Laurie Santos geeft ‘happiness-colleges’ aan Yale: ‘Je kunt je eigen staat van geluk veranderen’

Veel van haar studenten zijn ongelukkig, merkte Laurie Santos, hoogleraar psychologie aan Yale. Om hen te helpen, zette ze de collegereeks ‘The Science of Well-Being’ op die een groot succes werd.
Laurie Santos: 'Ik behoor tot de categorie mensen die van zichzelf niet automatisch gelukkig zijn.' ©??Jeffery Salter 2008

Het Silliman College, een van de campussen van Yale, doet aan alle kanten denken aan Harry Potters Zweinstein. Een groot grasveld ligt in het midden van een gotisch gebouwd hof vol mysterieuze hoekjes, gebrandschilderde ramen en zware deuren. De studenten die er wonen slenteren door het hof van de eetzaal naar hun kamers, van de ­bibliotheken naar de colleges.

Laurie Santos is hier sinds twee jaar ­afdelingshoofd. Dat betekent dat de ­43-jarige hoogleraar psychologie tussen haar studenten woont. Eigenlijk kwam het door haar nieuwe woonsituatie dat zij zich zorgen begon te maken. Want zo tussen de studenten viel haar iets op: deze jonge mensen studeerden aan een van de beste universiteiten ter wereld, ze hadden schitterende toekomstperspectieven. En toch waren Yale-studenten vaak niet gelukkig.

Om haar studenten te helpen, zette de hoogleraar vorig jaar de collegereeks ‘The Science of Well-Being’ op. In de reeks behandelt Santos de wetenschappelijke inzichten over welzijn en geluk en geeft ze de studenten oefeningen mee die hen moeten helpen een gelukkiger leven te leiden. De combinatie van studiepunten verdienen en een praktische training in levensgeluk bleek een gouden formule. Met 1.200 inschrijvingen werd het ­‘happiness-college’ het meest bezochte vak in de geschiedenis van de prestigieuze universiteit. We treffen Santos op Skype in haar werkkamer op het Silliman College.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Waarom had de verhuizing naar de campus zo’n impact op uw blik op studenten?

‘Ik werk al vijftien jaar aan Yale, maar tot twee jaar geleden zag ik de studenten alleen vanuit mijn rol als hoogleraar in de collegezalen. Pas toen ik met hen op hetzelfde terrein woonde, zag ik hoe angstig en depressief velen van hen waren. Ik zag jonge, bevoorrechte mensen die keihard gewerkt hadden om hier te komen en vervolgens helemaal niet konden genieten van de bijzondere, maar korte periode die ze hier zijn. Ik vond dat triest, inmiddels kun je echt spreken van een mentale gezondheidscrisis. De cijfers zijn behoorlijk onthutsend. In de VS zegt 40 procent van de studenten te ­depressief te zijn om goed te functioneren, meer dan 60 procent zegt angstig te zijn.’

In Nederland kampt de helft van de studenten met angst- en depressie­-klachten. Hoe komt het dat juist de groep millennials zo gedeprimeerd is?

‘In algemene zin kun je zeggen dat ze veel opofferen in het hier en nu, om later iets te doen waarvan ze denken dat ze er gelukkig van worden. Ze hebben vaak op de middelbare school al hard moeten werken om hier te komen en als ze eenmaal aan het studeren zijn, maken ze zich zorgen over de volgende horde: een goede baan of een goed salaris later, over hun cijfers. Dat gaat weer ten koste van hun sociale contacten en hun slaap.

‘En er zijn voor deze generatie stres­soren bijgekomen. Iedereen zit nu bijvoorbeeld met zijn neus in zijn telefoon, dat is een van de redenen waardoor er veel studenten aangeven eenzaam te zijn. Er zijn veel data die erop wijzen dat veelvuldig gebruik van sociale media ons depressief en angstig kan maken.’

Wat is de psychologische verklaring daarvoor?

‘Ons brein heeft nog geen manier gevonden om goed om te gaan met het observeren van anderen die het beter doen of er beter uitzien dan wijzelf. De mens zit zo in elkaar dat we ons slechter voelen door de successen van iemand anders. Tegelijkertijd voelen we ons niet beter als we iemand op sociale media zien die lelijker is of minder rijk dan wij. Toch scrollen wij vrijwillig door al die berichten. Het tast onze geest aan, zeker als die informatie ook nog eens bewerkt is om een zo positief mogelijk beeld neer te zetten; niemand plaatst een lelijke bikinifoto op Instagram, niemand beschrijft de minder leuke onderdelen van zijn ­vakantie.’

Gebruikt u zelf nog sociale media?

‘Ik zit niet op Instagram. Facebook en Twitter heb ik van mijn telefoon gehaald zodat het moeilijker is om er gedachteloos op te klikken. Toen ik mijn 19-jarige studenten vertelde dat ze van sociale media moesten, staarden ze me wezenloos aan. Sommigen hebben het wel ­gedaan. Eerst vonden ze het vreselijk, maar daarna voelden ze zich beter en verspilden ze minder tijd.’

Wat heeft u verder gedaan om gelukkiger te worden?

‘Ik behoor tot de categorie mensen die van zichzelf niet automatisch gelukkig zijn. Ik beschouw mezelf als wat depressief van nature. Ik moest al die dingen die ik mijn studenten vertelde, zoals meer slapen, dus ook zelf in de praktijk brengen. Ik mediteer meer en besteed meer aandacht aan vriendelijkheid en dankbaarheid. Dat zijn manieren om je dichter bij anderen te voelen. Het klinkt zo suf, maar hoe vaker je dit doet, hoe groter het effect. Ik probeer ook meer ­sociale verbindingen te maken met anderen, dat betekent dat ik mezelf dwing een praatje te maken met vreemden. Dat is best moeilijk voor mensen zoals ik, uit het noordoosten van de VS, waar ze toch wat stugger zijn dan in het zuiden.’

U heeft jarenlang onderzoek gedaan naar cognitie bij primaten en apen, om zo menselijk gedrag te kunnen verklaren. Hoe hebben wij ons zo ongelukkig kunnen ontwikkelen?

‘Natuurlijke selectie heeft een perfect motiveringssysteem opgeleverd voor dingen die moeilijk te krijgen zijn. Daarom kunnen we bijvoorbeeld hunkeren naar vet en zoet eten, vroeger een zeldzame delicatesse, terwijl we die hunkering ontberen voor groente; daar was immers genoeg van. Mijn vermoeden is dat hetzelfde geldt voor sociaal contact: we hebben het nodig, maar we missen die hunkering, omdat we ons hebben ontwikkeld in een omgeving waar er ­altijd mensen zoals familieleden om ons heen waren. Omdat je niet automatisch verlangt naar sociale verbinding, kun je vergeten hoe belangrijk die simpele contacten voor je zijn. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor een deel van het ongeluk dat we nu zien.’

Maar is geluk echt aan te leren door gedragsverandering?

‘Ja, uit onderzoek blijkt dat je je eigen staat van geluk al met een paar simpele tips kunt veranderen. De meeste onderzoekers houden aan dat 40 procent van je geluksniveau iets is dat je zelf kunt veranderen door gedragsaanpassingen. 50 procent van je levensgeluk is ingebouwd, 10 procent wordt bepaald door de omstandigheden waarin je verkeert; of je rijk bent, of in een fijn land zoals Nederland woont.’

Maken we verkeerd gebruik van die 40 procent die we zelf in de hand hebben?

‘Ja, een belangrijk deel van de college­reeks gaat dan ook over misvattingen over geluk. Zo’n hardnekkige misvatting is dat we denken dat je geluk bereikt door jezelf doelen te stellen en die te halen. Het effect van het halen van een diploma, een goed cijfer of een hoog salaris is echter veel minder groot dan we van tevoren denken. Geluk vergt werk.’

En dat doen wij niet uit onszelf?

‘Nee, het ontbreekt ons brein aan motiverende mechanismen om de dingen te doen die ons wél gelukkig maken, zoals het zoeken van betekenisvol contact, en dan bedoel ik niet het contact op je telefoon, maar zomaar iets aardigs doen voor een ander, de tijd nemen om dankbaar te zijn. Dat is geen onderdeel van onze dagelijkse routine, terwijl dat een veel grotere invloed heeft op ons welzijn.’

Is dat niet onoprecht?

‘Vergelijk het met sporten. Je kunt sport haten, maar als je jezelf er eenmaal toe zet, heeft het altijd effect. Vanuit de ­motivatie om je eigen welzijn te verbeteren, dwing je jezelf stil te staan bij waar je dankbaar voor bent of doe je aardig tegen anderen, probeer je meer te slapen. De intentie is misschien wat geforceerd, maar het gevoel dat je eraan overhoudt is wel degelijk oprecht.’

U laat uw studenten ook oefenen.

‘Ja, ik geef concrete strategieën die je in je dagelijkse routine kunt inpassen. Ik noem het rewirements: herbedradingen van ons brein. Tijdens de collegereeks proberen we er gewoontes van te ­maken. Het zijn oefeningen waarvan ­wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat ze het welzijn verbeteren. We doen zelfs mindfulness, waarbij je echt oefent om beter te worden om in het hier en nu te zijn.’

Als het dan zo simpel is, waarom onderwerpt niet iedereen zich aan de wetenschap van geluk?

‘Het probleem is dat we denken dat we vreemd worden gevonden als we actie ondernemen om gelukkiger te worden. Mensen denken dat het geen zin heeft of dat bewust werken aan je geluk een ­platitude is. In plaats van werken aan ­gewoontes die ons gelukkiger maken, willen we een andere baan, een hoger ­salaris of verhuizen als we ongelukkig zijn. Maar het is echt ons gedrag dat ons geluk beïnvloedt.’

Een radicale verandering zoals een grote reis, een andere partner, een nieuwe baan of een verhuizing helpt dus niet?

‘Misschien een beetje, maar uiteindelijk komt het aan op een aanpassing in je ­dagelijks leven. Blij zijn met wat je hebt vergt een andere mindset, je hoeft verder niet zoveel te veranderen aan je omstandigheden. Maar vaak denken we zo niet, en onze cultuur zit al helemaal niet zo in elkaar.’

Wat is er mis met onze cultuur als het op geluk aankomt?

‘De wetenschappelijke inzichten over ­geluk zijn behoorlijk antikapitalistisch, terwijl onze maatschappij zegt: niet ­gelukkig? Koop iets. Er is wel een correlatie van spullen met geluk, maar dat is een negatief verband: hoe materialistischer we zijn, hoe minder gelukkig. Een van de redenen waarom spullen je niet zo gelukkig maken als je denkt, is omdat je eraan gewend raakt. Hedonistische adaptatie heet dat. De eerste week voelt een nieuwe auto nog echt nieuw, maar na één of twee maanden is het gewoon weer een auto. Onderzoeken suggereren dat mensen die meer geld uitgeven aan ervaringen dan aan spullen gelukkiger zijn dan mensen die het uitgeven aan materialistische zaken. Een van de tips die ik onze studenten dan ook geef is om hun geld aan ervaringen uit te geven, ­bijvoorbeeld aan een duur concert of een vakantie. Die ervaringen duren te kort om eraan te kunnen wennen.’

Maar te weinig hebben maakt ook ongelukkig, bijvoorbeeld als je schulden hebt. Is er een goede balans?

‘Omstandigheden doen er natuurlijk toe, maar ze zijn minder relevant dan we denken. Mensen die onder de armoedegrens leven, worden wel degelijk gelukkiger als ze meer verdienen. Maar salaris en levensgeluk lopen niet gelijk op. In de VS is de kritische grens 75 duizend dollar per jaar. Verdien je het dubbele of drievoudige, of win je de loterij, dan profiteert je geluksgevoel daar niet meer van. Ik grap altijd dat mijn studenten zich geen zorgen hoeven maken. De meeste Yale-alumni verdienen dat bedrag al op hun 31ste.’

Maar ze zitten met 40 duizend dollar per jaar aan collegegeld ook enorm in de schulden tegen die tijd. Wie het zelf moet betalen is voor zijn studietijd een kwart miljoen dollar kwijt. Speelt dat niet mee in de spanning die er op het leven van studenten staat?

‘Ik acht het waarschijnlijk dat schulden een rol spelen in de mentale gezondheidscrisis, maar ik heb er geen specifieke data over. Naar mijn idee is er een heel scala aan veranderingen, waaronder de hoge studieschulden, die nu met elkaar interacteren.’

Hebben we een wereld voor onszelf gecreëerd die ons niet per se gelukkig maakt, maar die ons wel op korte termijn kan bevredigen?

‘Ja, kijk naar alles wat er nu rond Kerstmis te koop is. Je ontkomt nergens aan de boodschap ‘koop meer, daar wordt je blij van’. In de Verenigde Staten zijn er steeds meer families die niet alleen een berging in huis hebben, maar ook nog een aparte opslagruimte, omdat al die spullen niet meer in hun woning passen. Opslag is een van de snelst groeiende markten in de VS. Treurig, want de verbinding ‘meer spullen’ en ‘meer geluk’ bestaat dus niet.’

Is de verbinding tussen mensen die naar elkaar kijken en jaloers zijn niet een veel sterkere motivatie om maar te blijven kopen?

‘Ja, nog zo’n domme eigenschap van het menselijk brein is dat we niet in absolute termen denken, maar in referentiepunten. Je denkt niet: ik ben nu zo’n beetje rijk genoeg. Nee, je vergelijkt het altijd met anderen: ben ik zo rijk als de mensen die ik op sociale media of op tv zie? We realiseren het ons niet, maar we zijn in een constante race verwikkeld om die ander bij te houden. Er bestaat onderzoek dat keek naar mensen die een auto konden winnen met hun postcode. De mensen wier buren een nieuwe auto wonnen, waren eerder geneigd om een nieuwe auto te kopen. Het treurige is dat dit mechanisme ook werkt als het niet om echte mensen gaat. De mensen op je scherm ogen vaak rijker, en dus ben je zelf ook geneigd meer te willen uitgeven. Ons brein ziet het verschil niet tussen goede en slechte referentiepunten.’

Waar gaat dit eindigen? Sociale media zullen alleen maar manifester worden in onze levens en we worden niet minder materialistisch.

‘Ik zie het ook zo snel niet veranderen. Maar we realiseren ons wel steeds meer wat de gevolgen zijn van het vele ­gebruik van smartphones en van sociale media. Ik kan me voorstellen dat er uiteindelijk maatregelen genomen worden om het gebruik ervan aan banden te leggen. Denk aan regulering, belastingmaatregelen, waarschuwingen om het gebruik te beperken. Ook het ongebreidelde kapitalisme heeft een grens. Met alle wetenschappelijke kennis die we nu hebben over geluk en welzijn kan het niet langer business as usual blijven.’