Een jaar in het voetspoor van vijf OMT-leden: over politieke druk, bedreigingen en onderlinge spanning

De adviezen van het OMT over de bestrijding van corona hadden een enorme impact, maar hoe ze tot stand kwamen was niet bekend. Willem Feenstra volgde een jaar lang vijf leden. Zij vertellen over de politieke en maatschappelijke druk, bedreigingen en verhitte onderlinge discussies.
©Kevin McGivern

Microbioloog Jan Kluytmans wandelt wel vaker door het Mastbos bij Breda om zijn hoofd leeg te maken, maar op vrijdagochtend 16 oktober heeft hij aan een paar uur niet genoeg. Sinds het begin van de coronacrisis is zijn leven drastisch veranderd. En nu staat alles op z’n kop.

Kluytmans is aangedaan. Vanwege zijn rol in het Outbreak Management Team (OMT), waarbinnen de spanning de laatste tijd oploopt. Vanwege de tweede golf, die ze tot zijn frustratie niet hebben kunnen voorkomen. Vanwege de bedreigingen, die steeds dichterbij komen.

Het voelt, zegt hij, alsof de veiligheid van zijn gezin op het spel staat. Mede daarom trekt hij zich voorlopig terug uit de media.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Op zijn verzoek spreken we vandaag niet af in het ziekenhuis, maar hier in het bos. Buiten kan hij beter reflecteren, afstand nemen van de crisis. Hier kan hij vertellen wat hem écht dwarszit.

Net als andere OMT-leden maakt hij zich namelijk grote zorgen. De wetenschappers dreigen te verworden tot een speelbal van het kabinet. Ze hebben het gevoel dat adviezen worden beïnvloed; hun onafhankelijkheid staat op het spel. Mede daardoor kwam de ‘gedeeltelijke lockdown’, die premier Rutte een paar dagen eerder aankondigde, te laat. Hoe hebben ze dit kunnen laten gebeuren?

Als er niet snel iets verandert, zegt hij, stopt hij als OMT-lid. En hij is niet de enige.

Jan Kluytmans. ©Kevin McGivern

Krachtenveld

De Volkskrant volgde het afgelopen jaar vijf leden van het OMT, dat een cruciale rol heeft in de bestrijding van het coronavirus. Niet meer in de luwte van labs en ziekenhuizen stonden de wetenschappers ineens volop in de schijnwerpers. Wat zij bespraken en adviseerden, had een enorme impact.

Nooit eerder waren zij zo belangrijk én kwetsbaar tegelijk. Het is een historisch moment; een ultieme test of ze bestand zijn tegen de last die op hun schouders drukt. Een worsteling met de buitenwereld, met elkaar en met zichzelf. Want hoe blijf je overeind in het enorme krachtenveld tussen politiek en maatschappij?

Jan Kluytmans, de microbioloog die veel onheil op voorhand zag aankomen. Diederik Gommers, de intensivist die zich bleef verzetten tegen politieke druk. Anja Schreijer, de GGD-arts die de waarschuwingen wel van de daken wilde schreeuwen maar vastliep in het politieke systeem. Alex Friedrich, de microbioloog die de knuppel in het hoenderhok gooide om mensen wakker te schudden. En Marion Koopmans, de onvermoeibare viroloog die alles bij elkaar hield.

Plots werden ze veelgevraagde gasten aan talkshowtafels en verguisd door virusontkenners.

Een verzoek van de Volkskrant om een tijd lang bij de besloten OMT-bijeenkomsten te zijn, werd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het voorjaar afgewezen. Wetenschappers, vond het instituut, moeten vrijuit kunnen discussiëren over ongemakkelijke onderwerpen. Ze moeten extreme standpunten kunnen innemen. Notulen blijven binnenskamers. De vertrouwelijkheid mag niet worden verbroken.

Als alternatief sprak de krant regelmatig met de vijf leden. Vaak urenlang, in hun ziekenhuizen, kantoorgebouwen of de buitenlucht. Soms korter, via de telefoon. Ze praatten op voorwaarde dat er pas na een jaar over zou worden gepubliceerd. Hun hoop was dat het land tegen die tijd in rustiger vaarwater zou zijn gekomen.

Nu, een jaar na de eerste OMT-bijeenkomst over het coronavirus, zit het land in de zwaarste lockdown tot nu toe en is dit verhaal compleet noch afgelopen. Het is een tussenstand, de reconstructie van een aantal cruciale momenten. En een poging licht te werpen op de vergadering die we niet zien maar die wel veel bepaalt.

Alertheid

Tussen de bamboeplanten in de hal van het Erasmus MC haalt Marion Koopmans haar handen door haar grijze lokken. De afgelopen maanden is er zo veel gebeurd dat ze in haar geheugen moet graven naar het moment waarop het voor haar begon.

Waarschijnlijk, zegt ze, is dat op 31 december 2019. Dan hoort ze dat er in de Chinese miljoenenstad Wuhan een aantal mensen in het ziekenhuis ligt met een mysterieuze longontsteking. ‘Is this the one?’, vraagt ze meteen aan een contact bij de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Koopmans’ werkzame leven draait om virussen. Als hoogleraar virologie aan het Erasmus MC in Rotterdam heeft ze internationaal een enorme reputatie opgebouwd. Al jaren waarschuwt ze voor de wereldwijde uitbraak van een onbekend virus dat veel kan verwoesten.

Als lid van het Emergency Team van de WHO zit Koopmans dicht bij het vuur. Ze schuift ook geregeld aan bij het Outbreak Management Team. De dan nog relatief onbekende groep wetenschappers adviseert het kabinet in wisselende samenstelling over (dreigende) uitbraken van infectieziekten. In november 2019 kwamen ze voor het laatst bijeen om te spreken over lassakoorts.

Mede op aandringen van Koopmans wordt er op 24 januari een nieuwe OMT-bijeenkomst belegd, onder leiding van RIVM-directeur Jaap van Dissel. De sfeer is er allesbehalve alarmistisch. In een zaaltje van het hoofdkantoor van het RIVM in Bilthoven geeft ze een presentatie over de Chinese situatie. Ze pleit voor alertheid. ‘We moeten ervan uitgaan dat dit virus ook in Nederland komt, hebben we toen allemaal gezegd.’

Na de bijeenkomst nemen de OMT-leden zoenend en handenschuddend afscheid.

De ernst van de situatie daalt bij de meeste deskundigen ook begin februari nog niet in. ‘Achteraf’, zegt microbioloog Jan Kluytmans in een vergaderkamer in ziekenhuis Amphia in Breda, ‘is dat de maand waarin het verschil gemaakt had kunnen worden’.

Kluytmans ruikt als een van de eersten in Nederland onraad. Op 10 februari vreest hij een tekort aan beschermende middelen en bestelt hij mondmaskers en handschoenen voor zichzelf. Dan kan hij zijn kwetsbare moeder blijven bezoeken als het virus Nederland bereikt.

Het RIVM maakt zich dan nog niet al te druk. Op 27 februari, meer dan een maand na het eerste OMT-beraad over corona, schrijft het een tweede vergadering uit. ‘We hadden het toen over een denkbeeldige casus’, vertelt Koopmans. ‘Stel dat er één coronapatiënt zou opduiken in Deventer. Moet dan de hele stad op slot?’

Later zal blijken dat er dan al honderden besmettingen in Nederland zijn en dat tijdens carnaval duizenden erbij zijn gekomen.

Heilig verklaard

Door een reeks onrustbarende ontwikkelingen krijgen de OMT-leden in maart stuk voor stuk een knoop in hun maag. Kluytmans, Koopmans en Friedrich realiseren zich dat het virus zich razendsnel en ongemerkt heeft verspreid. Schreijer merkt dat de GGD-systemen niet op de grote aantallen zijn berekend. Gommers ziet dat ziekenhuizen worstelen met de nieuwe ziekte, die bij veel patiënten ernstiger uitpakt dan verwacht.

Friedrich, Kluytmans en Schreijer raken in die maand ook zélf besmet. Vooral Friedrich en Schreijer zullen de gevolgen nog lang voelen.

In de vijf OMT-vergaderingen in maart komen de signalen allemaal samen. Onder de wetenschappers ontstaat een onrustige, soms paniekerige stemming – net als in de rest van het land. Hoeveel doden gaan er vallen? Wat kunnen ze doen om dit te stoppen?

Het kabinet weet zich geen raad en leunt volledig op de wetenschappers. Tijdens zijn toespraak vanuit het Torentje op 16 maart zegt premier Mark Rutte dat de OMT-adviezen ‘vanaf het begin leidend zijn geweest voor alle maatregelen die tot nu toe in Nederland zijn getroffen’.

‘Ik kreeg er een ongemakkelijk gevoel bij’, zegt Kluytmans in april in een werkkamer van Amphia in Breda, een van de ziekenhuizen waar de meeste coronapatiënten liggen. ‘Omdat je daarmee verantwoordelijk wordt gemaakt voor politiek beleid. ‘Politiek en wetenschap moet je juist gescheiden houden.’

Officieel is de rolverdeling in deze crisis als volgt: het OMT adviseert welke maatregelen kunnen worden genomen om het virus terug te dringen. Dat advies gaat eerst naar bestuurders en topambtenaren in het ‘bestuurlijk afstemmingsoverleg’ (BAO), die bekijken of de adviezen praktisch uitvoerbaar zijn. Daarna besluiten politici welke maatregelen worden genomen.

Die volgorde is belangrijk: het voorkomt dat wetenschappers over het politieke beleid gaan en dat politici selectief kunnen shoppen in wetenschappelijk advies.

Ruttes uitspraken zijn gevaarlijk, vinden veel OMT-leden. Kluytmans en Koopmans spreken hun zorgen over de schijn van rolvermenging uit tegenover voorzitter Jaap van Dissel. Ze vinden dat Rutte duidelijk moet maken dat niet zij het beleid bepalen, maar de politici zelf. Nadat Van Dissel hun zorgen heeft doorgegeven, past Rutte zijn toon enigszins aan.

Het is opmerkelijk hoe eensgezind de stemming onder de meeste wetenschappers is in die eerste echte crisismaand: iedereen doet z’n stinkende best, meer kun je niet doen. Kritiek leveren kan achteraf, als de eerste besmettingsgolf voorbij is.

Microbioloog Alex Friedrich van het UMCG in Groningen breekt als een van de eersten met die status quo. In de media laat hij weten dat de noordelijke provincies ‘zich hebben losgekoppeld van het landelijk beleid’. Zijn adagium: testen, testen, testen. Om zicht te houden op het virus. Om brandhaarden in zorginstellingen te kunnen uittrappen.

Marion Koopmans en Alex Friedrich. ©Kevin McGivern

Friedrich zit in het bestuur van de Europese vereniging voor microbiologen en heeft veel contacten over de grens. Als ‘regiovertegenwoordiger’ van het noorden is hij eenmalig uitgenodigd bij het OMT, eind februari. Verder staat hij in maart buiten de adviesgroep. Dat zorgt er ook voor dat hij ‘onafhankelijker kan blijven redeneren’, zegt hij in een vergaderzaaltje van het UMCG.

Wie in ieder geval moeten worden getest, zegt hij in maart in de landelijke media, zijn zorgmedewerkers. Omdat zij dicht bij patiënten komen, zijn ze ‘potentiële stroomversnellers’ van de epidemie. Iedere medewerker met klachten – ook van buiten het ziekenhuis – kan zich in Groningen laten testen. Daarmee gaat hij rechtstreeks in tegen het OMT, dat adviseert ‘terughoudend te zijn met het testen van personeel’ vanwege ‘tekorten bij de labs’.

Ineens krijgt Friedrich landelijke bekendheid. De schaarste bij labs, waar het OMT over spreekt? Hij heeft veel labs zelf gebeld, zegt hij. Het klopt dat ze met hun voorraden geen maanden vooruit kunnen, maar wel weken. Dat is bij de start van een pandemie meer dan genoeg om de eerste golf te remmen en tijd te winnen tot de zomer.

OMT-leden en politici reageren aangebrand. ‘Ieder voor zich is niet de manier waarop je een crisis te lijf gaat’, sneert minister Hugo de Jonge.

Friedrich, nu: ‘Als je ziet dat beleid je patiënten schaadt, moet je ervan afwijken.’

Dat ook sommige wetenschappers uit het OMT als door een wesp gestoken reageren, is merkwaardig. Doorgaans worden andere meningen in de wetenschap juist aangemoedigd. ‘Maar nu werd het OMT door de politiek gebruikt als hitteschild’, zegt Friedrich. ‘Ze waren bijna heilig verklaard. Eerder ingenomen standpunten werden verdedigd, in plaats van nieuwe te verwelkomen.’

Het is een van de ergste dingen die je als wetenschapper kan overkomen, zegt Friedrich. ‘Dat ze tegen je zeggen: omdat jij een ander standpunt hebt, ben je niet solidair.’

Tot zijn verbazing krijgt Friedrich opeens weer een uitnodiging voor het OMT-beraad van 6 april. Willen ze zijn kritische geluid in het publieke debat doen verstommen door hem binnenboord te halen? Of hebben ze echt behoefte aan zijn expertise? Hij besluit in te gaan op de uitnodiging. ‘Ik vond het beleid op cruciale punten niet goed’, zegt hij. ‘Ik wilde proberen dat van binnenuit te beïnvloeden.’

Eén ding spreekt hij met zichzelf af: hij gaat niet achter adviezen staan waarmee hij het als wetenschapper oneens is. ‘Dat is voor mij een dikke rode streep.’

Felle discussies

Er is veel kritiek op de ‘intelligente lockdown’ in Nederland, die volgens sommige buitenlandse deskundigen te slap is. In verpleeghuizen is het sterftecijfer ten opzichte van andere landen relatief hoog. Maar eind april blijkt de Nederlandse strategie toch ook te werken. Het aantal ziekenhuisopnamen daalt. Het OMT adviseert voorzichtige versoepelingen. De ergste crisis lijkt voorbij.

In de bestuursvleugel van ziekenhuis Amphia heeft Kluytmans toch een diepe groef op zijn voorhoofd. Hij is bevreesd. ‘Het is voor ons niet meer zo moeilijk om te adviseren hoe je de besmettingen kunt terugdringen’, zegt hij. Lastiger is de periode die nu aanbreekt; een balanceeract tussen versoepelen van restricties en controleren van het virus.

Hoe zorg je ervoor dat mensen in de vakantieperiode gedisciplineerd blijven? Hoe voorkom je een tweede besmettingsgolf tijdens de herfst? En wat als die toch komt, gaan mensen dan weer zo goed meewerken?

‘Om eerlijk te zijn’, zegt hij zacht, alsof hij niet wil dat anderen het horen, ‘denk ik van niet.’ ‘Want hoe lang houden mensen deze soms moeilijk te begrijpen maatregelen vol? Ik ben werkelijk huiverig dat er een soort volksopstand ontstaat, en dan staan wij als OMT-leden wel erg in de schijnwerpers.’

Hoewel de buitenwereld er weinig van mee krijgt, wordt er in het voorjaar binnen het adviesorgaan soms op felle toon gediscussieerd. Over een aantal onderwerpen worden de wetenschappers het maar niet eens. Hebben mondmaskers wel of geen nut? Dragen mensen zonder klachten bij aan de verspreiding van het virus? En hoe zit dat met kinderen?

Nu Friedrich in de club is opgenomen, laat hij tijdens de vergaderingen van zich horen ook. Hij heeft het gevoel dat Nederland ‘in de verkeerde film zit’. Wat in het buitenland allang als waarheid wordt aangenomen, staat hier tot de zomer doorlopend ter discussie. Ja, meent hij, mensen zonder klachten verspreiden het virus. Ja, ook kinderen tussen 10 en 18 jaar oud doen volop mee. Ja, het verplichten van mondmaskers is nodig. ‘Doe je dat niet, dan is het alsof je zegt: iedereen is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van een meter dijk.’

Wat hij vreesde, gebeurt. Hij komt in gewetensnood. Hij is het niet eens met de OMT-adviezen over bijvoorbeeld de rol van besmette mensen zonder symptomen. Er wordt volgens hem niet genoeg rekening gehouden met besmettelijkheid voorafgaand aan de eerste ziektedag. Het liefst zou hij het van de daken schreeuwen, zoals hij in maart deed over het testen, maar, zo wordt hem snel duidelijk, ‘dat is niet de bedoeling’.

Hij legt zijn twijfels voor aan buitenlandse collega’s. ‘Toen schrok ik’, zegt hij later. ‘Daar mochten OMT-leden hun eigen standpunt publiekelijk wel uitleggen, ook al ging dat in tegen het officiële OMT-advies. Hier kreeg ik reacties van OMT-leden waaruit bleek dat dat niet werd gewaardeerd; het zou ondermijnend zijn voor het OMT-beleid. Het werd heftig, het werd persoonlijk. Dat raakte me enorm.’

‘Drie tot vier keer’ overweegt Friedrich in het voorjaar om uit het OMT te stappen. Voorzitter Van Dissel overtuigt hem er uiteindelijk van dat zijn afwijkende geluid toch welkom is. En zijn verantwoordelijkheidsgevoel houdt hem tegen.

Zo blijft hij trouw aanschuiven bij de OMT-overleggen, die verlopen volgens een vast stramien. Vanuit huis of soms hun werkplek loggen de leden – intussen zijn het er zo’n veertig – op maandagochtend in bij de beveiligde videovergadering.

Na een paar formaliteiten volgen er presentaties, van het RIVM of OMT-leden, over de laatste wetenschappelijke inzichten. Jacco Wallinga, rekenmeester bij het RIVM, licht de ontwikkeling van de besmettingscijfers toe. Vervolgens worden de agendapunten behandeld. Meestal zijn de OMT-adviezen al uitgebreid voorbereid door het RIVM.

Onder de OMT-leden is alom waardering voor de manier waarop Van Dissel de vergaderingen leidt. Iedereen krijgt de kans zijn zegje te doen. Als het te langdradig wordt, kapt de voorzitter het vakkundig af. Per advies geeft Van Dissel een mondelinge samenvatting. ‘Is dit een goede weergave van onze conclusie?’, vraagt hij dan. Soms wordt er geprotesteerd en moet hij herformuleren. Uiteindelijk komt het altijd tot een compromis.

Buitenspel

Op het terras naast de ingang van de Amsterdamse dierentuin Artis is van het virus weinig te zien. Het is zomervakantie, Nederlanders trekken weer eropuit alsof er niks aan de hand is. Surrealistisch, constateert GGD-arts Anja Schreijer droogjes.

De Kamer is met reces en ook de meeste OMT-leden vieren vakantie, soms zitten er in de zomermaanden drie weken tussen overleggen. Het is nu aan de de veiligheidsregio’s en de burgemeesters om te zorgen dat het virus niet opnieuw oplaait.

Schreijer weegt haar woorden zorgvuldig. Als medewerker van de GGD is ze naast arts ook ambtenaar, en valt daardoor onder het Amsterdamse stadhuis. Ze zou graag vrijuit willen spreken, maar is voorzichtig, omdat haar woorden bestuurders in de problemen kunnen brengen.

Sinds begin april, toen ze voorzitter werd van het Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding, is ze een vast lid van het OMT. De discussies worden dan vooral gevoerd door virologen, microbiologen en artsen uit de ziekenhuizen. Schreijer brengt de dagelijkse praktijk vanuit de maatschappij in: hoe mensen omgaan met het virus en de maatregelen.

Het zijn de maanden waarin Nederland de pandemie te lijf gaat per veiligheidsregio. Zo kan er sneller worden ingegrepen als het virus ergens oplaait, is het idee. Burgemeesters kunnen in hun regio evenementen verbieden, groepsgrootten bepalen en zelfs horeca en winkels sluiten.

Diederik Gommers en Anja Schreijer. ©Kevin McGivern

Als in juli de besmettingen in Rotterdam en Amsterdam weer toenemen, blijkt al snel dat die strategie niet werkt. Vanuit Amsterdam ziet Schreijer het fout gaan. Net als de andere GGD’s adviseert zij de veiligheidsregio’s maatregelen te nemen, maar ze vindt geen luisterend oor. ‘Op een gegeven moment denk je dan: waar kan ik mijn adviezen nog kwijt?’

Er is een ‘poldermoeras’ ontstaan, concludeert ze. Veiligheidsregio’s vergaderen met elkaar, burgemeesters vergaderen met elkaar, GGD’s vergaderen met veiligheidsregio’s, GGD’s vergaderen met burgemeesters. GGD-artsen vergaderen met elkaar en met het RIVM.

‘Het wordt een beetje handjeklap’, zegt Schreijer aan het eind van de zomer in een café in haar woonplaats Utrecht. ‘Ik wil wel mondkapjes, ik niet. Ik wil een avondklok, ik niet. Ik wil maatregelen tegen studenten, ik heb in m’n stad nauwelijks studenten. Ik heb tegen het RIVM gezegd dat we terug moesten naar de landelijke aansturing.’

De GGD Amsterdam gaat ondertussen zelf met ‘risicogroepen’ in gesprek. Studentenverenigingen bijvoorbeeld, die hun introducties moeten aanpassen. ‘Als je dan twee weken na zo’n gesprek hoort dat bij een studentenvereniging een spel werd gespeeld’, zegt Schreijer, ‘waarbij studenten een lepeltje moesten doorgeven en er allemaal aan moesten likken, dan weet je dat het de verkeerde kant opgaat.’

Op donderdag 6 augustus geven premier Rutte en minister De Jonge een persconferentie over het toegenomen aantal besmettingen. ‘We dreigen de winst te verspelen die we met elkaar in de afgelopen maanden hebben geboekt’, zegt Rutte. Zorgelijk, vindt ook De Jonge, al is de situatie volgens hem anders dan in het voorjaar. Dankzij het bron- en contactonderzoek ‘kunnen we vuurtjes snel uittrappen’, zegt hij.

Nog geen 24 uur later maken de GGD’s van Rotterdam en Amsterdam bekend dat ze datzelfde bron- en contactonderzoek gaan afschalen. Er zijn simpelweg te veel besmettingen, het is niet meer bij te benen. Het komt voor De Jonge als een complete verrassing. Hij voelt zich door de GGD’s in zijn hemd gezet, en ontsteekt op het ministerie in woede.

Ongeduld

Het OMT blijft in de zomer op de achtergrond, maar onderling discussiëren de leden wel over een belangrijke vraag: is hun blik niet te nauw? Zou het OMT niet moeten bestaan uit sociologen, gedragswetenschappers en economen?

Ze hebben in het voorjaar in hun omgeving gezien hoe destructief adviezen kunnen uitpakken. Kinderen die soms in onprettige omstandigheden thuis kwamen te zitten. Ondernemers, die de wanhoop nabij zijn. De cijfers van huiselijk geweld die blijven oplopen. Kunnen zij die belangen wel genoeg meewegen?

Het is Jaap van Dissel die een einde maakt aan die discussie. Het OMT, zegt hij, moet zich buigen over het virus, over testen, over een exitstrategie. Nu al is soms nauwelijks consensus te vinden. Laat staan als er ook nog economen aan tafel zitten. We zitten er om de kwaal te bestrijden, niet voor de bijwerkingen, is de conclusie. ‘Ik denk’, zegt Kluytmans later, ‘dat hij daar wel gelijk in had.’

Aan de andere kant is er ook steeds luidere kritiek. Uit de samenleving, vanuit bijvoorbeeld actiegroep Viruswaanzin, die zich verzet tegen de maatregelen. Maar ook van experts, die zich later zullen verenigen in het Red Team. Zij pleiten in juli juist voor strengere maatregelen dan het OMT adviseert.

In de gesprekken met OMT-leden blijkt het Red Team steeds een gevoelig onderwerp. Sommige wetenschappers hekelen de aanvallende toon richting het OMT. Ze zeggen het niet letterlijk, maar ergens zijn ze jaloers op de onafhankelijke positie van het Red Team.

Zelf zitten ze steeds meer in een keurslijf. Neem bijvoorbeeld de agenda voor de vergadering, die ontvangen ze samen met onderliggende stukken pas zondagavond. Daarmee is de voorbereidingstijd voor de bijeenkomst van maandagochtend extreem kort. Doordat de planning bovendien is dichtgetimmerd, kunnen ze zelden agendapunten toevoegen. Het leidt tot steeds meer irritatie binnen de groep wetenschappers.

De originele agenda, die door het RIVM is opgesteld, drukt zwaar op de inhoud van het OMT-overleg. Maar hoe onafhankelijk komt die tot stand? Wordt die mede bepaald door de politici in het Catshuis, die zondagmiddag bijeenkomen? Moeten bepaalde maatregelen worden vermeden omdat het kabinet er nog niet aan toe is?

Een paar keer spreken prominente OMT-leden in de vergadering hun frustraties uit over de gang van zaken, vertellen ze later. In september, als de besmettingen al flink oplopen maar er nog geen harde maatregelen worden geadviseerd, neemt Marion Koopmans aan het eind van de vergadering het woord. ‘Dit gaat niet goed’, zegt ze geïrriteerd. ‘Nu hebben we het belangrijkste nog niet eens besproken.’

Want ja, waarom is een lockdown bij de OMT-vergadering niet ter tafel gekomen, het instrument dat in het voorjaar zo succesvol was?

Achteraf snapt Kluytmans het ook niet. ‘Als je mij en een aantal andere OMT-leden vraagt: wanneer hadden jullie het idee dat er een lockdown moest komen, dan was het al begin september. En toch hebben we het er niet doorheen gekregen. Dat hebben we niet goed gedaan. Hoe dat komt? Ik weet het nog steeds niet precies, maar in die vergaderingen zit wel een dynamiek die het moeilijk maakt.’

‘Het RIVM heeft een zware rol’, zegt Kluytmans. ‘Het stuurt het proces en de inhoud in belangrijke mate.’ Deels is dat logisch, zegt de microbioloog, omdat de instantie veel kennis in huis heeft. ‘Maar als zij een advies voorbereiden zonder onze input, hebben ze wel een heel grote stempel gedrukt. In een vergadering ga je dan niet over radicaal andere dingen praten.’

Bij de OMT-vergadering begin september pleit Koopmans voor wekelijkse bijeenkomsten, een ander gevoelig punt. Want ook al willen de OMT-leden bij elkaar komen om sneller in te springen op de ontwikkeling van het virus, dat kan alleen als het RIVM als formele organisator een vergadering uitroept. In september, de maand waarin het virus de opmars naar de tweede golf beleeft, gebeurt dat slechts twee keer.

Het steekt de OMT-leden. Een gevoel dat wordt versterkt door de opkomst van het Red Team, de onafhankelijke expertgroep die steeds nadrukkelijker aanwezig is en inmiddels ook door politici is omarmd. Zij kunnen wél adviseren wanneer ze maar willen. Over de onderwerpen die ze zélf kiezen. En daardoor soms adequater reageren op de opkomst van het virus.

Koopmans’ ongeduld is voelbaar, maar toch overheerst bij haar een ander gevoel. Ze is ongerust over de felle kritiek op Van Dissel, uit de maatschappij en de media. ‘Ik heb het gevoel dat barbertje moet hangen’, zegt ze. ‘Als er iets vervelends gebeurt, kom ik wel weer aan de bak, dat is het probleem niet, maar er is nu zo’n vies klimaat. Ik wil daar niet willens en wetens aan meewerken.’

Ventileren

Op maandag 28 september barst de bom. Het OMT-beraad van die ochtend is op Van Dissels verzoek last minute met een uur vervroegd. Als iedereen is ingelogd, begint hij met een mededeling: hij heeft haast, hij moet snel door naar het kabinet.

Na de zomer is bij een aantal OMT-leden het ongemak gegroeid over Van Dissels aanwezigheid in het Catshuis. Ze merken dat hij steeds meer moeite heeft rollen van elkaar te scheiden. Hij is voorzitter van de onafhankelijke groep wetenschappers die ongemakkelijke adviezen moet kunnen geven, maar hij is ook vaste deelnemer aan de zondagse Catshuisoverleggen, waar het kabinet de te varen koers al uitzet.

‘Eigenlijk is dat niet goed’, zegt Diederik Gommers, intensivist in het Erasmus MC, in zijn werkkamer naast de intensive care. ‘Het is daar erg ouwe-jongens-krentenbrood. Je denkt echt: ik ben een van jullie. Dat is onvermijdelijk.’ Hij heeft zelf ervaren hoe je onafhankelijkheid in het Catshuis langzaam verdwijnt, toen hij er in het voorjaar regelmatig kwam. ‘Ik merk dat ik het fijn vind dat ik nu meer afstand heb. Volgens mij ben ik altijd eerlijk geweest, maar nu kan ik onafhankelijker en vrijer spreken.’

Die maandag eind september blijkt er tot ontzetting van een aantal OMT-leden al een pakket maatregelen te zijn dat zondag in het Catshuis is besproken. Het is door het kabinet bedacht, in overleg met Van Dissel, zodat het snel kan worden gecommuniceerd naar de betrokken partijen en de buitenwereld.

Op dat moment wordt het voor sommige OMT-leden pas echt duidelijk dat er iets helemaal fout zit. Voor hun gevoel kunnen zij die dag niet anders dan tekenen bij het kruisje. Het Catshuisberaad, de verwevenheid van Van Dissel met het kabinet, de sterke sturing vanuit het RIVM: het zorgt ervoor dat het OMT praktisch buitenspel staat.

Sommige OMT-leden zijn zó boos dat ze hun woede anoniem ventileren tegenover de Volkskrant. De volgende dag staat het in de krant met de kop: ‘Deel OMT wilde strengere maatregelen en voelt zich buitenspel gezet door de politiek’.

Het is een cruciaal moment in het bestaan van het OMT. De regels schrijven voor dat de inhoud van OMT-beraden binnenskamers blijft. Alles moet bespreekbaar zijn, zonder dat leden zich inhouden.

De anonieme OMT-leden breken niet letterlijk met die code – wat er precies is besproken laten ze in het midden – maar voor andere OMT-leden voelt het wél zo; ze zijn woedend. ‘Dit is een dolk in de rug van Jaap’, zegt een van de wetenschappers bij een volgende vergadering.

‘Op dat moment voelde het even alsof het toch niet veilig was in het OMT’, zegt Schreijer. ‘Ik begrijp waarom mensen het deden, het zal ook vast een effect hebben gehad, maar ik vond het onverstandig. En schadelijk voor de reputatie van het OMT.’

Het is rond die tijd dat Marion Koopmans vreest dat de boel ‘in elkaar gaat klappen’. ‘Er werd door een paar mensen gezegd: ik stap op. Ik heb vooral het gevoel gehad: jongens, dat zou heel slecht zijn.’

Ook Friedrich, die niet tot de anonieme leden behoorde, ziet het als een reële mogelijkheid dat het OMT uiteenvalt. ‘Ik zou dat niet erg vinden’, zegt hij. ‘Misschien is dit een kans voor een andere organisatie van het OMT. Laat ons hiervan een club maken met echte onafhankelijkheid en gezonde afstand tot de politiek.’

Schreijer vreest niet zozeer het uiteenvallen van het adviesorgaan, maar wél dat de rol van de wetenschappers verder vervaagt. Er is volgens haar paniek in Den Haag. ‘Er werd geshopt in wetenschappelijk advies. Ik was bang dat de crisisstructuur zou omvallen.’

Toenemende druk vanuit de maatschappij, toenemende tijdsdruk, toenemende vermoeidheid: het draagt er allemaal aan bij dat de irritaties binnen het OMT oplopen. Dat de vergaderingen online zijn, wreekt zich bovendien. ‘Als we fysiek bij elkaar hadden kunnen komen, was dit misschien niet gebeurd’, zegt Koopmans. ‘Maar via zo’n scherm kun je de stemming niet peilen.’

Achteraf, zeggen de OMT-leden die anoniem naar buiten traden, hadden ze het gewoon onder hun naam moeten doen. Desalniettemin hebben ze er geen spijt van. ‘Het was nodig’, zegt Kluytmans, een van hen. Hun kritiek hadden ze eerder al intern geuit, zonder resultaat. ‘Ik zou het niet nogmaals zo doen, maar het heeft wel iets in werking gezet.’

Bij de daaropvolgende vergadering biedt Van Dissel zijn excuses aan voor de gang van zaken. Daarmee is het échte probleem niet opgelost: de verwevenheid tussen het kabinet en voorzitter Van Dissel en de daaruit voortkomende politieke sturing.

Tegengestelde conclusies

De kritiek in de samenleving zwelt begin oktober aan, het verzet tegen de coronamaatregelen neemt toe. Sympathisanten van actiegroep Viruswaanzin duiken steeds vaker op. Bij teststraten van de GGD worden bezoekers gefotografeerd door intimiderende demonstranten. Ziekenhuispersoneel krijgt geregeld te maken met agressie.

Binnen het OMT zijn de spanningen allesbehalve verdwenen. De mondkapjes zijn niet alleen meer een splijtzwam in de samenleving, ook binnen het adviesorgaan leidt het onderwerp tot steeds verhittere discussies. Overal ter wereld adviseren deskundigen het gebruik ervan te verplichten. In Nederland niet.

Een van de belangrijkste aanjagers van de discussie is nota bene de voorzitter van het OMT zelf. Zowel in OMT-vergaderingen als in interviews spreekt Jaap van Dissel zich uit tegen het gebruik van mondkapjes, die volgens hem niet of nauwelijks effect hebben. Als er onderzoeken verschijnen die stellen dat het wél zin heeft, schudt Van Dissel een publicatie met tegengestelde conclusies uit zijn mouw.

Er zijn dagen dat Diederik Gommers er helemaal gek van wordt, er zijn ook dagen dat hij moet lachen. ‘Weet je wat het mooie is?’, zegt hij. ‘Ze hebben het bij het RIVM vaak over evidence, dat is dan heel belangrijk. Voor die mondkapjes was zogenaamd geen evidence. Dus, zegt Jaap, kunnen we het gebruik ook niet adviseren. Maar de grap is: voor die anderhalve meter was óók geen evidence – het had net zo goed 70 centimeter kunnen zijn – maar dat adviseren we wél. En als er dan evidence opduikt vóór de mondkapjes, zeggen ze: ja, maar dan houden mensen geen anderhalve meter afstand meer.’

Toch hoopt de frustratie over de kwestie zich langzamerhand op. OMT-leden merken dat de conclusies die ze gezamenlijk trekken over mondkapjes soms nét anders in de geschreven adviezen terechtkomen. Adviezen die, door tijdgebrek, naar het kabinet gaan zonder dat iedereen ze heeft kunnen nalezen.

Aan het eind van de zomer redigeert Kluytmans als voorlaatste het advies over mondkapjes. ‘Toen moest er nog één persoon overheen, dat was Jaap. Bij mondkapjes was het punt: we weten het gewoon niet. Zo was het ook verwoord in het stuk dat ik doorgaf. In het uiteindelijke stuk was het wetenschappelijke deel weliswaar intact gebleven, maar was het advies zo verwoord dat het negatiever overkwam.’

Friedrich, al vanaf het voorjaar voorstander van de mondkapjes, eist dat hij de adviesteksten over mondkapjes mag zien voordat ze naar het kabinet gaan.

Kluytmans: ‘Mensen hebben wel gezegd: Jaap, laat jouw persoonlijke mening niet te leidend zijn bij zo’n advies. Je komt alleen te staan in deze discussie, maar dat zit denk ik niet in hem. Als hij zich op basis van beschikbare kennis een mening heeft gevormd, laat hij die niet makkelijk los.’

Het wordt hem vergeven, omdat iedereen ziet dat hij in een onmogelijke positie zit. Met één been in het Catshuis, met het ander in het OMT. Nog een wonder, vinden ze, hoe hij dat weet vol te houden.

Hoe moeilijk het is om de rollen te scheiden, blijkt soms uit kleine dingen. Voorafgaand aan de OMT-bijeenkomst van 12 oktober heeft Rutte aan Van Dissel laten weten dat het kabinet de scholen écht niet wil sluiten, vanwege alle problematiek die daar weer uit voortkomt. Het kabinet wil dat aan het OMT ‘meegeven’, zodat er bij het opstellen van het advies rekening mee wordt gehouden.

Van Dissel organiseert een pre-OMT waarin hij de kwestie ter sprake brengt. Via hun schermen luisteren Koopmans, Kluytmans, microbioloog Menno de Jong en een aantal RIVM’ers naar de voorzitter. Hij geeft Ruttes boodschap door: de scholen worden niet gesloten.

Hoewel iedereen de redenering van de premier begrijpt – de leerachterstanden en schrijnende thuissituaties van het voorjaar wil niemand – gaat hier wederom iets fundamenteel fout in de volgorde, voelen de OMT-leden. Zij zien dat de besmettingscijfers op scholen toenemen. Door Ruttes boodschap voelen ze zich niet meer vrij om sluiting van de scholing te adviseren, als ze dat nodig zouden achten.

Bij het pre-OMT grijpt Kluytmans in. ‘Luister Jaap’, zegt hij tegen Van Dissel, ‘ik begrijp dat jij erbij zit in het Catshuis, maar je moet nu toch echt even een stap terug doen. Je zit nu hier, niet daar.’

‘Wij zagen dat scholieren van 17 en 18 jaar volop meededen bij de verspreiding van het virus’, zegt Kluytmans nu. ‘Wij vonden dat je bij die scholen wat moest veranderen. Als je ze open wilt laten, moet er afstand worden gehouden en worden lesgegeven in kleinere groepen. Dat moet je niet aan de scholen zelf laten. In de vertaalslag naar het kabinet is dat niet goed meegekomen.’

Uit het tachtigste OMT-advies: ‘Er wordt wel een stijgend aantal infecties gezien onder jongeren en jongvolwassenen. Echter, gezien het grote belang van onderwijs voor het welzijn, de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen en jongeren, is het OMT van mening dat het voortgezet onderwijs open kan blijven op de wijze waarop dit nu georganiseerd is.’

Bedreigingen

De bedreigingen worden tijdens de herfst een steeds groter probleem. Bij het huis van Van Dissel zijn ‘serieuze incidenten’ geweest. Meerdere OMT-leden krijgen thuis intimiderende post. Dat voelt anders dan een mailtje, indirect zeggen de afzenders: ik weet waar je woont.

OMT-leden doen aangifte bij de politie. Het is zelfs zo erg, dat Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) Pieter-Jaap Aalbersberg gesprekken met OMT-leden voert om ze voor te lichten over de dreiging.

In het periodieke dreigingsbeeld van de NCTV heeft Aalbersberg al gewaarschuwd voor ‘een radicale onderstroom met soms extremistische gedragingen’ die door corona is versneld. Hij adviseert de wetenschappers ‘uit de publiciteit te blijven’ en ‘niet te praten over de bedreigingen’. Het gevaar, zegt hij, zit vooral bij ‘geradicaliseerde eenlingen’, buiten het zicht van de veiligheidsdiensten.

Voor sommige OMT-leden wordt de situatie steeds grimmiger. En ook binnen het OMT blijven er spanningen. Kluytmans, Gommers en Friedrich maken zich grote zorgen. Zo langzamerhand, concluderen zij, kun je het OMT-advies niet meer onafhankelijk noemen. Via Van Dissel heeft Rutte het adviesorgaan aan een touwtje, vinden ze.

Intern hebben ze hun kritiek meermaals geventileerd. Van Dissel zegt het te begrijpen. Maar vooralsnog is er niets veranderd. Moeten ze naar buiten treden met hun zorgen, in een ultieme poging de onafhankelijkheid van het OMT veilig te stellen? Moeten ze opstappen?

Wake-upcall

Wat zijn de gevolgen als je als OMT-lid op een dag zegt: ik doe niet meer mee? Zou dat een wake-upcall zijn voor de rest? Of zou er een crisis-in-een-crisis ontstaan, zou het OMT uiteenvallen, waardoor het land verder moet zonder adviesorgaan?

Met die vragen worstelen Kluytmans, Gommers, Friedrich en ‘nog een paar OMT-leden’. ‘De gevolgen kan ik niet goed overzien’, zegt Kluytmans in oktober telefonisch. ‘Er zou weleens een vervelende dynamiek kunnen ontstaan. Ik kan niet zomaar zeggen: ik stop ermee, zonder opgaaf van redenen. Dat roept te veel vragen op.’

Een andere mogelijkheid is om met een paar OMT-leden naar buiten te treden via de media, en zo het kabinet te dwingen zijn greep op het OMT te verslappen. In die eerste weken van oktober wordt die optie serieus besproken.

Maar net als de beslissing moet vallen, kondigt Van Dissel aan dat de OMT-vergadering voortaan niet meer op maandag is – een dag na het Catshuisberaad – maar op de vrijdag ervoor. Zo kunnen de politici geen ‘instructies’ meer meegeven.

Het lijkt een futiele ingreep, maar het verandert veel. Telefonisch laat Kluytmans eind november weten dat ‘de kou voor een groot deel uit de lucht is’. ‘We zitten nu veel beter in onze rol. Er is geen tijdsdruk meer en geen beïnvloeding vanuit het Catshuis.’

‘Cruciaal’, noemt Schreijer de beslissing. ‘Tot dat moment kun je je afvragen hoe onafhankelijk wij waren. Nu weet Jaap de urgentie weer over te brengen in het Catshuis.’

Volgens Gommers is niet alleen de volgorde veranderd, maar ook de houding van voorzitter Van Dissel. ‘Hij luistert beter naar signalen uit het OMT. Eerder kwamen we er bij hem gewoon niet doorheen, dan had hij zich in het Catshuis al uitgesproken en kon hij eigenlijk niet meer terug. Nu neemt hij onze kleuring juist mee naar het kabinet.

Koopmans vertrouwde in de oude situatie ‘op de scherpte van Jaap’, maar is tevreden over de ingreep. ‘Jaap was potentieel kwetsbaar, hij had de schijn tegen. Je moet stevig in je schoenen staan als je zo dicht bij de politiek zit. Tegelijkertijd waren er wel korte lijntjes. Ik kan me moeilijk voorstellen dat Jaap zich laat sturen.’

Het is bijna een jaar na het eerste OMT-beraad, en nu is de situatie volgens Kluytmans eindelijk ‘zoals het zou moeten zijn’.

Struikelen om op te groeien

Nederland zit inmiddels in de strengste lockdown tot nu toe. Het vaccineren komt maar niet op gang. Het vertrouwen van de bevolking in het coronabeleid is op een dieptepunt: nog maar 45 procent van de mensen gelooft erin. En nu is er ook nog een avondklok.

Het rustige vaarwater waarop de OMT-leden hoopten als dit verhaal zou worden gepubliceerd, is woeliger dan ooit. Het kabinet is gevallen over de toeslagenaffaire. Meer nog dan voorheen zal er naar de wetenschappers worden gekeken. En dat terwijl een deel van de bevolking steeds militanter wordt.

Toch willen ze kritisch terugkijken op hun eigen functioneren, zich kwetsbaar opstellen. Juist nu het in Den Haag gaat het over de ‘Rutte-doctrine’ – de neiging om relevante discussies en documenten onder de pet te houden – willen zij open zijn.

Welk gevoel blijft hangen bij de OMT-leden? Wat hadden ze anders kunnen doen? Wat heeft dit jaar ze opgeleverd? En wat heeft het ze gekost?

Om eerlijk te zijn, zeggen ze allemaal, hadden ze geen idee waar ze aan begonnen. Er lagen draaiboeken, er lag een crisisstructuur, ze zaten bomvol kennis op hun gebied, maar dit virus was anders dan ze zich ooit hadden kunnen voorstellen.

Kluytmans, die afgelopen voorjaar al veel onheil voorspelde, zegt dat ze het allemaal ‘zwaar hebben onderschat’; de impact van het virus, hoe zwaar je woorden als OMT-lid wegen. Het heeft de microbioloog ‘overweldigd’. ‘We zijn in een positie gekomen die veel risico’s met zich meebrengt. Je woorden krijgen gevolgen die je niet wil. Daardoor moet ik nu voorzichtiger manoeuvreren.’ Hij noemt dat ‘jammer’.

Hij is kritisch geweest op het OMT, maar hij vindt ook: je kunt niet opgroeien zonder te struikelen. Hij wil benadrukken dat hij, ondanks de kritiek, vooral bewondering heeft voor Van Dissel. Door de crisisstructuur zit de OMT-voorzitter in een ‘bijna onmogelijke rol’. ‘Toch is hij koersvast gebleven’, zegt Kluytmans. ‘Zelf had ik dat niet gekund.’

Dat Alex Friedrich nog steeds in het OMT zit, is een klein wonder. Met wisselend succes probeerde hij ‘pragmatisme en kennis uit andere landen’ in te brengen. Een benadering puur op basis van studies, die veel OMT-leden volgens hem voorstaan, staat oplossingen in crisistijd in de weg.

Dat het OMT onafhankelijk adviseert, berust volgens hem op een misverstand. ‘Zolang het OMT door het RIVM wordt voorgezeten, kan het nauwelijks écht ongemakkelijke adviezen geven. Als we onafhankelijk waren, zouden er vaker andere geluiden te horen zijn. Dan zou veel zichtbaarder worden wat de wetenschap echt weet. En wat nog niet.’

De OMT-discussies noemt hij ‘vooruitstrevend’. Wat er uiteindelijk op papier komt, ‘is dan soms teleurstellend’. ‘Ik ga de afgelopen periode nog vele jaren met mij meedragen. Omdat ik in deze crisis voor het eerst in mijn leven heb ervaren dat je als wetenschapper niet altijd vrij bent je mening te uiten.’

In oktober dacht Diederik Gommers nog dat het OMT ‘z’n langste tijd had gehad’, inmiddels gelooft hij er weer in. ‘We hadden vaak het gevoel dat we te laat waren, geen verschil konden maken’, zegt hij. Inmiddels kan het OMT er volgens hem ‘doorheen breken’. ‘Bij de OMT-vergadering van 8 januari was het RIVM niet echt bezorgd over de besmettingscijfers, maar hebben we dat toch weten te draaien.’

Langetermijnplan

De zomer, waarin de landelijke aansturing werd losgelaten, is volgens Anja Schreijer ‘een gigantische fout’ geweest. ‘Dat de hete aardappel door politici werd doorgeschoven, heeft me gefrustreerd. Als GGD-arts kwam ik eigenlijk alleen te staan.’

Ze dringt al maanden aan op een langetermijnplan. In november heeft ze tijdens een digitale heisessie van het OMT een aantal scenario’s gepresenteerd, waaronder één die inmiddels is uitgekomen: een virusmutant. ‘Maar daarna zijn we teruggegaan naar de reactieve stand, waarbij we reageren op vragen van VWS in plaats van vooruit te denken. We moeten echt een visie ontwikkelen over hoe we uit deze situatie komen.’

Marion Koopmans wil dat ook. Het heeft volgens haar ontbroken aan een moment van bezinning ‘doordat de trein maar bleef voortdenderen’. ‘Dat je twee dagen bij elkaar gaat zitten en kijkt: wat staat ons nog te wachten, wat is onze strategie?’ Dat had volgens haar in de zomer gemoeten, en nu eigenlijk weer. ‘Want echt, het kan nog zo ongelooflijk fout gaan de komende tijd.’

De belangrijkste les, zegt Koopmans, is de ‘totale alomvattendheid’ van een pandemie. ‘Socially disruptive’, staat in alle scenario’s. ‘Wat dat betekent, ervaren we nu.’ Een van die gevolgen is de druk die ontstaat op de groep wetenschappers die het kabinet adviseert. De spanningen binnen het OMT en de bijna-breuk zijn daarvan mede het gevolg, denkt ze.

Onvermoeibaar zijn de OMT-leden de crisis te lijf gegaan. In hun labs en ziekenhuizen, bij de GGD, in het OMT, in het publieke debat. Begin deze maand wonnen Koopmans en Gommers de Machiavelliprijs, vanwege hun ‘niet-aflatende inzet om de wetenschap over het coronavirus toegankelijk te maken voor een breed publiek’.

Koopmans is inmiddels afgereisd naar China om met een team van de WHO de oorsprong van het virus te vinden. Als dat al lukt, zullen er nieuwe vragen opdoemen, zoals iedere dag het afgelopen jaar. Haar belangrijkste inzicht: ‘The more we know, the less we know.’

Met medewerking van Natalie Righton.