Lief kind, ik mis je elke dag

Zeven jaar geleden verloor Jan Greven volkomen onverwacht zijn volwassen dochter Aartje. Wat had hij na haar dood in het leven nog te zoeken, vroeg hij zich af.
©Annabel Oosteweeghel

Geregeld ga ik bij haar langs. Het is er mooi. Een wal in het landschap. Daar op het kerkhof. De grens van boerenland en bos. Een verstilde plek. ,,Daar ben ik weer", zeg ik en kom maar meteen ter zake: ,,Ik mis je, ik mis je verschrikkelijk. Elke dag." Tegenwoordig heb ik mezelf beter onder controle, maar de eerste jaren na haar dood kwamen dan meteen de tranen. Een vader die huilt bij het graf van zijn dochter. Zijn enige dochter. Hoe dramatisch wil je het hebben?

Hoe vaak heb ik het de afgelopen jaren niet gehoord: een kind verliezen is het ergste dat een mens kan overkomen. Ik waardeer het medeleven dat uit die woorden spreekt, maar kan ze niet zomaar beamen. Er kan een mens veel aan verschrikking overkomen. Wie zal zeggen wat de ergste is?

Maar erg is het wel. Mijn God (en dat bedoel ik letterlijk), wat is het erg. Op haar graf staat een beeld. Een vrouwenfiguur die van ons wegloopt. Ik strijk altijd even over het bronzen kopje. Of ik haar nog even aanraak. Haar opnieuw moet laten gaan.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

We waren op reis geweest. Het hele gezin. Naar Argentinië. In zo'n toeristische tangoclub in Buenos Aires werd een foto van haar gemaakt. Achteraf gezien twee weken voor haar dood. Nog steeds niet te geloven. Niets dat daarop wees. Ze staat er stralend op. Na terugkeer op Schiphol, een zaterdag, namen we afscheid. ,,Voor volgend jaar houd ik me aanbevolen", zei ze, haar tas over de schouder. We kusten elkaar. Ze liep weg door de stationshal. Het was het laatste wat ik van haar zag.

Deze maand is

dat zeven jaar geleden. Nog golft het verdriet omhoog als ik dit schrijf. Nog weer diezelfde vragen. Waarom is het niet anders gelopen? Waarom geen waarschuwing dat er iets mis was met haar hart? Waarom zij, die nooit ziek was?

Na Schiphol hoorden we niets meer van haar. Dat was niet ongewoon. Ze woonde alleen en liet vaker een tijd niets van zich horen. Maar op woensdag begon ik me ongerust te maken. Ik had haar gebeld. Ze had niet teruggebeld. Niets voor haar. Ik wachtte een dag en ging naar haar huis. Alles dicht, gordijnen gesloten. Ik werd bang. Had geen sleutel. Belde de politie. Die kwam en belde de brandweer. Loeiende sirene. Ladder omhoog naar de eerste verdieping. Een brandweerman klom naar boven, deed het raam open, stak zijn hoofd naar binnen en deinsde meteen terug. Hij knikte. Toen wist ik het: ze is dood.

Na thuiskomst was ze even op bed gaan liggen. Even een tekenfilmpje kijken. Colaatje bij de hand. Haar koffer stond nog onuitgepakt. Toen moet het gebeurd zijn. Een hartaanval. Op haar 38ste. Ik deed de televisie uit. Ze lag er vredig bij, maar was na vijf dagen al wel heel erg dood. Die lieve krulletjes van haar. Niets meer. Hartverscheurend. Ik belde mijn vrouw, die het eigenlijk al wist. ,,Aa is dood", zei ik. Ze kwam meteen. Daar stonden we. Oog in oog met ons dood kind. Ontredderd naast elkaar.

We moesten wachten op de lijkschouwer. Liepen naar een café in de buurt. Ik kende het. Had er een borrel gegeven na mijn kandidaatsexamen theologie. Ik bestelde koffie. Mijn vrouw een biertje. Daar zaten we. Met op 150 meter ons kind. Dood. In haar huis. Het leek een boze droom. Later reden we samen naar huis. In de auto zeiden we niet veel. ,,Nu heb ik geen dochter meer", zei mijn vrouw. Mijn liefste is weg, dacht ik.

Ik ben nooit meer in haar huis geweest. Haar afwezige aanwezigheid kon ik niet aan. Wat had ik er nog te zoeken? Wat had ik na haar dood in het leven nog te zoeken?

In het begin

had ik geen woorden. Gelukkig waren er anderen. Zij verwoordden wat ik niet kon zeggen, namen me bij de hand. Stapje voor stapje. Het stof van het eerste verdriet, de eerste ontreddering ging liggen. Wat ik zag was een troosteloze puinhoop. Wat ik voelde een diep verdriet. Toch was er iets. Eerst nog intuïtief, later helderder. Ik stond voor een keus. Ik kon blijven zitten tussen het puin of ik kon in beweging komen en verdergaan.

Sommigen kiezen voor blijven zitten. Komen nooit heen over de dood van hun kind. Accepteren het niet. Ik respecteer die keus. Ik respecteer alle keuzes om, hoe ook, verder te leven na de dood van een kind of een geliefde. Er is geen goed of slecht. Ieder kiest de omgang met verdriet zoals dat past bij hem of haar. Maar ík voelde dat ik in beweging moest komen. Iets moest doen. In het begin was dat moeilijk. In beweging komen betekent immers achterlaten. Ik moest denken aan een karavaan in de woestijn. Tijdens de tocht is iemand gestorven. Er wordt een graf gegraven. Het lichaam wordt er in gelegd. Even is het stil, dan trekt de karavaan weer verder. Je kijkt nog even om. In het zand is van het graf al haast niets meer te zien.

Dat wil je niet. Zo ga je toch niet om met de nagedachtenis van je kind?

En toch moet je verder, moet je loslaten.

Waarom viel me dat zo moeilijk? Het antwoord op die vraag werd me pas langzaam duidelijk. Haar dood was volkomen onverwacht gekomen. Daardoor was het of we getroffen waren door een blind, willekeurig lot. Een lot dat de spot dreef met alles wat belangrijk was geweest in haar leven. Haar huis was een en al warme gerieflijkheid. Het was of ze een scherm van knusse gezelligheid om zich had opgetrokken. De dood had om die afscherming gelachen en was er dwars doorheen gebroken. De lieve dingen waarmee ze zich omringde, waren betekenisloos geworden. Onthuld in hun kwetsbaarheid. Zonder waarde. Alsof haar leven zonder waarde geweest was. Ik kon pas verder als ik daar de vinger op had gelegd. Wat was de waarde van haar leven? Ik moest laten zien dat de dood een einde had gemaakt aan een bewust geleefd leven. Met een begin en een einde. Zoals al onze levens een begin en een einde hebben. Ook de levens die plotseling, en veel te jong ten einde zijn. Om haar dood te accepteren, moest ik aan haar leven denken als aan een zin- en betekenisvol geheel. Ik schreef een boek over haar leven.

Het was geen

doorsneeleven geweest. Ik probeerde het zo nauwgezet en eerlijk mogelijk te beschrijven. Aartje was geen makkelijk type. Maar je kon wel heel erg met haar lachen. Ze kon naar je kijken of je er niet stond. Ze had een hekel aan kapsones. Weerbarstig was ze, nukkig ook. Je stond in haar boekje of niet. Ze deed precies waar ze zelf zin in had en ging naar eigen inzicht om met de waarheid als haar dat beter uitkwam. Hoe vaak hadden we haar niet gevraagd op te houden met roken. Uiteindelijk was ze gestopt. Zei ze. Om van het gezeur af te zijn, zo bleek. In haar huis stonden overal volle asbakken. Ze had geen relatie en wilde dat klaarblijkelijk ook niet. Er werd wat af gespeculeerd over wat daarvan de reden kon zijn. Afwijking van de norm moet zich altijd legitimeren. Ja, ze was gelukkig ondanks alleen. Hoe vaak hebben we het niet moeten zeggen?

Het boek kwam uit. Drie jaar na haar dood.

Het gemis werd er niet minder door. Ook nu, na zeven jaar, mis ik haar nog verschrikkelijk. Wel werd het verdriet anders. Ik kreeg vrede met haar dood, kon de dood recht in de ogen kijken. Ze had wat van haar leven gemaakt en ze had het heel erg gevonden als wij, haar geliefden, na haar dood niets meer van ons leven zouden maken. Ik hoorde het haar zeggen: 'Dat ik zo ineens doodging, is al erg genoeg. Maak het niet nog erger door niets meer van je leven te maken'.

Door de confrontatie met haar leven, ben ik anders over mijn eigen leven gaan denken. Bewuster. Doelgerichter.

Rouw zag ik vroeger vooral als een denkproces. Iets waar je, zittend op een kussen, mee in het reine kwam. Maar de puinhopen van een leven waarin de dood heeft huisgehouden, lieten zich in mijn geval niet zittend op een kussen wegdenken. Daar waren ze te concreet voor. Ik moest aan de bak met mijn wil. De wil van het leven iets te maken. Ik moest mezelf, net zo min als haar, zien als slachtoffer van een blind lot. Ik moest formuleren waarom zij geleefd had, waarom zij had willen leven, waarom de dood voor haar net zo'n ramp was als voor ons. Daarmee bracht ik in één adem ook onder woorden welke betekenis het leven had voor mij. Ik kon weer blij zijn om het leven. En dankbaar. Dankbaar dat ze er was. Dat ze geleefd heeft op de wijze waarop ze geleefd heeft. Trots. Ik ben trots op haar. Mijn kind. Geen tranen wissen dat uit.

Jan Greven (77) is theoloog en was tussen 1985 en 1998 hoofdredacteur van dagblad Trouw. Later werd hij uitgever van een aantal landelijke dagbladen.

©Annabel Oosteweeghel
Aartje Greven in november 2011, twee maanden voor haar overlijden. ©RV
Cadeautje

Verras je familie of vrienden met hun eigen persoonlijke nieuwssite, gebaseerd op een selectie van hun favoriete onderwerpen. Bekijk hier een voorbeeld van de uitnodiging.