Johan Remkes: ‘De kamer dient zijn gezag terug te winnen’

Of het nu gaat om stikstofbeleid, politieke hervormingen of Den Haag; Johan Remkes (69) is geen ‘miezemauzer’ die verantwoordelijkheid uit de weg gaat. ‘Wie de populariteitsprijs wil winnen, moet niet in het openbaar bestuur.’
Johan Remkes: 'Ik hou er vooralsnog geen rekening mee dat we straks een minister-president Baudet hebben.' ©Jiri Buller

‘Het kabinet en de minister moeten worden geprezen’, zegt een zichtbaar tevreden Johan Remkes op de dag dat minister Ollongren van Binnenlandse Zaken een aantal voorstellen van zijn commissie Parlementair stelsel heeft omarmd, om de kloof tussen burger en politiek te verkleinen.

Politici kunnen voortaan rechtstreeks worden gekozen. De kiezer kan zeggen: díé man of vrouw behartigt mijn belang, mijn streek, díé krijgt mijn stem. ‘Een afscheidscadeautje’, noemt hij het.

Remkes (69) is een man naar wie de politiek wenst te luisteren. Dat gold zijn voorstellen voor hervorming van de politiek, en zeker ook die over terugdringing van de stikstof. Hij was het die voorstelde om 100 te gaan rijden, hij was het die de boeren de bel aanbond. 

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

En passant bijna fungeerde hij ook nog als waarnemend burgemeester te Den Haag, nadat Pauline Krikke er de brui aan had gegeven, in een stad waar de integriteit van het bestuur zwaar ter discussie staat na corruptie-onderzoek tegen twee wethouders, onder wie Richard de Mos.

Waar problemen ontstaan valt al snel de naam Remkes. Terwijl de lijzige VVD’er nog maar net bekomen was van een reeks afscheidsinterviews. In geen tijd werd hij de kop-van-jut van de boeren, en voor vele anderen de man die durfde zeggen waar het op staat: kritisch over de heilige luchtvaart, broertje dood aan vroemvroem, hij die het kabinet kapittelde (‘de vrijblijvendheid is voorbij’) en de vinger wees naar duizenden tractoren die opstoomden naar het Malieveld. Deed dat pijn? ‘Ik ben niet van suiker. Wie de populariteitsprijs wil winnen, moet niet in het openbaar bestuur.’

Zegt het iets over uw politieke verslaving dat we hier nu weer zitten?

‘Nee, die was ik wel voorbij. Ik ben opgevoed met het gevoel dat je je verantwoordelijkheid moet nemen. Ik zat net veilig aan de Noorderhaven in Groningen toen ik werd gebeld voor Den Haag. Mijn vrouw zei: het is twee jaar geleden dat Jozias van Aartsen hier zat en jij hem vroeg waarnemer te worden in Amsterdam. Die stond daar ook niet om te springen. Dus als jij jezelf in de spiegel wilt blijven aankijken, kun je met goed fatsoen geen ‘nee’ zeggen.’

Heeft u voorzien dat het met die stikstof en de stad zo zwaar zou worden?

‘Nee, dat is een samenloop van omstandigheden, daar moet je niet over miezemauzen.’

U trof in Den Haag een precaire, zelfs gevaarlijke situatie aan. Waar begin je?

‘Ik heb als commissaris altijd uitgedragen dat er bij de benoeming van wethouders een screening moet plaatsvinden, en dat de burgemeester daarbij de leiding neemt. Tot mijn stomme verbazing was dat hier niet gebeurd. Ik heb tegen de raad gezegd: dat gaan we vanaf nu anders doen, en de screening geldt ook voor de zittende wethouders. Ik vermoed dat als er eerder onderzoek was gedaan, kwetsbaarheden aan het licht waren gekomen. In Den Haag was ook een verbeterslag nodig in de bestuurlijk-ambtelijke verhoudingen. De cultuur van ambtelijke tegenspraak was hier niet ontwikkeld en dus werd er niet aan de bel getrokken als het mis dreigde te gaan.’

Heeft u dat gerepareerd?

‘Nee, dat lukt niet in een keer. Ik heb het licht in het kippenhok aangestoken. Maar hier ligt voor mijn opvolger nog een taak.’

U heeft als voorzitter van de staatscommissie Parlementair stelsel voorstellen gedaan om de kloof tussen burger en politiek te verkleinen. Minister Ollongren laat het correctief referendum liggen.

‘De eerste reactie van de minister was heel mager, maar dat snap ik wel: het onderwerp is niet afgehandeld bij de totstandkoming van dit kabinet. Maar er is hoop. De minister geeft ruim baan aan de Tweede Kamer, waar inmiddels een initiatiefwetsvoorstel ligt.’

Het is ongebruikelijk dat voorstellen van adviescommissies zo makkelijk worden overgenomen door het kabinet. Ook uw rapporten over stikstof overkomt dat, zij het met de nodige schroom.

‘Dat zie ik ook. Ik ben niet zo naïef om te denken dat het kabinet onze voorstellen per omgaande uitvoert. Maar het is gelukt in een politiek breed geschakeerde commissie tot een eensluidend advies te komen. Dat is pure winst. Het betekent dat het straks terugkomt in de formatie.’

Wat vindt u van de boterzachte duurzaamheidsvoorwaarden die zijn gesteld aan de miljardensteun voor KLM? Dat moet u teleurstellen, u wilde af van vrijblijvendheid.

‘Wij hebben gezegd: bij het terugdringen van de stikstofuitstoot moet ook de luchtvaart zijn bijdrage leveren, anders is de geloofwaardigheid van beleid ver te zoeken. Dat heeft consequenties voor KLM en voor Schiphol. Maar ik zou het onverstandig vinden om langs de lijn van de stikstof de hele sector aan te pakken. De maatschappelijke discussie over vliegverkeer staat los van de coronacrisis. Ik vind het legitiem dat het kabinet heeft gezegd: Schiphol en KLM is als het gaat om staatssteun van vergelijke orde als de bankensector tien jaar geleden.’

Is er in uw denken iets veranderd sinds u met het stikstofdossier bezig bent?

‘Ja. We hebben hier in Nederland zo ongeveer de grootste bevolkingsdichtheid en mobiliteit per vierkante kilometer. Economische activiteit en dierdichtheid idem dito. Dat wringt.

Dit probleem was al bekend in de jaren zeventig van de vorige eeuw. We hebben met open ogen de habitat- en vogelrichtlijn (gericht op het waarborgen van de biologische diversiteit in de EU, red.) ondertekend, en de consequenties ervan stelselmatig naar de toekomst verschoven. Dan komt er uiteindelijk een uitspraak van het Europese Hof van Justitie, de afdeling Rechtspraak van de Raad van State vertaalt dat, en dan blijkt hoe je met de kop tegen de muur bent gelopen.

‘Voor mij is dit een voorbeeld van hoe we aan de ene kant een Europese ziel in ons dragen en aan de andere kant geen keuzes willen maken. We moeten bij Europese richtlijnen en verdragen veel beter de consequenties overzien. Zoals we bij de invoering van de euro ook onvoldoende onder ogen hebben gehad dat er een groot verschil is tussen de Noord- en Zuid-Europese lidstaten.’

De vraag was: wat heeft uzelf geleerd van de stikstofdiscussie?

‘Ik wist natuurlijk wel dat de landbouwsector de olifant in de kamer was. Maar gedurende de werkzaamheden loop je tegen het besef aan dat de vrijblijvendheid eraf moet en het adagium moet gelden: vluchten kan niet meer. In termen van oorzakelijkheid heb ik het nodige bijgeleerd.’

De boeren beschouwen uw rapportages als een aanval op hun identiteit.

‘Er wordt in de sector veel te defensief gereageerd. Je kunt onze aanbevelingen ook zien als een kans. Twintig jaar geleden zat de glastuinbouw in de malheur, daar zijn grote veranderingen tot stand gebracht waardoor nauwelijks nog stikstofeffecten optreden. Dat is een toonaangevend voorbeeld. De agrarische sector moet met andere verdienmodellen aan de slag.’

Voorlopig vinden boze boeren in Baudet de nieuwe hoeder van hun belangen.

‘Volgens mij was Baudet tot voor kort nog nooit op een boerderij geweest. Luister, dé agrarische sector bestaat niet, ze zijn zo verdeeld als de pest. En straks zal je zien dat de taakstelling per provincie verschilt en dat in Brabant iets heel anders moet gebeuren dan in Groningen.’

U zegt: een vrijwillige uitkoopregeling werkt niet. Waarom komt de minister daar dan mee?

‘Ik denk vanwege politieke omstandigheden, want ik heb het idee dat de coalitie hierover is verdeeld. Daarom verwacht ik dat het bij de volgende formatie wordt geregeld. Ik hou er vooralsnog geen rekening mee dat we straks minister-president Baudet hebben.’

Raakte het u dat uw cijfermatige onderbouwing zo in twijfel is getrokken?

‘Dat was door dat Mesdagfonds. Maar die moesten toch later toegeven dat ze zelf fout zaten? Dan denk ik: u roept maar wat. Hier hebben we overigens wel een probleem te pakken. Ik vind dat we op de instituties in dit land moeten vertrouwen. Het gezag van het RIVM werd bij de stikstof ter discussie gesteld en algemeen aanvaard bij corona. Je hoeft aan dergelijke instituties geen absolute betekenis toe te kennen, maar ze vormen wel de basis om ons beleid op te baseren, anders valt iedere zekerheid weg en wordt de ruimte voor ‘Roept u maar’ alleen maar groter.’

Wat vindt u van het niveau van de Tweede Kamer?

‘Ik maak me over een aantal kwesties grote zorgen. Dat is die representativiteit, dat is de hele snelle doorstroming. De gemiddelde zittingsduur in de Kamer maar ook in gemeenteraden wordt steeds korter. Daarnaast zie je de leegloop van de traditionele politieke partijen.

Ik vind dat de Kamer veel te veel intervenieert en op de stoel van het kabinet gaat zitten. Ze moeten daar doen aan wijze zelfbeperking. Het aantal moties, schriftelijke vragen en spoeddebatten is exponentieel toegenomen. Dat heeft te maken met scoringsdrift, de sociale media, de hype. Er zijn inmiddels teveel politieke groeperingen die er belang bij hebben dat er zo weinig mogelijk regels zijn, dat men afhankelijk van de eigen opportuniteit zijn gang kan gaan. Dat werkt ondermijnend. De Kamer dient zijn gezag terug te winnen, en zal dat zelf moeten doen. Maar het vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van de Kamer is bij mij op dit moment niet erg groot.’

Vindt ook u dat de Kamer buiten zijn boekje is gegaan door kritiek te spuien op uw Amsterdamse collega Halsema na de antiracismedemonstratie op de Dam?

‘Ik vind het schandalig dat, of het nu gaat om ambtenaren of burgemeesters, die zich in de Kamer niet kunnen verdedigen, zo over ze wordt gepraat. Ik erger me er kapot aan. Je zag het ook bij de Belastingdienst. Het hoort tot de basale parlementaire en fatsoensregels dat je dat niet doet.’

Is het Kamerlidmaatschap teveel een carrièrebaantje geworden?

‘Bij sommigen. Ze zitten er te kort en dan wordt gedacht: nou, dit is een aardige opstap naar een burgemeesterschap. Ik heb als commissaris bij vacatures Kamerleden langs gehad. En dan vroeg ik: wat maakt u nou zo geschikt voor het burgemeesterschap? Dan werd er vaak lang gezwegen.’

Waar blijft dat erelidmaatschap van de VVD?

Van zijn stuk gebracht: ‘Daar eh…, heb ik in mijn stoutste dromen nooit aan gedacht. Ik wil het gewaardeerd worden voor de dingen die ik vind en doe. Ik zit niet op symbolen te wachten.’