Fortuyns boodschap is twintig jaar na zijn dood in veel opzichten urgenter dan toen

Pim Fortuyn is twintig jaar dood. Zijn analyse van de staat van bestuurlijk Nederland is nu eigenlijk nog accurater dan destijds.
©Volkskrant

Hoeveel jaar is nodig om de impact van een gebeurtenis te kunnen duiden? Eén jaar is te kort, zo kan iedereen teruglezen in de kranten van 6 mei 2003. Pim Fortuyn was twaalf maanden dood, zijn LPF kwijnde weg in de oppositie, de PvdA had vrijwel al haar zetels alweer terug, Jan Peter Balkenende begon al wat te wennen als premier, Geert Wilders ontfermde zich in de VVD als mentor over het onervaren Kamerlid Mark Rutte. De politieke verhoudingen leken, al met al, weer aardig genormaliseerd, zo meenden ook de LPF’ers die in de Volkskrant terugblikten op hun doldwaze jaar. ‘De LPF is ingekapseld in het Haagse systeem’, stelde bijvoorbeeld Philomena Bijlhout – staatssecretaris voor acht uur – beteuterd vast. ‘Het is een fase geweest, en nu is het voorbij.’ Een mens kan zich vergissen.

Is twintig jaar lang genoeg? In elk geval is het voldoende om vast te stellen dat de kiezersopstand van 2002 slechts het begin markeerde van de onstuitbare vermolming van het Nederlandse politieke bestel. Het Binnenhof keerde helemaal niet terug naar oud en vertrouwd; de storm was nog maar net opgestoken. De saaie voorspelbaarheid van de jaren ’80 en ’90, waarin CDA, PvdA, VVD en D66 gevieren de dienst uitmaakten, verzekerd van de steun van een stabiel electoraat,  is inmiddels een vage herinnering. In een Tweede Kamer met twintig fracties – waarvan zeker de helft geen enkele bestuurlijke ambitie toont – verlangen veel Kamerleden tegenwoordig naar iets méér voorspelbaarheid.

De diplomademocratie, de ondermaatse vertegenwoordiging van grote groepen kiezers, het algehele gebrek aan dualisme, de politieke managementcultuur, de enorme en nauwelijks te controleren informele macht van het maatschappelijk middenveld, de angst voor iets meer directe democratie, het groeiend isolement van overheid en politiek: Fortuyn schreef er boeken over vol en in veel opzichten zijn de problemen nu nog een stuk urgenter dan destijds. Zelfs wie toen nog vond dat Fortuyn overdreef, zal nu moeten erkennen dat het bestuurlijke probleem nijpend begint te worden.

Fortuyn zette zich nog vooral af tegen CDA en PvdA, bastions van bestuurlijke macht. Hij kon niet weten hoe weinig er van die partijen over zou blijven. En wat als de VVD al die tijd vooral overeind blijkt te zijn gehouden door de populariteit van Mark Rutte? Na alle ondergrenzen die CDA en PvdA al zijn gepasseerd, is er ook voor de liberalen geen enkele garantie. Intussen zet de politieke versplintering voort. Bij elke verkiezing komt het land een stukje dichter bij onbestuurbaarheid.

Het verontrustende aan de situatie is dat die op het Binnenhof zelf nog nauwelijks tot serieus debat leidt. Het gaat inmiddels wel vaak over de ‘bestuurscultuur’, maar veel te weinig over de vraag of ons stelsel nog voldoet. Het uitstekende rapport van de staatscommissie-Remkes over broodnodige bestuurlijke vernieuwing lijkt niet te gaan leiden tot meer dan wat lapwerk. D66-leider Kaag mompelde laatst in een debat iets over een kiesdrempel, maar bleek daar verder nog niet over te hebben nagedacht. Tegen serieuze bestuurlijke vernieuwing worden door de politieke elite intussen nog steeds vooral drempels opgeworpen.

Ook na twee tranentrekkende recordformaties overheerst de opluchting dat er toch maar weer een kabinet is gekomen. Na de volgende verkiezingen zien we wel weer verder. In dat opzicht zijn we in twintig jaar niet bijster veel opgeschoten.