Journalist Doortje Smithuijsen, jong en single, heeft het zwaar thuis. ‘Ik word een beetje panisch van het woord ‘lockdown’’

Het is niet zo zichtbaar, maar ook voor jonge alleenstaanden is thuisisolatie afzien. Doortje Smithuijsen analyseert wat de gevolgen zijn voor haar en haar leeftijdgenoten. 
©Jip van den Toorn

Mijn Tamagotchi wil zijn bek maar niet houden. Het is vrijdagavond acht uur en ik probeer me te concentreren op een film. Ondertussen blijft het kleine computervarkentje dat ik Sue heb genoemd maar piepen. Ik heb al op het icoontje voor eten geklikt, op het icoontje voor de dokter, op het icoontje voor lichaamsbeweging: Sue blijft ontevreden. ‘Zeg dan wat je wil’, klaag ik terug, terwijl ik naar de keuken loop om de afwas te doen. Ondanks het irritante gepiep neem ik Sue toch maar mee – hij is mijn enige gezelschap.

Er zijn in Nederland meer mensen zoals ik. Niet per se mensen die praten tegen hun Tamagotchi, maar jonge mensen die op zichzelf wonen – en dus in tijden van zelfisolatie daadwerkelijk geïsoleerd zijn. Uit CBS-cijfers blijkt dat zo’n 26 procent van de 20- tot 25-jarigen alleen woont, en zo’n 28 procent van de 25- tot 30-jarigen. In de quarantaine-berichtgeving gaat het vooral over gezinnen die de hele dag op elkaars lip zitten en bejaarden die geen bezoek meer kunnen ontvangen. Ondertussen zitten dus ook een hoop ‘eenzame jongeren’ thuis, maar die lijken veel minder zichtbaar.

Nooit in mijn eentje

Op zich is het niet zo gek dat je doorgaans minder hoort over eenzame jongeren dan over eenzame ouderen: zoals bij veel twintigers en begin-dertigers die op zichzelf wonen, wordt mijn leven gekenmerkt door de omschrijving alleenstaand, maar nooit in mijn eentje. Ik begin de dag meestal met een wandeling naar mijn yogaschool, vervolgens fiets ik naar een werkplek die ik deel met andere zzp’ers. Daarna is er altijd wel een of andere sociale gelegenheid in de aanbieding – een werkafspraak, een boekpresentatie of borrel – gevolgd door iets als een etentje of feestje. De meeste dagen ben ik uitsluitend ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat in mijn eigen appartement te vinden. Je kunt je afvragen in hoeverre ik daadwerkelijk ‘alleen sta’.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Maar de laatste dagen voel ik me ineens best verbonden met die ‘eenzame ouderen’. Het wegvallen van de horeca raakt alle alleenstaanden op een existentieel niveau: wie geen gezin heeft, of anders een stel huisgenoten, is aangewezen op openbare gelegenheden om zijn sociale gram te halen. Met weemoed denk ik terug aan een week of twee geleden, toen ik nog gewoon uit eten kon, ergens koffie kon drinken, met vrienden naar het café. ‘Het leven was veel beter toen’, zeg ik tegen Sue. ‘Echt zo veel beter.’

Ik geloof niet dat ik de enige ben die in quarantaine geneigd is naast de geijkte dingen – eten, drinken, heel veel wc-papier – ook horecabezoek aan te merken als eerste levensbehoefte. In mijn Whatsapp gaat het vrijwel nergens anders over. ‘Ik zou honderden euro’s geven voor een avondje uit eten’, appt een single vriendin me. Een uur later voegt ze toe: ‘Misschien wel duizend.’

Selfie van Doortje Smithuijsen. ©Doortje Smithuijsen

‘IK WIL WIJN MET MENSEN’, stuurt een vriend die ook alleen woont, in een groep die ‘etentje’ heet, en alleen bestaat om afspraken te maken voor precies dat. Natuurlijk, we weten allemaal dat corona een veel serieuzer probleem behelst dan niet naar de horeca kunnen. Toch lijkt dat het enige waar we aan kunnen denken: met elkaar in het café zitten, en hierover praten, of juist over iets totaal anders.

Terwijl het grootste deel van Nederland zich druk maakt over hoe de dagen door te komen met partner en kinderen, voel ik me vooral sociaal verweesd. ‘Ik zou soms best zin hebben in een heel huiselijke relatie, twee kinderen en een hond of zoiets’, zeg ik ’s avonds laat aan de telefoon tegen een vriendin. Zij begrijpt dat wel, zij is toen de eerste maatregelen werden afgekondigd verkast naar haar ouders. Inmiddels organiseren ze daar al drie dagen op rij spelletjesavond – iets wat ik normaal gesproken haat, maar waar ik nu tamelijk jaloers op ben. Een andere vriendin, ook in de twintig, ook alleenstaand, stuurt me een artikel uit The New Yorker waarin staat dat langdurige eenzaamheid de kans op een vroegtijdige dood met 26 procent vergroot. Ik kijk nog maar eens wie er online is op de app HouseParty.

Gericht op anderen 

In het boek The Lonely Crowd (1950) beschrijft socioloog David Riesman hoe vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw een nieuw karaktertype ontstaat: de other-directed mens, gericht op de blik en goedkeuring van anderen. Niet langer staan in de opvoeding van kinderen tradities centraal, of anders religie of ideologie: kinderen worden meer vrijgelaten, moeten zichzelf vooral ontwikkelen door contact te maken met anderen. Identiteit verandert daardoor van iets wat bepaald wordt door de familie en maatschappij in iets wat je moet vormgeven aan de hand van weerklank uit je omgeving. Latere theorieën over identiteit borduren voort op dit idee van Riesman: de moderne mens, zo is min of meer de consensus, is vooral bezig rollen aan te nemen in verschillende sociale situaties, zodat hij het beeld dat hij heeft van zichzelf – en het beeld dat anderen van hem hebben – in stand kan houden.

Precies die gedachte vormt een deel van de reden waarom alleenstaande millennials als ik ons zo geamputeerd voelen nu we niet meer uit kunnen gaan, nog los van het sociale gemis. Onze identiteit wordt – vermoedelijk meer dan bij alleenstaanden op hogere leeftijd – voor een groot deel gevormd door de restaurants waar we komen, en de mensen met wie we daar aan tafel zitten, door de feestjes waar we zijn geweest, de koffietentjes waar we zitten te werken. We hebben geen gezin om bij te horen, geen religie of stevige set normen en waarden meegekregen vanuit huis en vaak ook geen vaste baan waar je je aan kunt vastklampen – iets wat oudere alleenstaanden doorgaans wel hebben. Van de werkenden onder de 30 heeft slechts eenderde een vast contract, bleek in 2018 uit CBS-cijfers, terwijl dat aandeel onder werkenden van 60 tot 65 jaar 88 procent is.

Het viel me niet meteen op, maar de afgelopen anderhalve week heb ik meer selfies gemaakt dan in het hele jaar ervoor – misschien wel meer dan ooit. Terwijl ik me toelegde op tijdrovende dingen om de dagen door te komen – zelf hummus maken, nog maar een rondje wandelen, die Tamagotchi tevreden houden – maakte ik constant beeldmateriaal om te delen met vrienden. En zij deden precies hetzelfde. Stuurde ik een selfie met mijn pot zelfgemaakte kimchi, stuurde een goede vriendin er precies zo een terug. Stuurde ik een foto van de zoveelste poging me op een boek te concentreren, kreeg ik van een vriend een vergelijkbaar plaatje terug.

Waar we mee bezig waren: onszelf behoeden voor een volledige identiteitscrisis door onszelf alsnog zichtbaar te maken voor anderen. Maar al heel snel werd dat overmatige delen minder. Vriendinnen die me eerst vooral corona-memes stuurden, begonnen nu te bellen om te vragen hoe het ging. Misschien voelden zij hetzelfde als ik: de prioriteit verschoof van identiteitsbevestiging naar echt contact.

Terwijl het gros van Nederland blikken bonen insloeg, begon ik daarom met iets wat ik sociaal hamsteren zou willen noemen: elke menselijke interactie die ik tegenkwam, molk ik maximaal uit. Met een vage kennis die ik tegen het lijf liep op weg naar de supermarkt wist ik een gesprek vol te houden van een half uur – waarvan zeker twintig minuten in stand gehouden door vragen van mijn kant (‘En wat ga jij de komende dagen allemaal koken?’). Een vroegere buurman die ik zag lopen op een plein liet ik beloven dat we een paar dagen later samen zouden gaan wandelen. Mensen die ik via de telefoon sprak voor werk, bronnen, eindredacteuren, wisten binnen een paar dagen zo’n beetje alles van mij, en ik van hen. Net als de PostNL-bezorger trouwens, en de groenteman op de hoek.

©Doortje Smithuijsen

‘Gewoon een knuffel’

Als het eenzaamheidsvirus eenmaal om zich heen slaat, heb je weinig aan een hip café, des te meer aan een goed gesprek. ‘Hoeveel zou je nu geven voor die avond in het restaurant’, vraag ik mijn vriendin via een voicebericht. ‘Minder’, zegt ze. ‘Paar honderd euro maximaal. Maar het liefst wil ik gewoon een knuffel.’

Als ik nu, zo’n anderhalve week in quarantaine, terugdenk aan mijn extreme verlangen naar een avond in het café, geneer ik me een beetje. Het enige waar ik nu behoefte aan heb is een gesprek, face to face-contact. Oké, misschien met een glas wijn erbij. Net als veel andere alleenstaande twintigers heb ik een ‘coronacrew’ om me heen verzameld: een (heel) klein clubje mensen die behalve mij geen anderen zien en met wie ik vlak voor de isolatie inging heb opgetrokken en dus eventueel al heb besmet. Als ik hen omhels voelt het alsof mijn interne batterij wordt opgeladen. Af en toe maak ik op gepaste afstand een wandeling met een vriend of vriendin. Die afspraken zijn het hoogtepunt van mijn dag.

Karaktertypes ontstaan nooit zomaar, schrijft Riesman in The Lonely Crowd – ze worden gevormd door wat de maatschappij nodig heeft. De moderne samenleving vaart bijzonder wel bij other-directed types, die zich aanpassen aan hun omgeving – op de werkvloer, waar mensen de laatste decennia steeds meer één zijn geworden met hun lean-werksystemen en de bijbehorende feedbackloops, maar ook op sociale media, waar platforms dagelijks miljoenen verdienen aan gebruikers op zoek naar bevestiging. De other-directed mens is multi-inzetbaar in het draaiend houden van de maatschappij. Maar hij is ook – zoals Riesman schrijft – weinig autonoom. Hij bouwt zijn identiteit op uit externe factoren, zonder na te gaan wat hij nou eigenlijk zelf zou willen.

Onophoudelijk gepiep

Sue piept ondertussen gestaag door. Misschien hebben mijn Tamagotchi en ik wel meer gemeen dan ik in eerste instantie zou denken. Ook ik piep - in het coronavrije leven - onophoudelijk: om afspraken, om etentjes, om borrels. Om momenten waarop ik gezien kan worden door anderen, en daarmee bevestiging krijg van wie ik ben. Of althans, van wie ik denk dat ik ben. Maar, zo leer ik in deze periode van isolatie, onder dat zenden zonder contact te maken zit een fundamenteler behoefte aan verbinding.

Ik kan het woord ‘lockdown’ inmiddels niet meer horen zonder een beetje panisch te worden. Het idee tot 1 juni – of langer nog – alleen in mijn huis te zitten, zonder de drie leden van mijn coronacrew, zonder de groenteman, zonder PostNL bezorger, zonder vage kennissen die ik op straat in een sociale lasso kan vangen, beneemt me de adem. Met een vriendin maak ik een pact en ik hoor om me heen dat meer jonge mensen dat doen. Mocht de avondklok ingaan, en de straat verboden terrein worden, dan gaan we samenwonen. Alle zelfstandigheid en gevoelens van niemand nodig hebben ten spijt. Voor het eenzaamheidsvirus is niemand immuun. Voor ik het weet, heb ik dat ene nummer van Claudia de Breij in mijn hoofd. En hoewel ik inmiddels meer begrip heb voor mijn Tamagotchi, druk ik toch op Sues resetknop, om hem definitief het zwijgen op te leggen. Als het coronavrije leven straks weer van start gaat, hoop ik dat ik die resetknop bij mezelf ook gevonden heb.