Lessen uit het leven van de honderdjarige Neurenberg-aanklager Benjamin Ferencz: ‘Wraak lost niets op’


Hij deed in concentratiekampen onderzoek naar oorlogsmisdaden, was aanklager bij de processen in Neurenberg en onvermoeid pleiter voor een internationaal strafhof. Benjamin Ferencz, inmiddels 100, kijkt in ‘Negen lessen voor een bijzonder leven‘ op indrukwekkende wijze terug op een vol bestaan.
Benjamin B. Ferencz, thuis in Delray Beach, Florida. ©Getty Images

In Den Haag is een straat naar hem vernoemd. Het voetpad naast het Vredespaleis kreeg in 2017 de naam van Benjamin Ferencz, boegbeeld van het internationaal recht. Een jaar later werd er ook een bank neer­gezet, met in het hout de bekendste ‘slogan’ van de ­Amerikaans-joodse jurist gekerfd; law, not war. Laten we conflicten oplossen via het recht, niet via oorlog, dat is het ideaal dat hem sinds jaar en dag voor ogen staat.

In het onlangs verschenen Negen lessen voor een ­bijzonder leven blikt Ferencz (1920) terug op een lang en bewogen leven: indrukwekkend, eerlijk en met humor. Zoals in het slothoofdstuk ‘Over de toekomst’ waarin hij tips geeft om, net als hij, op een goede manier de honderd te halen. “Roken, drinken en vet voedsel zijn slecht voor je”, schrijft hij, “maar dat weet je zelf ook wel.” Hij stelt ook: “Laat nooit iemand je zeggen dat hij bereid is te sterven voor zijn land. Dat is dwaasheid. Je wilt léven voor je land”.

Aan de telefoon – Ferencz woont in Florida – kan hij soms fel uit de hoek komen, als hij wil overtuigen of zijn ongenoegen uiten. Maar hij begint het gesprek met een kwinkslag. Of de verslaggeefster nogmaals de koning wil bedanken die hem in 2009 de Erasmus Vredesprijs overhandigde voor zijn grote bijdrage aan de ontwikkeling van het internationaal strafrecht.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

In uw boek schrijft u dat een oom, niet blij met uw gedrag, eens zei: ‘Benny wordt of een goeie boef of een goeie advocaat’.

Er klinkt een opgewekte lach: “Ik wist niet wat een advocaat was, maar ik wist zeker dat ik geen boef wilde worden. Dus bleef er weinig keus.”

Echt voor de hand lag het niet dat een arme Joodse jongen uit Transsylvanië rechten zou gaan studeren aan het prestigieuze Harvard.

“Het land bestaat nu niet meer. Mijn ouders zijn vertrokken om te ontkomen aan armoede en antisemitisme. Het was heel verstandig van hen om weg te gaan en een betere plek te zoeken.”

Negen maanden was Ferencz toen zijn ouders met een derde klas ticket – wat betekende dat ze wekenlang op een open scheepsdek moesten slapen – de boot namen naar de VS. In het beloofde land wachtte hen echter bepaald geen gespreid bedje. Het gezin, inclusief Benjamins een jaar oudere zus, kwam terecht in een vochtige kelderwoning in Hell’s Kitchen, een beruchte wijk in New York, niet ver van Times Square. Jarenlang stond het bekend als een van de gevaarlijkste buurten van het land, waar bendes de straten onveilig maakten en ­“criminaliteit als normaal werd beschouwd”.

Hij was al acht toen hij voor het eerst naar school ging, Engels sprak hij nog maar nauwelijks. Maar hij bleek goed te kunnen leren en dankzij een aardige docent wist hij de weg omhoog te vinden. Een beurs bracht hem zelfs tot Harvard Law School, het summum onder de juridische opleidingen in de VS.

In 2009 ontving Benjamin Ferencz (tweede van rechts) de Erasmusprijs uit handen van koning Willem-Alexander. ©Evelyne Jacq

Had u daarbij een rolmodel, iemand aan wie u zich graag spiegelde?

Haast verbaasd; “Nee, eigenlijk had ik niemand.  Maar door de hele atmosfeer waarin ik opgroeide, is mijn interesse in misdaadbestrijding gevoed. Ik heb al heel vroeg geleerd dat misdaad niet loont. En beseft dat je de massa niet hoeft te volgen.”

De Tweede Wereldoorlog bracht Ferencz terug naar de andere kant van de Oceaan. Drie jaar zat hij in het leger (in zijn boek komt naar voren hoe hij ook daar onder het motto ‘blijf zelf nadenken’ zijn eigen weg volgde), hij landde op de kust van Normandië en nam onder meer deel aan de Slag om de Ardennen bij Bastogne. En hij raakte betrokken bij onderzoek naar oorlogsmisdaden. Er kwamen, zo schrijft hij in Negen lessen, op een gegeven moment steeds meer berichten van oprukkende ­geallieerde troepen die mensen waren tegengekomen die er “allemaal uitzagen of ze verhongerd waren en dat ze gekleed waren in lompen en pyjama’s. Dit waren ­uiteraard de gevangenen die gevlucht waren uit de ­concentratiekampen die bevrijd waren”. Aan Ferencz de opdracht om zo snel mogelijk te documenteren wat er in die kampen was gebeurd met het oog op mogelijke ­strafvervolging later.

Ferencz: “Het eerste kamp dat ik bezocht was ­Buchenwald. Het is moeilijk te beschrijven wat ik hier en in andere kampen aantrof. Overal lijken, crematoria die nog werkten, mensen vel over been die in de vuilnis op zoek waren naar een stukje brood, met iedere ziekte die je je maar kunt bedenken.”

U schrijft dat u wat u zag alleen wist te doorstaan door te doen alsof het niet echt was.

“Ik moest doen of het fictie was om me door de verschrikkingen heen te werken. Doen alsof ik op een set in Hollywood was. Het enige wat ik kon denken was: ga naar binnen, verzamel de bewijzen die je nodig hebt en maak dat je wegkomt. Ik werkte steeds op dezelfde ­manier. Ik ging naar de Amerikaanse commandant die de leiding had van een kamp en zei dan: ik kom hier op bevel van generaal Patton en de president van Amerika en heb tien man nodig om de Schreibstube te omsingelen, niemand mag zonder mijn toestemming naar binnen of naar buiten. De commandant zei dan: yes, sir en deed wat hem was gevraagd. Dan had ik meteen toegang tot de kampadministratie, de fundamentele documentatie van wat er in de kampen was gebeurd. De Duitsers werkten zeer systematisch. Ze hadden de namen van de gevangenen, waar ze vandaan kwamen, wanneer ze waren aangekomen. Dat was een goed begin van mijn werk. Op basis van die informatie schreef ik een rapport.”

Een set in Hollywood, kunt u er zo nog steeds op terug kijken?

“Ik ging van het ene kamp na het andere. Het ene was nog erger dan het andere. Ik wil het niet graag toe­geven, maar er bestaat geen twijfel dat ik ben getraumatiseerd. Het valt niet te vergeten. Ik kan er moeilijk over praten. Het verklaart waarom ik de rest van mijn leven bezig ben geweest met het voorkomen dat dit ooit weer kan gebeuren.”

Ferencz voelde die urgentie te meer omdat hij ook zag waartoe mensen die zwaar hebben geleden vervolgens zelf in staat zijn. In zijn boek staat een huiveringwekkende scène van gevangenen die een kampbewaker te pakken krijgen, hem half bewusteloos slaan en dan op een draagbaar in een oven leggen, hem er weer uit halen, weer in elkaar slaan en dat een keer of wat herhalen. “Ik zag het allemaal gebeuren en zie het nog steeds voor me”, schrijft hij. Aan de telefoon zegt hij: “Ik had totaal geen sympathie voor die bewaker, maar wat ik ervan leerde was dat geweld tot geweld leidt, op wraak volgt wraak. En die kan ook vreselijk zijn. Wraak lost niets op.”

Niet lang daarna werd de jonge jurist ingeschakeld bij de reeks van processen die de geallieerden na het eind van de oorlog in Neurenberg organiseerden, als vervolg op het ‘grote’ proces tegen de nazi-kopstukken. Amper 27 was Ferencz toen hij in 1947 aantrad als aanklager in wat wel ‘de grootste moordzaak in de geschiedenis’ is ­genoemd: het zogenaamde Einsatzgruppenproces, waarin 22 SS’ers terechtstonden die betrokken waren geweest bij de moord op meer dan een miljoen mensen, vooral Joden en Roma. Ferencz: “In mijn openingsrede heb ik toen gezegd: Wraak is niet ons doel.” Wat hij wilde be­reiken is dat het proces tot een rechtsorde zou leiden die mensen overal ter wereld bescherming biedt en daarmee oorlog, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid voorkomt.

Met de oprichting van het Internationaal Strafhof in 2002 is daarin een stap gezet, waarvoor Ferencz zich ­onvermoeibaar decennia heeft ingezet. En ja, hij kent ­alle ‘maren’: dat de VS het Hof niet willen erkennen, dat er zelfs een wet is die de president de mogelijkheid geeft alle middelen (oftewel militairen) in te zetten om ­Amerikanen te bevrijden mochten ze in een Haagse cel belanden, dat het Strafhof vooral Afrikaanse leiders op de korrel lijkt te nemen. “Toen ik hiermee begon, zeiden mensen; het is hopeloos, zo’n strafhof komt er nooit. Het is er wel gekomen. Het is niet perfect, maar we moeten ons niet laten ontmoedigen. Daarmee geven we de tegenstanders munitie in handen en dat betekent dat we de volgende generatie opgeven.”

Dat klinkt toch pessimistisch

“Als je me vraagt of ik een pessimist of een optimist ben, dan zeg ik: ik ben een realist. Met cyberwapens kun je het elektriciteitsnet over de hele wereld platleggen. Daarmee kun je miljoenen mensen tegelijk doden. Wij kunnen dat, de Russen, China. Het is dringender dan ooit tevoren dat we onze conflicten op een vreedzame manier oplossen.”

Denkt u dat u niet genoeg gedaan en bereikt hebt?

“Ik voel verschillende dingen. Allereerst: wie denk ik eigenlijk dat ik ben dat ik een eind kan maken aan oorlogsvoering, hoe gek moet je zijn. Oorlog voeren wordt al eeuwen bewierookt. En dan zou deze kleine jongen uit Transsylvanië kunnen zeggen; laten we dat maar niet meer doen. Ik ben me heel bewust dat het zo niet werkt. Maar toch: ik besef dat het gevaar alleen maar toeneemt en dat het grote publiek zich dat niet realiseert. Dus denk ik ook dat ik gelijk heb als ik zeg: stop daarmee. Zoek een compromis, dat is geen teken van zwakte of lafheid. Het is alleen maar redelijk. Zoek een bemiddelaar, ga naar een rechtbank. Als je dat niet doet, wat zijn dan je opties?”

U spreekt vaak met jonge mensen. Wat zegt u hen?

“Iedereen kan iets doen, praat erover met je vrienden, je familie, je leraren, je buren. Bepleit het oplossen van conflicten op geweldloze wijze. Dat is alleen maar rationeel, zeker als je kijkt naar de miljarden dollars die worden besteed aan de modernisering van wapens. In plaats van dat we dat geld gebruiken om mensen te ­helpen. Dat is toch gewoon idioot! Ik verbaas me dat jonge mensen het niet uitschreeuwen: wacht even, betaal mijn opleiding, spendeer dat geld aan medische hulp voor mijn grootouders. Als je niets beters weet dan meer geld uitgeven aan manieren om mensen te doden dan is er echt iets mis.”

U heeft waarschijnlijk niet zo heel veel tijd meer om de wereld te redden. Is dat frustrerend?

“Ik ben er nog! En anders kan ik alleen maar zeggen: kids, ik heb het geprobeerd.” 

©-

Benjamin Ferencz
Negen lessen voor een bijzonder leven. Wijze lessen van de 100-jarige aanklager van de Neurenberg-processen
Unieboek Het Spectrum; 160 blz. €17,99

Lees ook
Het onderbelichte lot van vrouwen in de Holocaust

De ervaringen van vrouwen moeten een plaats krijgen in de geschiedschrijving van de Holocaust, zegt de Britse historica Zoë Waxman. Het maakt het beeld complexer, maar ook vollediger en menselijker.