Gerri Eickhof: Dat ik anders ben, speelt nog altijd een rol in mijn leven

Zijn jeugd in Amsterdam-Noord, waar hij met zijn moeder bij zijn streng-katholieke oma woonde, was voor NOS-verslaggever Gerri Eickhof een ongelukkige tijd. Vanwege een afwezige vader en zijn getinte huid was er altijd het gevoel anders te zijn.
Gerri Eickhof: ‘Als mensen zo volledig mogelijk geïnformeerd zijn, komt dat de hele samenleving ten goede’. ©© Mark Kohn

Gerri Eickhof (Amsterdam, 1958) is als verslaggever werkzaam voor het NOS Journaal. In 2009 verschenen er twee boeken van zijn hand: ‘Met de tram door Amsterdam’ en ‘Bestemming Bagdad’, over zijn ervaringen tijdens de oorlog in Irak, in 2003. De laatste jaren maakt Eickhof vooral reportages over binnenlandse aangelegenheden.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“Ik heb God vrij lang gezien als een soort krasse bejaarde die daar ergens in de hoogte op een gemotoriseerde wolk over onze hoofden heen- en weer vloog. Ik bad me helemaal suf. Dat ik nooit iets van Hem hoorde, leek me wel logisch – daar zat ‘m nou precies de onderwerping van de mens in – maar erg sympathiek vond ik het niet. Het leek met geen aangename figuur. Een beetje een arrogante kwal, eigenlijk.”

Ook als ik me bijkans bewusteloos bad, bij­voor­beeld voor het herstel van de zieke eigenaar van de speel­goed­win­kel, gebeurde er niets

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken niet zonder eerbied gebruiken

“Jan, uit Edam, die naast me in de schoolbank zat, vloekte er op los. Hij deed er elke dag een schepje bovenop, maar kwam iedere ochtend nog levendiger te voorschijn dan we hem in de middag hadden zien vertrekken, dus ik dacht: waarom zou onze lieve Heer meer genade hebben met Jan dan met mij? Op een avond probeerde ik voorzichtig één vloekje. Ik hield er rekening mee dat ik er goed ziek van zou kunnen worden, maar er gebeurde niets... Ik vloekte nog eens, en nog eens. Niets. Toen begonnen er dingen op zijn plaats te vallen. 

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Ook als ik me bijkans bewusteloos bad, bijvoorbeeld voor het herstel van de zieke eigenaar van de speelgoedwinkel, gebeurde er niets. Bestond God eigenlijk wel? Mijn twijfel werd, gek genoeg, gevoed door wat een jonge pater, de godsdienstleraar op onze jongensschool, vertelde. Van den Broek, heette hij, geloof ik. Wat op zich al bijzonder was, want de meeste leraren hadden de namen van heiligen aangenomen. De jonge pater zei dat je niet per se hoefde te bidden en dat mensen met een ander geloof niet automatisch in de hel zouden belanden. 

Zodra pater Van den Broek zijn godsdienstles had afgerond, kwamen frater Sigebertus, frater Rufus en frater Huppeldepuppus aangesneld om de schade te herstellen, maar het was eigenlijk al te laat. Ik raakte mijn geloof kwijt, nee wat nog beter was: ik raakte van de angst verlost dat het verkeerd met me zou aflopen als ik niet meer zou leven volgens de regels van de katholieke kerk.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Mijn moeder en ik woonden in de Vegastraat in Amsterdam-Tuindorp, bij mijn opa en oma in huis. Oma was streng katholiek. In onze woonkamer kon je van de heiligenbeelden je kont niet keren. Toen ik zeven was en mijn opa stierf, leek mijn oma’s geloof nóg intenser te worden: ze stuurde mij elke dag – behalve zaterdag, dan had ik vrij – vóór schooltijd naar de kerk om voor het zielenheil van haar overleden echtgenoot te bidden. Mijn opa was namelijk nogal een vloeker geweest en als ik - een rein, onschuldig kind – een beetje mijn best zou doen, was de kans groot dat Petrus uiteindelijk met zijn hand over zijn hart zou strijken en de hemelpoort alsnog voor die brave man ontsluiten. 

Op een dag werd mijn oma ernstig ziek. Ze werd opgenomen in een sanatorium. De kans bestond dat ze niet meer terug naar huis zou komen dus besloten mijn moeder en ik, na veel aarzeling, het levensgrote Jezusbeeld te vernietigen. Mijn moeder gaf me een hamer en zei: ‘Sla jij z’n hoofd er maar af.’ Dat vond ze zelf een beetje eng, denk ik. Helaas kwam mijn oma na een jaar weer thuis. Ze vroeg meteen wat er met het beeld van Jezus was gebeurd. ‘Gevallen’, zeiden mijn moeder en ik, ‘zonde hè?’ 

Mijn vader ging er vandoor toen hij hoorde dat mijn moeder zwanger was. Waarom zou ik zo’n man moeten eren?

Zo rond mijn zestiende kreeg mijn moeder een vriend. Mijn oma vond dat mijn moeder te vaak naar hem toe ging – te weinig tijd aan háár besteedde – en na de zoveelste vreselijke ruzie verlieten we uiteindelijk haar huis. Ik heb de ochtend van ons vertrek vanuit de achtertuin nog een paar ramen ingegooid. Het was, denk ik, een kinderlijke poging om die nare, bedompte tijd, mijn ongelukkige jeugd te wreken.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader ging er vandoor toen hij hoorde dat mijn moeder zwanger was. Waarom zou ik zo’n man moeten eren? Ik ben, door wat hij heeft gedaan, juist mijn moeder enorm gaan eren. Ze was een lieve, zeer zachtmoedige vrouw. Ik had een sterke band met haar. Haar dood, nu vijftien jaar geleden, is het ergste wat mij in m’n leven is overkomen. 

Mijn ouders hebben elkaar in een dancing op de Zeedijk ontmoet, hun relatie heeft twee jaar geduurd. Hij was klein van stuk, verzot op sieraden en werkte op Schiphol. Dat is alle informatie die ik heb gekregen. Ik stelde geen vragen, vooral ook omdat ik wist hoe moeilijk mijn moeder het ermee had. Ik denk dat ik mijn nieuwsgierigheid ook heb weggedrukt omdat alles waar mijn vader voor stond – zijn huidskleur, zijn afwezigheid – mijn uitzonderingspositie alleen maar groter maakte. Dát was mijn grootste verdriet, niet dat hij verdwenen was.

Als kind wil je geen uitzondering zijn; daar kun je alleen maar op afgerekend worden. En dat gebeurde ook. Volop. Pas na mijn moeders dood ben ik een keer naar mijn vader op zoek gegaan. Even leek het erop dat ik zijn, Surinaamse, familie had gevonden – hij zou al overleden zijn – maar een DNA-onderzoek wees uit dat we ons hadden vergist. Daarna heb ik het jarenlang laten rusten. Het is klaar, dacht ik, het is goed zo. Tot ik laatst ineens bedacht dat het misschien wel leuk zou zijn om ooit nog eens via, hoe heet die club, MyHeritage, een nieuw onderzoekje op te starten. Niks urgents, eerder in de sector: als ik met pensioen ga, haal ik weer eens een paar planten in huis. Dat niveau.”

V Gij zult niet doden

“Ze stonden me elke dag op te wachten, ze schopten en sloegen me, ze scholden me uit: ‘Hee nikker! Bruine boon!’ Ik fantaseerde er wel eens over dat ik een mitrailleur zou kopen om al die klotekinderen mee dood te schieten. Tegelijkertijd beschouwde ik het een beetje als mijn lot en ging ik er van uit dat op een dag alles vanzelf wel beter zou worden... Feitelijk stopte het ook – toen ik naar de middelbare school ging, werd ik niet meer zo vaak uitgescholden – maar dat ik ‘anders’ ben, speelt nog steeds een rol in mijn leven. Ik word er voor een controle op het vliegveld of zo nog regelmatig uitgepikt – al is het, sinds ik bekend ben, wel een stuk minder geworden. 

Ik ben niet zoals de rest en daar kan ik elke dag weer op afgerekend worden. Dat gevoel blijft

Het is moeilijk uit te leggen als je zelf niet in zo’n situatie zit, maar geloof me maar: die kloof is er nog altijd. Ik ben niet zoals de rest en daar kan ik elke dag weer op afgerekend worden. Dat gevoel blijft. Soms word ik zonder enige aanleiding heel lusteloos en verdrietig wakker. Wat me op zo’n moment helpt, is een tochtje naar Amsterdam-Noord. Dan rijd ik door de Vegastraat, langs het huis waarin ik ben opgegroeid, en denk: die tijd heb je óók overleefd. Waarna ik me meteen een stuk beter voel.”

©© Mark Kohn

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Onkuisheid? Geen idee wat ik me daarbij moest voorstellen. Ik denk dat mijn moeder in de ogen van haar geloofsgenoten in onkuisheid leefde. Later begreep ik pas dat ze daarom altijd helemaal achterin de kerk zat en nooit ter communie ging. Ik heb het haar nooit gevraagd... of ze heeft me nooit geantwoord; dat is waarschijnlijker. Ze voelde zich zondig, een vrouw met een bezoedelde reputatie. Als kleine jongen heb ik een keer een assurantieman, die bij ons op bezoek was om mijn moeder een levensverzekering te verkopen, horen zeggen: ‘Als u overlijdt, gaat het geld naar uw directe erfgenaam. U heeft een zoon, die krijgt het.’ Waarop mijn moeder vroeg: ‘Maar als het nou een onecht kind is?’ Onecht, dat was ik. Onvolwaardig. Ik had rond die tijd bovendien net ‘Alleen op de wereld’ van Hector Malot cadeau gekregen. Dat was natuurlijk, dacht ik, om me voor te bereiden op een harde waarheid: ik was een vondeling. Vier jaar later durfde ik het aan mijn tante te vragen. Ze zei dat mijn moeder wel degelijk mijn echte moeder was. Iedereen was in die dagen heel lief voor mij, maar dat beeld van het ‘onechte kind’ heeft me nooit helemaal losgelaten. Om die reden laat ik nog steeds niet makkelijk mensen toe: ik hou er rekening mee dat ze misschien wel zullen denken dat er iets schort aan mij. Daarom moet ik extra mijn best doen; om te laten zien dat ik wel degelijk de moeite waard ben. Dat het goed is wat ik doe.”

VII Gij zult niet stelen

“Toen ik klein was, heb ik wel eens bij de kruidenier aan de achterkant lege flessen gejat die ik dan aan de voorkant weer inleverde. Van het statiegeld kocht ik kauwgum. Dat is het wel zo’n beetje. Het is ook nooit echt nodig geweest om iets te stelen. Ik hoef niet elk dubbeltje om te draaien, dus geld interesseert me weinig. Als iemand iets van me leent, moet ‘ie zelf maar onthouden het ooit een keer terug te betalen. Andersom is het precies zo: je moet er om vragen, want ik vergeet het. Dat wil niet zeggen dat ik ook makkelijker dingen weggeef, nee. Om iemand te hulp te schieten, moet ik altijd een zekere gêne overwinnen. De gêne van de pretentie dat ik wil eens even iemand uit de brand zal helpen; dat ik dat beter zou kunnen dan een ander, snap je? Als iemand in het water valt, sta ik waarschijnlijk verstijfd tussen die twintig omstanders te hopen dat een ander er wel achteraan zal springen.”

Ik vind ook dat je tegen elkaar moet kunnen zeggen: als je het bij een ander beter kan krijgen dan bij mij, zou je wel gek zijn als je zou blijven

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Als persoon heb ik een mening, maar als journalist... nee, wacht, laat ik het zo zeggen: ik ben in mijn verslaggeving niet neutraal, maar wel objectief. Neutraal is: A noch B, objectief is: 95 procent A en 5 procent B. Mijn idealisme schuilt er in dat ik als journalist informatie wil verstrekken, kennis wil vergroten. Als mensen zo volledig mogelijk geïnformeerd zijn, komt dat de hele samenleving ten goede. Daar komt mijn ambacht om de hoek kijken: ik ben er redelijk bedreven in. Geworden. Ik ben rustiger, ik kijk wat breder.

Ik herinner me een moment aan het begin van mijn loopbaan, in juli 1995, toen ik vanuit Congo verslag deed van die haast bijbelse uittocht van de Hutu’s uit Rwanda; anderhalf miljoen mensen zagen we daar voorbij trekken. Er brak een epidemie uit, er werd honger geleden: het was één groot, afschuwelijk drama. Ik ging zo op in mijn verhaal dat ik verzuimde te onderzoeken of het nou werkelijk zo was dat al deze mensen slachtoffer van de Tutsi’s waren; of er ook geen aanstichters van die oorlog mee de grens overstaken. Dat bleek later het geval te zijn geweest: veel misdadigers wisten op die manier hun straf te ontlopen.

Ik werd onlangs gevraagd om in een televisieprogramma te komen praten over die Rwandese genocide, inmiddels vijfentwintig jaar geleden, maar ik ben niet op de uitnodiging ingegaan omdat ik nog steeds vind dat ik destijds tekort ben geschoten: ik heb niet het hele verhaal verteld. Onze blik is natuurlijk altijd beperkt – hoe ver zoom je in of uit? – en je moet de waan van de dag meenemen in je verhaal, maar ik denk dat het in deze hyperige tijden van fake-news en social media nóg belangrijker is om alert te blijven, om context te tonen.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

"Dit was mijn ideaal: rond mijn tweeëntwintigste zou ik, nadat ik Olympisch goud had gewonnen op de marathon, de vrouw van mijn leven ontmoetten. Ze zou zwart haar hebben, Frans studeren en Suzanne heten. We zouden twee kinderen krijgen en voor altijd bij elkaar blijven. Dat is allemaal niet gelukt. Ik ben die vrouw niet tegengekomen - waarschijnlijk was ze al bezet. 

Ik kreeg andere relaties, onder andere met de moeder van mijn zoon. We waren elf of twaalf jaar bij elkaar. Ik ben geen overspelig man, best trouw eigenlijk, maar ik vind ook dat je tegen elkaar moet kunnen zeggen: als je het bij een ander beter kan krijgen dan bij mij, zou je wel gek zijn als je zou blijven. Ik ben nu zeven jaar samen met mijn huidige vriendin. We hebben het goed samen. Het zou best eens zo kunnen zijn dat ik mijn bindingsangst inmiddels ben kwijtgeraakt."

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Het spijt me, maar hier kan je niet bij helpen. Ik heb weinig tot geen aanleg voor jaloezie. Ik ben ook niet erg ambitieus, dat wil zeggen: ik wil het beste uit mezelf halen, maar hoef niet per se beter te zijn dan anderen. Oké, ik wil natuurlijk niet de slechtste zijn. Ik vind het prettig om te horen dat mijn bijdragen op prijs worden gesteld en dat er af en toe grappen over me worden gemaakt, vind ik ook helemaal niet erg. 

De bontmuts met die oorflappen! Ik ben natuurlijk niet gek en zal dat ding heus niet dragen als ik verslag moet doen van een slippartij waarbij dodelijke slachtoffers zijn gevallen, maar ik heb ’m hier nog wel liggen dus als het weer eens extreem koud weer is en de gelegenheid zich voordoet, zal ik hem zeker weer opzetten. Ook al mag het officieel niet meer, geloof ik. 

Laatst was ik voor een reportage bij een Amsterdamse advocaat die me na afloop vroeg of ik misschien nog even met hem op de foto wilde. Natuurlijk, zei ik. Wacht even, zegt-ie, trekt een kast open, haalt daar een identieke bontmuts uit tevoorschijn, zet dat ding op z’n kop en vraagt een collega om een foto van ons te maken. Toen we weer buiten stonden, zei mijn cameraman: ‘Volgens mij heeft die man dat ding al jaren in huis liggen, wachtend op het moment dat Gerri Eickhof langs zou komen om hem te interviewen’. Eervol, ja, maar vooral ook heel merkwaardig.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Eerdere afleveringen leest u op trouw.nl/tiengeboden.