest van je leven pijn in je ballen.

Plaatselijke verdoving

Ik sprak erover met vrienden. Sommigen vonden het een ‘moedig’ besluit. “Ik zou het eigenlijk ook moeten doen, maar ja…” Anderen zeiden dat het nog maar een paar jaar zou duren tot hun vrouw in de overgang kwam en dat het voor hen dus de moeite niet waard was.

Beroepsgedeformeerde vrienden met een medische achtergrond waarschuwden voor huiveringwekkende complicaties bij de operatie. Die waren weliswaar zeldzaam, maar je weet het nooit. Iemand die de ingreep al achter de rug had zei dat het ‘minder erg is dan je vreest, maar erger dan je hoopt’. En allemaal wensten ze me sterkte.

Want uiteindelijk moest ik dit zelf doen. En zo liep ik op een woensdagmiddag in oktober met de borst vooruit, maar met lood in de schoenen het ziekenhuis binnen voor een ‘intakegesprek’. Twee weken later zou de ingreep zijn. De uroloog zou tijdens zijn spreekuur nog een en ander aan mij uitleggen, wilde zeker weten dat ik de consequenties van de ingreep kende en wilde even aan mijn ballen voelen om te controleren of mijn zaadleiders wel op de juiste plek lagen.

De wachtkamer zat vol mannen in de zeventig. De sfeer was bedompt, men zweeg en keek naar de grond. We waren lotgenoten, verenigd door penis en prostaat, maar nu toch vooral bezig met onszelf. Mijn naam werd omgeroepen; een man in een witte jas van mijn leeftijd heette me welkom in zijn kamer. Of ik vragen had over de ingreep. Die had ik wel.

Over de operatie zelf (‘als de zaadleider uit de balzak wordt gehaald, geeft dat een onprettig gevoel’). Over het scenario van chronische pijn (‘iedere ingreep kent risico’s, maar de kans is heel klein, zo’n één procent’). En, iets wat mijn zoektocht op internet ook had opgeleverd, over de mogelijkheid tot algehele in plaats van plaatselijke verdoving.

De uroloog keek streng: “Dit doen we alleen in zeer uitzonderlijke gevallen. Bovendien is er een forse wachtlijst, waar ook mannen met ernstige aandoeningen zoals kanker op staan. Die moeten dan nog langer wachten.” De boodschap was niet mis te verstaan.

“Dan mag u nu uw broek uittrekken en op de behandeltafel gaan liggen.” Deze arts had duidelijk meer te doen vandaag. En terwijl ik zijn koude handen mijn ballen voelde inspecteren keek ik de kamer rond, en zag een vitrinekast waarin een indrukwekkende verzameling scalpels was uit­gestald.

Ik kreeg het plotseling koud, maar voelde tegelijkertijd zweet op mijn rug. O nee toch, ik zou hier toch geen scène gaan trappen? Ik werd licht in mijn hoofd. Ik stond op, trok mijn broek omhoog, en toen ik overeind stond merkte ik dat al het bloed uit mijn gezicht was getrokken.

“Tot over twee weken dan,” zei de man in het witte pak, en opende de deur. “Het gaat volgens mij niet zo goed,” zei ik, en greep me vast aan de behandeltafel. Daar ging ik. Van de minuten erna herinner ik me weinig, behalve dan dat ik me heel vaak excuseerde, de arts heel vaak op zijn horloge en zijn telefoon keek en hij, toen ik weer enigszins onder de mensen was, zei: “Het lijkt me verstandig om de ingreep van over twee weken te schrappen.”

Zelfmedelijden

Op de fiets terug naar huis, nog steeds wat duizelig, maar vooral boos en teleurgesteld in mezelf, zag ik mijn vriendin, met meisjes voorin de bakfiets. Ik werd getroost. “Het maakt niet uit, het is helemaal niet erg, neem het jezelf niet kwalijk, iedereen heeft wel een afwijking.”

De maanden daarna spraken we er ­nauwelijks nog over en gingen we door met het spelen van Russische roulette. De gedachte dat vanwege corona alle reguliere behandelingen in het ziekenhuis ­stillagen, was een geruststelling: nu kon ik er tenminste niks aan doen.

Tot in augustus de telefoon ging. De afdeling urologie van het OLVG. Over zes dagen kon ik geopereerd worden, met algehele verdoving. Er was onverwachts een plekje vrijgekomen op de wachtlijst. Nu was mij totaal ontgaan dat ik überhaupt op een lijst stond, maar dit klonk opeens als een buitenkansje, een bonusaanbieding die je niet kunt laten schieten. Ik stormde de trap af. “Schatje, het gaat gebeuren. Volgende week woensdag. Ik ga het doen.”

En zo ontwaakte ik een week later uit een diepe slaap in een ziekenhuisbed. Ik was platgespoten met propofol, en had niets gemerkt van wat mij was aangedaan. Mijn ballen deden pijn, maar mijn gedachten gingen naar het derde kind dat ik nu definitief niet zou krijgen. De flesjes, de luiers, de doorwaakte nachten: het zou mij allemaal bespaard blijven. Het was volbracht, het reproductieve deel van mijn leven zat er nu officieel op.

Ik schaamde me een beetje voor mijn eigen tevredenheid, maar toen mijn vrouw en jongste dochter met een ballon in de vorm van een hartje de kamer binnen wandelden, was ook dat gevoel al snel ­verdwenen. Strompelend verliet ik het zieken­huis. Thuis aangekomen ging ik in bed liggen en probeerde, als mijn vriendin of dochters mij een kop thee of soep kwamen brengen, met net zo veel zelfmedelijden uit mijn ogen te kijken als ik mijn vader dertig jaar eerder had zien doen.

Voorbereid

Het bleek inderdaad minder erg dan gevreesd. Natuurlijk, het deed nog een paar dagen pijn, maar daar was ik voor gewaarschuwd. En ik kon een week niet fietsen, maar ook dat was mij vooraf verteld. En ja, op de dag van de operatie viel ik, toen ik tijdens het plassen even naar mijn gehavende ballen keek, opnieuw flauw, maar eigenlijk was ik daar ook wel op voorbereid. Ik ken mezelf inmiddels een beetje. Maar de chronische pijn was godzijdank uitgebleven en het ongemak was na een week zo goed als verdwenen.

Was ik meer of minder man geworden? Eigenlijk zou het me worst wezen. Ik heb een Skoda, een nieuwbouwhuis in Nieuw-West een lieve vriendin en twee schattige kinderen. Het is goed zo.