Hoe de politieke ‘kleur’ van cabaretiers steeds vaker een rol speelt in de waardering van hun werk

Tussen ‘voor de grap’ en serieuze kritiek op mens en maatschappij ligt het speelveld waar prikkelende comedy kan ontstaan. Maar kun je in een sterk gepolariseerde samenleving als humorist nog raadselachtig zijn, wanneer grappen over gevoelig liggende thema’s worden uitgelegd als als je niet voor ons bent, ben je tegen ons’?
©Typex

Een week na het antiracismeprotest op een te volle Dam, in de week van de antiracismeprotesten op andere plaatsen in Nederland en de hele wereld, zette GeenStijl een toegezonden video van komiek Hans Teeuwen online. De titel: ‘Hans Teeuwen is tegen racisme!’ Daaronder: ‘Eindelijk, iemand die het gewoon eens zegt.’

In het twee minuten durende filmpje schreeuwt Teeuwen in een nagenoeg lege straat in Amsterdam-Zuid op zijn theatrale podiummanier dat hij tegen racisme is. Naar een enkele voorbijganger, naar een lantaarnpaal, naar een fiets: ‘Ik ben tegen racisme!’. Geparkeerde zwarte auto’s laat hij weten dat ze niet minder zijn omdat ze zwart zijn. Hij lijkt een roepende in de woestijn. ‘Waarom luistert er niemand?’

De reacties leek je te kunnen onderverdelen in twee smaken. Op sociale media tekende zich een duidelijke scheiding af tussen mensen die de cabaretier afserveerden en mensen die hem een standbeeld gunden, min of meer samenvallend met de politieke scheidslijnen. Zwart-wit: de linkerzijde van het spectrum stelde vast dat die uitgerangeerde Teeuwen lang geleden al elke voeling met de tijdgeest is verloren, rechts riep ‘Hans Teeuwen for president’. Een minder uitgesproken derde smaak is al snel vergeten, het binnensmonds gemompelde ‘hm, ja, nee, geen sterke opvatting over’.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Sommige kijkers legden uit wat Hans Teeuwen volgens hen wilde laten zien. Want wie of wat was hier nou precies het mikpunt van spot? Was dit een rechtstreekse aanval op de Black Lives Matter-beweging? Bagatelliseerde hij het belang van antiracismeprotesten? Zette hij protesteren tegen racisme weg als een onnozele hype, als bullshitbezigheid – iederéén is toch tegen racisme? Of stak hij de draak met politici, media-instellingen en grote bedrijven die nu ineens om het hardst roepen dat ze institutioneel racisme afkeuren, terwijl ze het zelf in stand hielden?

Dat laatste vonden Teeuwens critici twijfelachtig, gezien GeenStijl als bron, en gezien de veronderstelde politieke en ideologische kleur van Hans Teeuwen, van wie later in de week een ‘coronaconference’ werd uitgezonden door PowNed – de door GeenStijl opgerichte omroep die van zichzelf zegt geen binding met links of rechts te hebben, maar die door een hoop mensen toch als rechts wordt gezien. 

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle ingesproken versie

Wat bedóélde Hans Teeuwen nou met zijn 'Ik ben tegen racisme'-video? ©Typex

Mogelijk bedoelde Teeuwen met zijn video een van de hierboven beschreven dingen, misschien iets anders. Ik had mijn vermoedens, maar raakte niet overtuigd van één juiste interpretatie, en verbaasde me daarom enigszins over de behoefte om het filmpje zonder meer in de ‘goede’ of ‘foute’ hoek te plaatsen. Zag een deel het goed, zagen anderen het verkeerd, zagen zij iets wat ik niet zag? Het gaf te denken over de waardering van ambiguïteit, de mogelijkheid om aan een tekst, of in dit geval aan impliciete satire over een thema dat maatschappelijk gevoelig ligt, uiteenlopende betekenissen toe te kennen. 

Kun je als humorist nog raadselachtig zijn, als je vermeende morele opvattingen (of die van het medium waaraan je je verbindt) een sterke rol lijken te spelen in de waardering van je werk, net als de opvattingen van aanschouwers en toehoorders? Wordt het moeilijker om gebruik te maken van ambiguïteit, wanneer in een sterk gepolariseerde samenleving als de onze de neiging bestaat om grappen uit te leggen als ‘als je niet voor ons bent, ben je tegen ons? Is een hoge mate van ambiguïteit niet juist wat comedy zo prikkelend maakt? 

Dat gaat dus niet over de eeuwige vraag of je wel of niet overal grappen over moet kunnen maken; die discussie is al honderdduizend keer beslecht in het voordeel van de grap. Een grap kan matig of ronduit waardeloos vallen in de tijdgeest, dat wel. Dan laat een groeiende groep mensen merken dat ze er de humor niet of niet meer van inzien  zie bijvoorbeeld de pisnichtaffaire van Youp van ’t Hek.

Youp van ’t Hek kreeg bakken kritiek toen hij het woord 'pisnicht' gebruikte in een column. ©Typex

Hans Teeuwen maakte sinds halverwege de jaren negentig naam met zijn ongrijpbaarheid, zijn grenzeloze typetjes, zijn onbesuisde spel, zijn schoppen tegen alle heilige huisjes, zijn islamgrappen, zijn verdedigen van het vrije woord. Hij was geliefd over de volledig breedte van het politieke spectrum. Nu, en al wel langer dan nu-nu, lijkt dat toch anders te liggen. Omdat hij in de ogen van een deel van zijn vroegere fans een discutabele maatschappelijke positie inneemt, omdat ze vinden dat zijn werk in de huidige tijd inhoudelijk de plank misslaat, omdat ze hem ‘gewoon’ minder scherp of grappig vinden, of allemaal.

Hij maakt het de niet-rechtse kijker ook lastiger om zijn sketches als ambigu te genieten, omdat hij zo nadrukkelijk kiest voor als rechts beschouwde kanalen en sinds de dood van zijn vriend Theo van Gogh sowieso ondubbelzinniger een conservatieve lijn lijkt te kiezen waar hij niet erg van afwijkt. 

Zijn verbintenis met GeenStijl en Van Gogh zette niet overal ‘goed bloed’, analyseerde Teeuwen vier jaar geleden zelf in een interview met Ron Rijghard, theaterjournalist van NRC Handelsblad. Rijghard legde hem voor dat een recensent van The Guardian Teeuwens grappen over de islam ‘eurocentrisch’ noemde. ‘Daar keek ik van op’, reageerde Teeuwen. ‘Maar hij was zo sportief om te zeggen dat de show zijn morele kompas had gedemagnetiseerd. En dat hij liever mij zag dan een komiek met wie hij het meteen eens was. Dat was goed.’

Mediapsycholoog Danna Young schreef het boek Irony and Outrage (2019), over haar onderzoek naar politieke satire en ironie in het gepolariseerde Amerikaanse landschap, en verschillen tussen de gevoelens van humor van links en rechts. De kracht van de satiricus ligt volgens haar in het feit dat-ie niet zelf het oordeel velt, zei ze in een boeiend interview op Salon.com. ‘Satirici creëren een soort slimme nevenschikking, bijna als een raadsel, en tijdens het oplossen van dat raadsel velt het publiek een oordeel.’ 

Satire dus als uitnodiging om zelf een standpunt te bepalen: vind ik dit goede satire? En ben ik het eens met wat ermee wordt bedoeld? Tussen ‘voor de grap’ en serieuze kritiek op mens en maatschappij ligt het speelveld waar opwindende, tegen de haren in strijkende comedy kan ontstaan. Een komiek kan je met de observaties die hij doet anders naar je eigen leventje laten kijken, en met een ongemakkelijke of zelfs onbehaaglijk aanvoelende schok je gedachten ontregelen, waarna je misschien je eigen denkbeelden nog eens zult overdenken. Persoonlijk vind ik het erg saai om te kijken naar iemand die mij alsmaar bevestigt in mijn eigen ideeën.

De eens-of-oneens-vraag gaat in het theater, om precies te zijn in de gang naar de garderobe, vaak gepaard met de vraag of de cabaretier zélf nou ook meende wat-ie de afgelopen anderhalf uur allemaal heeft gezegd. Wat wel, wat niet? Waar houdt de podiumpersoon op en waar begint de mens? Dat is ook spannend om je af te vragen natuurlijk, en spannend om als maker mee te spelen. 

Zoals Daniël Arends zegt in Donker in het licht, het boekje dat zijn impresariaat Bunker Theaterzaken liet maken bij het jubileum van het Leids Cabaret Festival: ‘Als ik iets gewoon maar vind, dan gebruik ik het niet. Maar als ik denk: ik vind dit niet, maar het is wel heel leuk om te doen alsof ik dit wel vind, dan komt het zeker in de voorstelling.’ 

Er is geen cabaretier die zijn naar betekenis zoekende publiek op een briefje meegeeft hoe een voorstelling precies dient te worden geïnterpreteerd. Of nou ja, als grap misschien, zoals Sanne Wallis de Vries deed in haar show die begin dit jaar in première ging: recensenten kregen een papier mee naar huis waarin ze de rode draad ontvouwde en opsomde wat er volgens haar goed was aan haar show. Zelf de weg zoeken en misschien hier en daar een afslag missen is part of the deal.

De laatste voorstelling van Theo Maassen, Situatie gewijzigd, was qua ambiguïteit en polarisatie een interessant schouwspel. In de show, aangekondigd als ‘de laatste stuiptrekking van een witte, heteroseksuele man van middelbare leeftijd’, ging het over identiteitspolitiek, verschillen tussen mannen en vrouwen en slachtofferschap. Het programma werd door recensenten nogal wisselend ontvangen. Voor het deel dat kritisch was op de voorstelling leek het niet helemaal duidelijk wat Maassen er nu precies mee wilde zeggen. 

De Volkskrant gaf twee sterren: ‘Uiteindelijk ligt de ironie er niet dik genoeg bovenop en ontbreekt een twist die duidelijk maakt dat deze voorstelling toch niet écht een klaagverhaal is met als strekking ‘witte mannen hebben het ook niet makkelijk’’, schreef collega Joris Henquet. De recensent van Trouw vermoedde dat die strekking een warm bad zou zijn voor Maassens publiek: ‘Een avond lang lachen om foute grappen, en ook nog eens te horen krijgen waarom je je daar niet schuldig over hoeft te voelen: wat wil een mens nog meer?’

En uit de analyse in NRC Handelsblad‘Wat je als toeschouwer kan denken van de primitieve en reactionaire opvattingen van Maassen in Situatie gewijzigd staat los van de vraag of hij het meent. Het is theater, dus het is niet ondenkbaar dat dit programma een act is en Maassen met verve de rol speelt van het archetype van de Eendimensionale Witte Man. Dat zou een stijlbreuk zijn, want Maassen was nooit eerder een cabaretier die een maskerade een voorstelling lang volhoudt (zoals Wim Helsen). In zijn programma’s speelde Maassen wel typetjes, maar altijd rond een zo authentiek en naturel mogelijke uitbeelding van zijn bezorgde, boze ik. Ook dit optreden biedt weinig ruimte voor ambivalentie of voor het idee dat hij speelt met ironische distantie (zoals Daniël Arends).’

Het Eindhovens Dagblad stuurde een paar maanden na de première een journalist naar het Parktheater in Maassens thuisstad Eindhoven, om na die recensies eens de opinie van het publiek te peilen. ‘Een aantal mensen meent dat de cabaretier hardop zegt wat veel anderen alleen maar denken’, tekende de journalist op, om vervolgens een van die mensen te citeren: ‘Er lijken steeds meer slachtoffers te zijn en het voelt soms alsof wij, witte mannen van middelbare leeftijd, daar allemaal verantwoordelijk voor zijn. Goed dat dat eens gezegd wordt.’

Theo Maassen: 'Ik wil mezelf niet uitleggen, goedpraten of analyseren.' ©Typex

Wat zou Theo Maassen van die uitspraak vinden? ‘Ik wil met mijn programma’s en met mijn grappen communiceren en mezelf niet uitleggen, goedpraten of analyseren’, laat hij per mail weten. ‘Ik heb weleens pogingen gedaan, maar daar had ik achteraf dan altijd spijt van.’

Hij gaf al wel wat prijs over zijn bedoelingen in een twistgesprek met Sunny Bergman, vorig jaar in deze krant. ‘Dat is natuurlijk ironie, dat ik mijn eigen slachtofferschap ga zitten uitmelken’, reageerde hij op een opmerking van haar; Bergman had het pijnlijk gevonden om zijn voorstelling te zien, in een zaal vol mensen die keihard lachten om grappen die zij ronduit seksistisch en racistisch vond. ‘Je bent steeds aan het benadrukken dat je niks meer zou mogen zeggen terwijl je godverdomme overal voor uitverkochte zalen staat’, zei zij.

In Maassens gesprek met Volkskrants podcastinterviewer Gijs Groenteman ging het in oktober even kort over de kritiek die hem ten deel was gevallen, en over hoe zijn programma ‘viel’ in de zalen waar hij speelde. Maassen zei dat hij het idee had dat het publiek zijn show niet ‘heel raar’ interpreteerde, al gaf hij aan wel verschillen te bespeuren.

De kritiek die hij in zijn programma levert op identiteitspolitiek en slachtofferschap noemde hij ‘ook gewoon een manier om lol te maken en gein te trappen met de dingen die nu aan de hand zijn, dingen die gevoelig liggen’. Soms, zei Maassen, sta je tegenover een zaal en is dat precies wat er gebeurt. Maar soms, in De Kleine Komedie bijvoorbeeld, ligt dat volgens hem wat ingewikkelder. Mensen die meer hoofdelijk zijn, rationeel, legde hij uit, luisteren naar zijn betoog alsof het een politiek betoog is. ‘Die gaan dan kijken: ben ik het daar wel of niet mee eens? Dat is niet helemaal de bedoeling.’

Het is er misschien ook niet duidelijker op geworden, suggereerde Maassen, nu de arena’s wat meer door elkaar heen lopen. ‘Politici maken grappen, maken gebruik van ironie en allerlei stijlfiguren die eigenlijk van ons cabaretiers waren. Cabaretiers spreken zich politiek uit.’

Sinds de ‘Ik ben tegen racisme’-video volgden minder absurdistische maatschappijkritische filmpjes van Hans Teeuwen op GeenStijl en op zijn eigen Instagrampagina, vorige week onder meer nog naar aanleiding van Johan Derksen-gate. In die video’s is het onderscheid tussen humor en serieus taalgebruik vager dan in het ‘Ik ben tegen racisme’-filmpje, wat het verleidelijker maakt om wat Hans Teeuwen zegt op te vatten als een ondubbelzinnig statement tegen de antiracismebeweging als ‘een extreemlinkse, communistische organisatie’, en als een religie.

In de reacties op Instagram tekende zich dezelfde splijtzwam af, met ‘Zielig figuur ben je Hans’ aan de ene kant en ‘De echte waarheid’, ‘Team Johan, team Hans!’, ‘Eindelijk iemand die opstaat en het durft te zeggen’ en ‘Hans, ga aub de politiek in’ aan de andere kant. Ook gelezen: ‘Echt beangstigend hoe weinig mensen zijn sarcasme oppikken.’ 

Die laatste opmerking deed mij denken aan een tweet van cabaretier Micha Wertheim, die zonder veel moeite is te positioneren aan de linkerzijde van het politieke spectrum, over Situatie gewijzigd: ‘Gisteravond zag ik eindelijk de nieuwe voorstelling van Theo Maassen. Was gewoon heel goed, en grappig, en slim, en heel mooi om naar te kijken. #wasdaarnouzoveelovertedoen’

Ik zie ik zie wat jij niet hebt gezien. Een klassiek argument dat vaak van stal wordt gehaald als een grap of show door sommige mensen knap wordt gevonden, terwijl andere mensen het niet om te lachen vinden: wie er niks aan vindt, heeft het gewoon niet begrepen, de ironie of de diepere laag gemist.

Zelf verliet ik na de première van Maassens voorstelling in mei vorig jaar in verwarring de zaal. Aan het slotapplaus ging een opsomming vooraf van geweldige dingen die witte mannen voor de wereld hebben betekend. Ging ik een staande ovatie geven voor de verdiensten van die goeie oude witte man? Voelden de mensen om mij heen zich hier ook oncomfortabel bij? Was ongemak veroorzaken Maassens streven, of niet? 

Bescheurden veel mensen zich om ‘foute grappen’, zoals Trouw schreef, en dachten ze er verder niet over na? In welke mate waren uit ’s lands onderbuik getapte elementen in de voorstelling ironisch bedoeld, en in welke mate ontging die ironie welk deel van het publiek? 

Er zijn talloze voorstellingen waaraan ik minder vaak heb teruggedacht dan aan Situatie gewijzigd. Niet precies weten waar je naar hebt zitten kijken, de schurende moraal niet helemaal kunnen plaatsen; het is frustrerend en fascinerend tegelijkertijd. Had ik een briefje van Theo Maassen gewild, een verklaring van juiste intenties, met één betekenis? Ruim een jaar na de première heb ik het raadsel nog steeds niet opgelost, maar: nee.