Maaike Bos ging in huiltherapie. ‘Een goed potje huilen werd een uiting van eigenwaarde’

Wetenschappelijk bewijs dat huilen echt oplucht is er niet. Maar wat als je helemaal niet kunt huilen? Journalist en tv-recensent Maaike Bos ging ervoor in huiltherapie.
©Suzan Hijink

“Huil maar”, zei mijn moeder vroeger als ik snikkend binnen kwam met een kapotte knie. Ze hield me vast: “Huil maar.” Dan pas zette ik de keel open. Alsof ik toestemming nodig had mijn pijn en verdriet er eens lekker uit te gooien. Na wat flinke uithalen droogden de tranen vanzelf op.

Het gaf zo’n voldane leegte, en het maakte die schaafwond draaglijker. Waarom houden we dat als we volwassen zijn eigenlijk zo vaak tegen? Zoals zweet fysieke warmte in druppeltjes afvoert, zo laten tranen emotionele oververhitting naar buiten wegvloeien, zo zie ik het voor me. Maar zo simpel is het niet. Rode ogen en natte wangen verbergen we het liefst achter een elleboog of op de wc. Als iemand ze toch ziet, zeggen we sorry om het ongemak weg te nemen. En zelfs bij een zielige film die tranen doet opwellen – chapeau, precies de bedoeling van de makers – knipperen we de ogen droog en hopen dat de ander op de bank niet naar ons kijkt.

In Ghana komen ingehuurde ‘huilvrouwen’ bij een begrafenis luid jammeren om de emoties te versterken. Zij laten ‘de rouw stromen’, zegt de Amerikaanse dichter en schrijver Heather Christle. In haar bundel Het boek der tranen bekijkt ze de rol van tranen vanuit de wetenschap, poëzie, geschiedenis, literatuur, populaire cultuur en gesprekken met vrienden. Die Ghanese huilvrouwen, die ‘helpen verdriet herinneren hoe het tranen wordt’, schrijft ze. Dat lijkt me nou geruststellend als je verdriet hebt. Wij kijken zelfs bij rouwdiensten schalks naar elkaar of we wel proportioneel wenen.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Huil, maar liever wel met mate

Nu is het ouderwetse ‘echte kerels huilen niet’ wel aan het slijten in onze westerse samenleving, want we zien liever authentieke emoties dan opgekropte frustratie. Bij sport mag het sowieso. Voetballers die huilen na uitschakeling op het EK, wielrenner Mathieu van der Poel die schreide toen hij de gele trui in de Tour had bemachtigd, wat zijn opa Poulidor nooit was gelukt. En toen minister Grapperhaus met vochtige ogen reageerde op de aanslag op Peter R. de Vries, maakte dat hem alleen maar menselijker.

Maar het moet wel met mate. Natte ogen gelden nog als kwetsbaar en krachtig, echt huilen associëren mensen met machteloosheid en gebrek aan controle, zeker op het werk, schrijft ‘huilprofessor’ Ad Vingerhoets in zijn literatuurstudie Adult crying, waarin hij al het onderzoek naar dit onderwerp op een rij zette. Breken lijkt een vorm van het gevecht opgeven en dat past niet in ons maakbaarheidsideaal.

Maar flink uithuilen lucht toch ook op? Het zou zelfs gezond zijn, afvalstoffen afvoeren en stress verminderen. Vingerhoets vond er geen bewijs voor. Zelfs die opluchting was niet te bewijzen, bleek uit promotieonderzoek van gezondheidspsychologe Michelle Hendriks. Veel mensen voelen zich na dat grienen en snikken nog net zo verdrietig of somber. Het enige wat huilen echt doet, is anderen sterk stimuleren om je te troosten en helpen, concludeert Vingerhoets. Huilen is nog net als bij baby’s een communicatiemiddel en een instrument om een situatie weer in de hand te krijgen. Zo’n arm om je heen en de opmerking ‘het mag morgen wel af’, doen indirect toch goed.

Topografie van de traan

©rv

Het vervelende aan wetenschappelijk onderzoek aan de hand van hartslag- en bloeddrukmetingen en stemmingsrapportages, is dat het niet altijd de ervaring dekt. Huilen lucht niet op? Draai het eens om: niet huilen, dát laat de kanalen pas verkalken. Iedereen weet dat het snijdende gevoel van verlies er niet van weggaat en dat huilen soms zelfmedelijden aanwakkert, maar de meeste mensen kennen ook die rustige leegte en starende blik als de tranen opdrogen. Na het huilen komt een moment van acceptatie; je hebt even de bodem gevoeld. Dat loop je mis als je je tranen altijd verbijt.

Heather Christle beschrijft hoe een bevriende dichter in zijn transitie van vrouw naar man de mogelijkheid tot tranen verloor. Niet kunnen huilen bij verdriet voelde ‘als een nies die wegebt zonder eruit te komen’. Door het gebrek aan lichamelijke ontlading werd het verdriet vertaald in woede, vertelde hij haar, waardoor hij bij verdriet nu maar ademhalingsoefeningen doet.

Ze komt ook op de verfrissende gedachte dat wetenschappelijk onderzoek naar huilen misschien wel vanuit mannelijk perspectief is gekleurd. Vrouwen hebben een hoger gehalte van het hormoon prolactine, en dat zou deels verklaren waarom vrouwen meer huilen. Christle zocht verder. Het ‘neutrale’ gehalte van dat hormoon gaat na de jeugd bij meisjes omhoog en bij jongens omlaag. Wat zou er gebeuren als die onderzoeker William Frey zijn theorie eens zou omdraaien?, denkt ze. Dan lijden mannen aan een prolactinetekort, en hebben ze daardoor een onvermogen om te huilen.

©rv

Ook al ben ik een vrouw, dat laatste herken ik. Je moet het ook durven, je laten meedeinen op golven waarvan je niet weet waar ze heen gaan. Zelf had ik er een huil-therapie voor nodig om dat te leren.

Voor ik het wist barstte mijn borstkas open

Op mijn zestiende had ik een prima manier gevonden om de nare scheiding van mijn ouders te verwerken. Ik beteugelde mijn verdriet door met hen over hún verdriet en gebroken huwelijk te praten. Huilen? Nee hoor, ik deed aan gevoelens ‘begrijpen’. Tot ik decennia later merkte dat ik helemaal niet meer wist wat ik zelf eigenlijk voelde.

Bij de Amsterdamse psychiater Hans van Wechem mocht ik meedoen aan bondingtherapie, die draait om veilige hechting. Gedachten als ‘ik los het zelf wel op, ik houd me sterk, ik wil niet tot last zijn’, tonen eigenlijk angst dat anderen je afwijzen wanneer je niet aan hun zoete verwachtingen voldoet. Daar bij die therapie leerde ik voelen om de moeite waard te zijn, ongeacht hoe ik me gedroeg.

©rv

Hoe? Door op een mat te liggen met een groepsgenoot boven op me. Licht gedimd, muziek aan, niks meer zeggen, je geborgen en omhelsd voelen. Wanneer anderen begonnen te huilen of schreeuwen kwamen ook visioenen van mijn eigen eenzame momenten boven. En voor ik het wist zwollen de kreten bij mij aan en barstte mijn borstkas open.

‘Huilen of trillen is een instinctieve en gezonde reactie op een erge ervaring, maar uit schaamte houden we die vaak tegen’, schrijft de Amerikaanse biofysicus, psycholoog en trauma-expert Peter Levine in zijn boek De tijger ontwaakt. ‘Trauma overkomt ons niet, Het is wat we onderdrukken bij gebrek aan een empathische getuige’, meent hij. Tijdens de therapeutische sessie, in de omhelzing van die ‘empathische getuige’, was de schaamte overbodig en konden al die opgeslagen emoties er alsnog uit.

Na een tijdje voelde ik de huil uitdoven. Een soort leegte doemde op, naast een andere sensatie. De warmte van die vrouw. Zij wás er nog, ondanks mijn onaangename, ongemakkelijke gejank.

©rv

Niet alleen het huilen luchtte op, ook de angst voor afwijzing sleet. Zo wordt een goed potje huilen, hoe verdrietig de aanleiding ook, een uiting van eigenwaarde, want je bent níet bang voor het oordeel van de ander. Je hebt simpelweg even ontlading nodig, of hulp. Nou en? We leven niet alleen op de wereld, we hoeven niet te ontkennen dat we elkaar nodig hebben. Wie huilt, deelt. Wie huilt, erkent voor zichzelf het recht om een sociaal wezen te zijn. En wie huilt, bevestigt in wezen de ander.

Huil maar, dus. En huil vooral samen. Zoals Ramses al wist in zijn lied: “Niet zonder ons.”

Lees ook: 

Jorien ter Mos, Bram Suijker en Karlijn van der Harst over huilen: Elke traan is anders

Tranen van geluk om een medaille, tranen van frustratie bij een huilbaby of neptranen op het toneel. Wat zit erachter? Een sporter, een acteur en een moeder vertellen.