‘De dood is niet van jou alleen, en zo’n ziekte ook niet’

Toen cabaretier en kunstenaar Jeroen van Merwijk (64) te horen kreeg dat hij niet lang meer te leven heeft, dacht hij: hè hè, eindelijk van het gezeik af. ‘Ik voelde vooral opluchting.’

35 jaar lang stond cabaretier Jeroen van Merwijk op de planken. Voor kleine, niet altijd gevulde zaaltjes, dat wel. En soms liepen er halverwege wat mensen weg. Hoewel collega’s hem op handen dragen en critici hem hoog hebben zitten, heeft hij het grote publiek nooit bereikt. Althans, niet zelf, want collega’s als Hans Dorrestijn, Adèle Bloemendaal en Karin Bloemen scoorden wél met door hem geschreven liedjes.

En toen werd hij ziek. Begin februari stuurde hij een mail naar zijn ‘lieve mensen’, waarin stond dat zij ‘het veelzijdige genie en morele kompas dat zich nu al bijna 65 jaar Jeroen van Merwijk mag noemen’ binnenkort zullen moeten gaan missen.

Hoe gaat het nu met je?

‘Heel goed. Geestelijk zeker. Lichamelijk iets minder. Na een optreden van mijn voorstelling Was volgend jaar maar vast voorbij voelde ik ineens wat onder mijn borstbeen, ik dacht dat het mijn maag was. Ik bleek darmkanker te hebben, met uitzaaiingen naar de lever en wellicht nog naar andere gedeelten in mijn lijf. Niks meer aan te doen. Ik heb me er verder niet echt in verdiept, want het boeit me niet zo. Ik heb mijn doodvonnis heel makkelijk aanvaard. ‘Oké’, zei ik toen de arts me de diagnose vertelde.’

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Vroeg je niet: hoelang heb ik nog?

‘Dat wel. Als ze niks deden, had ik nog twee maanden, met behandeling kon dat misschien worden opgerekt tot twintig. Dat vond ik wel de moeite waard. Twee maanden is wel erg weinig. Dan krijg je zo’n hele optocht aan mensen die afscheid willen komen nemen, en dan ben je daar tot aan je dood de hele dag mee bezig. Als ik wat tijd kan kopen, gaan we dat maar doen, dacht ik.’

Vriendin Ciska Dresselhuys zei dat je eerst geen behandelingen wilde. Volgens je tweelingbroer Vincent heb je die beslissing herzien voor je vrouw en 87-jarige moeder.

‘In eerste instantie dacht ik inderdaad: ik ga niet aan dat hele circus beginnen. Maar de dood is niet van jou alleen, en zo’n ziekte ook niet. Die heb je met je vrouw, met je familie, met de mensen om je heen. Je kunt er niet zomaar tussenuit piepen, dat is niet eerlijk. Nu kan ik tussen de chemo’s en de radioactieve pillen door rustig afscheid nemen van de mensen die me dierbaar zijn. 

‘En ik ben nog van plan om een boekje te gaan schrijven, Kanker voor beginners. Want er komen allemaal dingen op me af waarover ik nooit eerder heb nagedacht. De onderzoeken die je krijgt, bijvoorbeeld, zijn best curieus. Bij een coloscopie gaan ze met een cameraploeg via je anus je darmen binnen. Dat soort dingen wil ik allemaal op een luchtige manier opschrijven. Zodat er ook wat te lachen valt. 

‘Ik krijg ineens ook opvallend veel lieve briefjes en boeketten van mensen van theaters enzo, dat gebeurt nooit als je geen kanker krijgt. In die zin heeft de ziekte me tot nu toe alleen maar goede dingen opgeleverd. Allerlei mensen vertellen me nu dat ze me goed vinden, wat ik helemaal niet wist. Dat is ook weleens leuk om mee te maken. Het is wel een heel ingewikkelde manier om wat complimentjes te krijgen.’

Volgens je vrienden is er sinds de diagnose een last van je schouders gevallen.

‘Ja, opluchting is het eerste dat ik voelde toen ik hoorde dat ik terminaal ziek was. Hè hè, eindelijk van het gezeik af. Je moet je voorstellen dat ik al veertig jaar lang elke dag probeer iets te maken wat ik leuk vind, en wat de mensen leuk vinden. Maar het aantal mensen dat mijn werk leuk vindt, is altijd beperkt geweest. Ik heb altijd moeite gehad om rond te komen. Dan ben je op een gegeven moment gewoon moe, doodmoe.’

Je vrouw Jeannette denkt zelfs dat je daarvan kanker hebt gekregen.

‘Daarvan ben ik ook overtuigd. Je kunt ziek worden van de vermoeidheid en de frustratie van het steeds maar weer opnieuw ideeën voorleggen, die niemand wil hebben. Ik heb de afgelopen jaren zóveel dingen bedacht, die zijn afgewezen. 

‘Bijvoorbeeld een tv-serie over een rusthuis voor terminale cabaretiers, Hospice Pisuisse. Pisuisse was de eerste cabaretier van Nederland, hij zong het lied Mensch, durf te leven, dat werd nu Mensch durf te sterven. Niemand wilde het hebben. Terwijl het toch een ontzettend leuk idee is. Maar ja, het is anders dan wat je normaal ziet. Dat lijkt mij juist de bedoeling, maar blijkbaar denken ze in Hilversum niet zo. 

‘Tegenwoordig verzint iedereen een variant op iets wat al succes heeft. Het gaat in Hilversum maar om één ding: kijkcijfers. Als er naar programma’s over modder zou worden gekeken, zouden ze de hele dag programma’s over modder uitzenden.’

Volgens Herman Finkers heeft het er ook mee te maken dat je nogal compromisloos bent, waardoor je bij het grote publiek niet bent doorgebroken. Hij vertelde dat hij in zijn voorstelling Na de pauze in eerste instantie op zo’n manier over zijn kanker vertelde dat mensen het te heftig vonden en wegliepen. ‘Níéts aan veranderen’, zei jij. ‘Als de mensen het niet begrijpen, is dat hun probleem.’ ‘Maar dan pas ik het toch aan’, vertelde Finkers. Het leek hem een zware opgave om mensen steeds weer de zaal uit te zien lopen.’ 

‘Je moet niet bang zijn om mensen te zien weglopen. Veel ­cabaretiers kijken wat een zaal leuk vindt, die doen try-outs en flikkeren alles eruit wat het publiek niet leuk vindt. Ja, hé, zo kan ik het ook. Een zaal in een deuk laten liggen, is het makkelijkste wat er is. Maar daar gaat het niet om; je moet juist iets zeggen wat ze nog niet wisten. Dat vinden ze dan meestal niet leuk, dus moet je dat zo zeggen dat ze toch ernaar blijven luisteren. Alleen, de meeste mensen kunnen tegenwoordig niet veel meer hebben. En wat wil je, als je op radio en tv nooit iets tegendraads hoort.’

©Martin Dijkstra

Noem eens iets waardoor mensen kwaad wegliepen?

‘Ik heb een keer een lied gezongen als Herman van Veen, die kan ik vrij goed nadoen. Het lied begon heel onschuldig, het ging over een Jodenjongetje. Het lied eindigde in een concentratiekamp vol ellende. Omdat het publiek in het begin al om mijn Herman van Veen-imitatie had gelachen, waren ze min of meer medeplichtig. 

‘Ik hoorde die lach langzaamaan veranderen, eindigend in een loden stilte in die zaal, terwijl ik maar bleef doorgaan op mijn Herman van Veen-toon. Er was helemaal niks meer aan, haha. Dat was zo goed! Woedend waren ze, wóédend. Dat moet je wel durven, je kunt dan niet zeggen dat het een geintje was, je moet die hele gifbeker leegdrinken met die zaal.

‘Cabaret moet gevaarlijk zijn. Ik kom ook altijd vrij ontheatraal op. Ik speel iemand die tegen zijn zin op het podium staat, die denkt: als ik die zaal zo gauw mogelijk leegspeel, heb ik nog iets aan de rest van mijn avond. Sommigen zien de ironie niet en geloven dat. Dan ben je gewoon niet goed bij je hoofd. Dan moet je oprotten, dan moet je naar Jip en Janneke gaan kijken, niet naar mij.

‘Ik zeg de mensen in de zaal dan ook eerlijk dat het trutten zijn. Natuurlijk, het is niet leuk om naar het theater te gaan en daar te horen dat je een trut bent, maar het is wel waar. Veel mensen willen blind zijn, die willen helemaal niet de waarheid horen.’

Gevolg is wel dat jullie al vijf jaar niet meer op vakantie zijn geweest. Je vrouw vertelde dat jullie serieuze financiële zorgen hebben.

‘Ja, dat krijg je als je niet op tv bent met je programma’s, en als je geen gelegenheid krijgt om je boeken te promoten. Ik heb het afgelopen jaar elke dag een liedje geschreven, die zijn gebundeld in Was volgend jaar maar vast voorbij

‘Een jaar lang schreef ik op mijn Facebookpagina elke dag een tekst op rijm over een actuele gebeurtenis of ontwikkeling, dat is nogal wat. Ik denk niet dat er in Nederland iemand rondloopt die dat kan. Maar er is niet veel waardering voor. Dat boek wordt tot nu toe ook nog niet goed verkocht. Dat heeft niks met kwaliteit te maken, dat ligt er puur aan dat ik niet zichtbaar ben op radio en tv, dan besta je niet. 

‘Laatst kreeg ik wel een uitnodiging voor Tijd voor Max. De dag van tevoren werd ik afgebeld, omdat ze iets leukers konden krijgen. Dat bleek een vlogmeisje dat voor het eerst een liedje had geschreven. Dan vinden ze het raar dat ik zeg: ik kom nooit meer. Freek de Jonge is ook drie keer op het laatste moment afgebeld door De Wereld Draait Door, maar Freek heeft een andere pijngrens dan ik, die gaat er de vierde keer gewoon zitten. Ik zou na de eerste keer al zeggen: steek dat hele programma maar lekker in je reet. Dan maar geen volle zalen.’

Snap je waarom je niet voor talkshows wordt uitgenodigd?

‘Absoluut niet. Want als je iets wilt horen wat je niet elke dag hoort, moet je mij hebben. Alleen is dat niet de bedoeling van talkshows, die willen een grote familie. Talkshowtafels lijken op Urk, daar zie je ook steeds dezelfde mensen. 

‘Ach, ik weet het niet. Ik ben opgehouden erover na te denken waarom ik niet wordt uitgenodigd en daarvan de logica te snappen, want dan word je helemaal gek. Alleen, het is onmogelijk om je hoofd boven water te houden als je nooit op tv bent. Want op een gegeven moment komt er niemand meer kijken, omdat ze je niet kennen. Er is geen nieuwe aanwas. Ja, nu ik kanker heb kan ik de kankercabaretier worden. Nu krijg ik vast kijkfiles en ramptoerisme. Ineens krijg ik ook een interviewaanvraag van de Volkskrant. Het voordeel van kanker hebben is dat je een slachtoffer bent. En tegenwoordig moet je slachtoffer zijn om aandacht te krijgen.’

Volgens je tweelingbroer Vincent is het dwars zijn en blijven zeggen wat je vindt haast een vorm van zelfvernietiging. Hij denkt dat het jouw onzekerheid is die ervoor zorgt dat je steeds wilt laten zien hoe slim je bent. Je zegt ook heel graag tegen mensen dat je gymnasium hebt gedaan. 

‘Nee, joh! Dat gymnasium interesseert me werkelijk de rozen. Het is alleen leuk om op het podium te zeggen dat je gymnasium hebt gedaan en daarmee die zaal als een soort sukkels neer te zetten. Het is de bedoeling dat de zaal denkt: wat een lul is dat, maar hij heeft wel gelijk. 

‘Wat mijn broer zegt over mijn onzekerheid is waar. Ik heb niet een heel hoge eigendunk. Ik heb eigenlijk een heel lage eigendunk. Maar ik heb een hogere eigendunk gekregen door wat ik heb gemaakt. Ik heb mezelf als het ware gesublimeerd in mijn werk. Dat is het mooie van kunst: je kunt iets maken dat beter is dan jij. Dat heeft me in mijn leven veel opgeleverd, al heeft het ook veel pijn en moeite gekost. 

‘Het heeft me overtuigingskracht gekost om mezelf goed genoeg te vinden om naar de kunstacademie te gaan, maar ik heb het toch gedaan. Dan moet je ook een kerel zijn, vind ik. Dan moet je niet blijven mekkeren. Ik ben cum laude afgestudeerd, daarna heb ik me voorgenomen: ik ga niet meer aan mezelf twijfelen. Klaar. Ze zullen daar wel niet gek zijn, ik zal er wel talent voor hebben. 

‘Dat geldt ook voor mijn liedjes. Ik luister eigenlijk nooit iets van mezelf terug, maar door mijn ziekte heb ik nu een soort vakantie. Af en toe zet m’n vrouw nummers van mezelf op, die ik in geen jaren meer heb gehoord. Dan denk ik: godverdomme, dat lied zit goed in elkaar. Dat ze mij niet elke maand hebben gevraagd een liedje te komen zingen bij DWDD, vind ik onbegrijpelijk.’

©Martin Dijkstra

Je tweelingbroer zei dat hij je aardigheid en aandacht zal missen, maar je betweterigheid en ‘het hard om zich heen slaan als hij kritiek krijgt’ absoluut niet.

‘Ja, maar hij is mijn tweelingbroer, hè. Daar zit veel concurrentie bij. Ik denk dat ik van niemand ter wereld zoveel houd als van hem, maar ik weet dat hij op sommige momenten moeite met me heeft. Op het podium heb ik voor een betweterig type gekozen, daarmee moet je dan ook weleens oefenen in het dagelijks leven.’

Herman Finkers vertelde dat je juist zo’n trouwe en warme vriend bent.

‘In het dagelijks leven ben ik een heel zachte, onzekere, lieve man. In het dagelijks leven kun je echt lachen met mij.’

Dan vind ik het toch moeilijk te begrijpen waarom je op het podium kiest voor een vorm waardoor mensen denken: wat een eikel!

‘Dat is gewoon loyaal zijn aan je vak; een cabaretier moet een lul op een podium zijn! Ik wil mensen vertellen hoe de wereld in elkaar zit. En dat doe ik niet voor mijn eigen lol, want ik weet het al. Veel cabaretiers maken programma’s voor zichzelf. Een slechte artiest komt wat halen, een goede artiest komt wat brengen. Ik kom wat brengen. 

‘Ik ben er niet voor om aardig te worden gevonden. Ik heb meer hersens dan de meeste mensen en ik kan goed formuleren, dan heb je een verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij om ook dingen te vertellen die tegen de haren in strijken. En dat zou iedereen moeten doen die op een podium staat. In plaats van je vege lijf te redden en die mensen alleen maar aan het lachen te maken.’

Je broer Vincent zei: ‘Jeroen dacht dat hij de wereld beter kon maken, het bijt wel als dat dan niet lukt.’ Dat lijkt me best wrang dat je het beste voor de wereld wil, maar dat de wereld dat niet doorheeft. 

‘Ja...’

De eerste stilte valt in het gesprek.

‘Ja, dat is eigenlijk mijn leven... Dat wordt me natuurlijk ook vaak verweten, of er wordt om gelachen. Zo van: daar heb je Van Merwijk weer. Het is niet anders. Als kunstenaar ben je nou eenmaal een einzelgänger. En kunst maak je op leven en dood. Het is het enige wat de moeite waard is om echt voor te sterven, vind ik.

‘Als kunstenaar heb je ook vaak een zekere voorzienigheid. Je intuïtie fluistert je dingen in zonder dat je het weet. Toen ik Hospice Pisuisse verzon, wist ik nog niet dat ik zelf een terminale cabaretier was. In mijn vak, als kunstenaar, ben je vaak dingen voor. Zonder dat je het weet. Ik had het in mijn voorstelling al over de economische crisis ruim voordat die er was. 

‘Vorig jaar bedacht ik de titel voor mijn voorstelling: Was volgend jaar maar vast voorbij. Dat heeft met terugwerkende kracht ook een heel andere betekenis gekregen. De achterliggende gedachte was eigenlijk dat alle jaren op elkaar lijken; elk jaar is het weer Pasen, elk jaar weer 1 april, je kunt het van tevoren uittekenen. Hier en daar hebben we dan het coronavirusje, af en toe is er wat leuks dat de zaak even kleur geeft in zo’n jaar. Nog steeds blijkt – ook dit jaar – in veel opzichten precies hetzelfde als vorig jaar.’

Zie je het coronavirus als iets dat dit jaar een beetje kleur geeft?

‘Het is wel iets groots, maar we maken er ook iets groots van. Dus dan wordt het vanzelf groot. Dat is met veel dingen zo. Als je er maar genoeg over lult, wordt het vanzelf belangrijk. Aan covid-19 gaan mensen dood, dat is natuurlijk niet leuk. Na de Spaanse Griep was de bevolking een stuk gezonder, omdat alle zwakke exemplaren de pijp uit waren gegaan. Zo kun je het ook zien. Maar dit wordt zeker het jaar van corona. Er worden geen oudejaarsconferences geschreven zonder het woord ‘corona’. Ik zou het dan juist leuk vinden om het er helemaal niet over te hebben.’

Je bent niet alleen als liedjesschrijver productief geweest, ook als kunstenaar. Je hebt altijd gezegd: als ik doodga verbrand ik al mijn schilderijen. Ga je dat nu doen?

‘Ik ben al begonnen. Ja, wat moet je ermee? Dat is de consequentie van als niemand nog kunst koopt. Niemand koopt ooit een schilderij, dat vindt men te duur. Een vakantie naar Thailand is net zo duur, maar dat doen ze dan weer wel. 

‘Het verbranden gaat alleen moeizamer dan ik dacht. Ik heb die schilderijen zo goed geschilderd dat er moeilijk zuurstof bij de olieverf kan, waardoor het heel langzaam gaat. Ik dacht dat ik ze allemaal op een grote hoop kon verbranden, maar ik moet ze heel voorzichtig stuk voor stuk verbranden. Ook wel weer iets voor mij, zelfs het verbranden van mijn werk lukt me niet.’

Toch ben je ook nieuw werk aan het maken. Als Jeroen ook maar even iets van energie voelt tussen de chemo’s zit hij meteen te tekenen, vertelde Jeannette.

‘Ja, ik leef voor mijn kunst. Dat is voor mijn omgeving misschien niet leuk om te horen, maar het is wel waar. Je kunt een kunstenaar niet verwijten dat hij moet schilderen of schrijven, anders gaat-ie dood.’

Ben je om die reden ook nooit aan een gezin begonnen?

‘Ik vind dat mensen zoals ik zich niet moeten voortplanten. Dat is mijn diepgewortelde gevoel van onzekerheid, denk ik. Het enige wat m’n leven de moeite waard heeft gemaakt, is mijn werk.’

©Martin Dijkstra

Zou je het niet leuk vinden als er nog meer Jeroen van Merwijkjes op deze aardbol rondliepen?

‘Nee, juist niet! Mensen als ik moeten er niet te veel zijn. Je moet zo’n moeite doen om je bestaan te rechtvaardigen. Dat is niet gezond. Het is de voornaamste reden dat ik nooit kinderen heb willen nemen. Ik heb nooit gedacht: zoiets als ik moet zich voortplanten. Nooit. Ik heb een hekel aan mezelf.’

Waaraan dan?

‘Aan alles: m’n uiterlijk, m’n gedachten, de moeizaamheid waarmee ik leef en heb geleefd. Ik ben altijd erg dankbaar geweest dat ik vrouwen heb kunnen vinden die van me hielden. Ik ben gewoon een ingewikkeld figuur. Ik heb vroeger erg gestotterd. Als klein jongetje had ik nooit kunnen denken dat ik dit leven zou hebben. Ik had nooit gedacht dat ik op een podium zou durven staan, ik was zo schuchter, bang en stotterend.’

Waar komt die zelfhaat vandaan?

‘Nou, dat zou ik weleens willen weten. Ik weet het ook niet. Het is een gave.’

Een gave?

‘Ja, want het is ook de motor van mijn werkdrift. Ik heb een hekel aan mezelf, maar ik heb geen hekel aan wat ik heb gemaakt. Ik vind jezelf voortplanten ook helemaal geen kunst, dat kan een aap ook. Het enige waarin de mens zich onderscheidt van dieren, is kunst.’

Tien minuten nadat je broer Vincent was geboren, riep de huisarts: ‘Hé, daar komt er nog een!’ Je zou kunnen psychologiseren dat je vanaf het allereerste begin je bestaansrecht hebt moeten bevechten.

‘Er bestonden in die tijd nog geen echo’s en de hartjes van Vincent en mij klopten precies tegelijk, dus ik kwam inderdaad volkomen onverwacht. Maar ik denk dat het gewoon aanleg is geweest. Ik heb geen jeugdtrauma’s, ik ben opgevoed in een heel warm en liefdevol gezin. Met drie broers en mijn zus woonden we op Kanaleneiland in Utrecht. Die enorme werkdrift is wel een Van Merwijk-trekje. Dat hebben we van onze vader, die was precies zo. Alles voor het werk.’

Je vader is jong overleden. Ging hij net zo relaxt dood als jij?

‘Hij ging voor een bypassoperatie naar het ziekenhuis, die is goed gegaan, maar hij is plotseling overleden door een bacterie in het ziekenhuis. Dus hij heeft nooit geweten dat hij doodging, ineens raakte hij in coma. Maar goed, anders was hij denk ik ook niet heel oud geworden. Mijn vader rookte altijd. Die nam één trekje van een Camel zonder filter en verbrandde meteen zijn vingers. Die man rookte niet over zijn longen, maar over zijn voeten.’

Heb je eigenlijk al een keer gehuild om het feit dat je kanker hebt en doodgaat?

‘Nee. Ik voel helemaal geen kwaadheid, droefheid, niks. Ik heb wel gehuild om mijn vrouw, toen ik zag hoe verdrietig het voor haar was, en toen mijn tweelingbroer brak. Dat ging dwars door mijn ziel. Ik ben blij dat ik niet in hun schoenen sta, en dat ik geen rede hoef te houden aan het graf van mijn broer. Alleen daarom al ben ik blij dat ik eerder de pijp uit ga dan hij, want dat lijkt me het allermoeilijkste wat er is. Tweeling-zijn is zoiets raars. Je bent altijd met z’n tweeën, hebt altijd dezelfde kleren aan. Dat is allemaal heel koddig, maar maakt het afscheid nemen erg zwaar.

‘Voor Jeannette hoop ik vooral heel erg dat de zaken ineens gaan lopen als ik sterf. Zij heeft als ik overlijd geen werk meer, want ik ben haar baan, zij is mijn manager. Mocht mijn werk na mijn dood ineens ontzettend aanslaan, dan kan zij daar nog tot in lengte van dagen van leven, want ik heb meer dan genoeg gemaakt. Ik denk dat mijn liedjes na mijn dood een grotere impact zullen hebben dan nu. Ik zal wel weer zo’n kunstenaar zijn die pas na zijn dood wordt gewaardeerd.

‘Ik heb ooit het liedje Nog even geschreven. Dat gaat over wat er gebeurt als iemand doodgaat. Dat diegene dan allerlei dingen wordt toegedicht, die hij helemaal niet had. Nog even, en je kunt geweldig zingen. Nog even en je was altijd bescheiden. Nog even en je kon alles, over water lopen, zweven. Nog even en je leeft voortaan als een godheid in ons voort. Ik hoop dat dat bij mij ook gebeurt.’

Als je per se een liedje van jezelf moest kiezen voor op je begrafenis, welke wordt het dan?

Koppig bergvolk van Burundi. Dat heb ik geschreven naar aanleiding van de NRC-kop: ‘Koppig bergvolk Burundi weigert concessies’. Dat is echt een heel leuk lied, en toepasselijk. Ik denk dat als ze dat op mijn begrafenis draaien, er absoluut wordt gelachen. En dat vind ik belangrijk. Want ik sta dan wel bekend als een chagrijnige cabaretier, ik heb in mijn leven ook ontzettend veel gelachen tijdens het maakproces. Ik heb nooit mijn kont verkocht, en toch heb ik heel veel dingen kunnen doen. Maar mijn tijd is voorbij, zo stom is het.’

©Martin Dijkstra