Jasper van Kuijk blikt terug op zijn jaar in Zweden. ‘Voortaan zullen we altijd iets missen’

Jasper van Kuijk, cabaretier en de innovatie-expert van de Volkskrant, woonde met zijn gezin een jaar in Zweden. Nu is hij terug, maar het jaar heeft veel losgemaakt.
©Tzenko Stoyanov

Een jaar lang woonden en leefden mijn vrouw, drie zoons en ik in Zweden, het land van mijn moeder. Mijn bonusland. Een kans om de Zweedse taal en cultuur beter te leren kennen. Ook konden we zo de drukte en dynamiek van het leven in de stad een jaar verruilen voor de rust van het platteland, een idee waar we in Nederland al eerder mee hadden gespeeld.

Voor mij persoonlijk was het goed om uit de mallemolen te stappen van elke twee jaar een nieuwe cabaretvoorstelling maken en een keer de jaarlijkse universiteitscyclus, met elk jaar dezelfde evenementen en vakken, over te slaan. Ook omdat ik, met columns, cabaret, universiteit, boeken schrijven, en na drie kinderen, een verhuizing, drie verbouwingen en een bruiloft, misschien wel een beetje aan mijn taks zat.

Het jaar maakte een hoop van onze verwachtingen waar. Maar het bracht ons ook dingen die we totaal niet hadden zien aankomen.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Natuurlijk liep niet alles zoals gehoopt. We hadden de mildste winter in tien jaar en dus viel de hoeveelheid sneeuw tegen. Niks langlaufen en schaatsen op het meer, en de speciaal aangeschafte Zweedse turbo-slee met stuur is vooral gebruikt tijdens de skivakantie 200 kilometer noordelijker. En ja, corona. Want er waren wel degelijk maatregelen in Zweden. Dus dat betekende geen paasvakantie in de prachtige archipel van Stockholm, geen bezoek aan mijn broer in Gotenburg en beperkter contact met vrienden en buren, want geen (verjaardags)feestjes en jaarlijkse dorpsdag. Aan de andere kant: we zaten op het platteland in een van de minst getroffen provincies, hadden een tuin ter grootte van een voetbalveld met daarachter nog een bos en een meer, en de school bleef open. We hadden geen betere plek kunnen bedenken om de coronacrisis door te komen.

En ja, soms waren we doodmoe van al het geregel en de nieuwe indrukken. In het begin moesten we Zes een keer bij school onder de trap van de eetzaal vandaan halen, omdat hij volledig was dichtgeklapt. Toen hebben we ons echt afgevraagd wat we hem aandeden.

Maar over het geheel genomen was het jaar beter en mooier dan we hadden gehoopt. Een schooltje met in totaal vijftig leerlingen en klassen van twaalf à dertien kinderen. Bijna elke dag ontbijten met reetjes in het veld tegenover ons huis. Een oude versnellingsbrommer kopen en opknappen (wat tot mijn verbazing nog lukte ook, terwijl ik van tevoren maar half wist wat een carburateur was). Na een werkdag in onze kajaks naar een verlaten strandje peddelen om met z’n vijven worstjes te grillen. Onze eigen groenten verbouwen in een zelfbouwkas, frambozen en rabarber uit eigen tuin, zelf brood bakken.

Nooit zag ik mooiere zonsondergangen en luchten dan het afgelopen jaar. We kregen bezoek van elanden, hazen, vossen, valken, kraanvogels en zelfs een wolf dan wel lynx (dat is nooit helemaal opgehelderd). Ons huis in Delft is fijn, maar ik heb nooit mooier gewoond dan daar in Zweden in dat rood-witte huis op de heuvel.

Uit onderzoek blijkt dat je hartslag en stressniveau dalen als je naar een foto van natuur kijkt. Kun je nagaan wat wonen midden in de natuur met je doet. Ik ben opgegroeid in een jarenzeventigbloemkoolwijk en heb daarna altijd in de stad gewoond, maar ik blijk een behoorlijk buitenmens te zijn. Ik vond het heerlijk om door het bos te dwalen op zoek naar paddestoelen of tijdens een hardlooprondje te moeten stoppen voor een overstekende eland en haar kalf. Voor we naar Zweden vertrokken, fietsten we met de jongens rond Delft en zag ik hoe alles wat in mijn studententijd nog weiland was tegenwoordig is volgebouwd. Iedereen heeft natuurlijk het recht om fijn te wonen, maar die volgebouwde Randstad begon me al voor Zweden te benauwen, en nu we terug zijn al helemaal.

Het was voor mij geen vakantie, want hoewel ik niet optrad, werkte ik wel als gastonderzoeker aan de lokale universiteit en schreef ik columns. Mijn nieuwe cabaretprogramma moest in de steigers worden gezet en er was regelwerk te doen rond onze immigratie. Maar ik hoefde ’s avonds niet naar optredens, dus we konden altijd samen eten en daarna kon ik even met Acht mee naar zijn voetbal- of innebandy-traning. In het weekend scharrelden we met z’n allen in en om het huis. We zijn als gezin veel hechter geworden.

©Tzenko Stoyanov

Een plezierige verrassing was de mate waarin we aansluiting vonden bij de inwoners van ons dorp, de ouders en het personeel van school. Ook al wisten ze dat we maar voor een jaar daar waren. Op de universiteit bleek ik – ondanks of dankzij mijn Nederlandse uitgesprokenheid – prima te passen. De stugheid en afstandelijkheid die de Zweden zou kenmerken hebben we nauwelijks ervaren. Wat misschien hielp is dat we echt naar Zweden gingen om te leven in Zweden en met Zweden.

We kozen dus ook niet voor de parallelle wereld van expats en een internationale school, onze jongens gingen naar het lokale, Zweedse schooltje. Dat was in het begin vooral voor Zes en Vier best pittig. Als je de taal niet spreekt en niet weet hoe de schooldag in elkaar steekt, is het een uitdaging om te begrijpen dat je nu naar een ander lokaal gaat voor muziekles, of hoe de procedure rond het warm eten in de eetzaal werkt. Maar gaandeweg begonnen ze zich meer thuis te voelen en uiteindelijk spraken ze alle drie Zweeds, Acht zelfs met een onmiskenbaar lokaal Värmlands accent.

Zweden is niet perfect. Er is segregatie in de grote steden. Er is bendegeweld. Een lerarentekort. Er zijn gemeenten met grote financiële tekorten. De werkloosheid is hoog en loopt door de coronacrisis verder op. Goede kinderopvang, ja, maar ook veel gestreste, fulltimewerkende ouders. Ons jaar in Zweden heeft me een completer beeld gegeven. Ik kwam met een naïeve verliefdheid en ging weg met een diepere affectie voor het land.

Veel van de problemen in Zweden herkende ik uit Nederland. Maar Zweden stelt daar wel iets tegenover waar ik in Nederland graag meer van zou willen zien. Hoop en ambitie. Zweden zien zichzelf als ‘goede mensen’. En goede mensen moeten proberen om het juiste te doen. Voor elkaar en anderen opkomen. Een betere wereld creëren. Die instelling kan bloedirritant zijn en wordt in het buitenland soms ervaren als arrogant en misplaatst exceptionalisme. Maar die ambitie is ergens ook een verademing. Ze probéren het in elk geval.

‘Willen jullie terug?’ Dat is de vraag die we, nu we terug in Nederland zijn, het vaakst krijgen. We gingen naar Zweden voor een time-out van een jaar. Waar we in al onze naïviteit nooit op hadden gerekend, is dat ons verblijf in Zweden ons zo zou raken dat we er zouden willen blijven. Toen ik op columns en foto’s op sociale media reacties kreeg in de trant van ‘Jullie komen nooit meer terug!’, lachten Ems en ik het nog weg. Maar achteraf hadden die lezers en volgers misschien wel eerder door wat er aan de hand was dan wijzelf.

Ik dacht dat mijn leven zich wel had uitgekristalliseerd: we gaan nooit meer weg uit dit fijne huis in Delft, ik blijf altijd columns schrijven en een leven zonder cabaret kon ik me niet voorstellen. Dat alles is op losse schroeven komen te staan. Die onzekerheid is verre van comfortabel, maar wel goed.

Ons jaar in Zweden heeft veel losgewrikt. Ook in hoe ik naar Nederland kijk. Bij terugkomst zijn de dingen die je altijd vanzelfsprekend vond, niet zo vanzelfsprekend meer. Hoe de kinderopvang in Nederland is geregeld, dat we ’s avonds warm eten en niet tussen de middag, dat de overheid burgers vaak in de basis wantrouwend benadert. Zelfs al ben je kort in het buitenland, je neemt de blik van de buitenstaander mee naar huis.

Ik heb ook een minder vastomlijnd idee over wie ik ben. Ik heb mezelf, ondanks mijn Zweedse moeder, nooit half-Zweeds gevoeld. Zweden was een bonusland, geen thuisland. Maar misschien ben ik toch Zweedser dan ik dacht, want ik heb me lange tijd niet zo thuisgevoeld als het jaar in Zweden. Niet alleen bij de taal of gebruiken, maar ook bij de mensen, het landschap en de levenshouding.

Natuurlijk zijn ook daar kanttekeningen bij te maken. We gingen niet alleen van Nederland naar Zweden, maar ook van de stad naar het platteland. En van een vol, druk leven met optredens naar een íéts minder vol leven. Daarnaast was het maar een jaar. Het was gekkenwerk, zo compact als dat jaar was: regelen, landen, integreren, thuisvoelen, afscheid nemen, terug. Daardoor hebben we nooit de kans gehad om ergens op uitgekeken te raken. Als we er langer zouden wonen, zouden we ongetwijfeld meer blootgesteld worden aan de nadelen. Je neus stoten bij instanties, slepende politieke discussies, verbittering en socialemedia-schreeuwers. Veel van de dingen waar ik in Nederland af en toe zo moe van word zijn daar ook prima te vinden.

Ik mis Zweden. Ontzettend, bij vlagen. Bijna fysiek. Dan voel ik mijn voeten in het gras voor ons huis, de frisheid in de lucht. Zie ik me voor ons schooltje staan. Wil ik even bij de lanthandel naar binnen. Koffiedrinken met de collega’s van de universiteit.

Ik heb op het laatste moment, vlak voor we in de auto terug naar Nederland stapten, een paar Zweedse bosaardbeitjes (‘smultron’) uit de grond getrokken, als stekjes voor thuis. Die staan nu in twee grote potten in onze achtertuin en ze doen het goed. De uitlopers waarmee de plant zich normaal gesproken verspreidt komen al zoekend over de rand. Maar ze vinden geen grond. Want ja, een pot, hè.

Ons jaar daar heeft ons een tweede thuis gegeven, maar het betekent ook dat we – afhankelijk van wat we kiezen – voortaan altijd iets zullen missen. Ofwel de rust van het platteland in Zweden, ofwel de dynamiek van ons leven in Nederland. Het is nog te vroeg om die keuze te maken. We gaan de tijd nemen om in Nederland weer onze draai te vinden. Wat ik voor nu probeer, is de onzekerheid die dit jaar heeft opgeleverd te omarmen.

Want of we nu wel of niet teruggaan naar Zweden, het afgelopen jaar heeft me sowieso verrijkt. Een tweede thuis, meer vrijheid, meer gezonde twijfel, maar ook de wetenschap dat er meer mogelijk is dan je denkt. Toen Ems jaren geleden het idee opperde om een jaar in Zweden te gaan wonen, raakte ik in paniek. Dat kán niet, dacht ik. Dat krijgen we nooit geregeld. Maar het bleek te kunnen. En als dit kon, dan kan er misschien nog wel meer.