‘Plotseling stuurde ze me haar huis uit, alsof ik een inbreker of aanrander was’

Drieëntwintig jaar was Wammes (71) samen met zijn vriendin, nooit was het gebrek aan lichamelijke affectie een probleem. Op een avond veranderde alles in één minuut. 
©Sasa Ostoja

‘Drieëntwintig jaar geleden reageerde ze op een contactadvertentie die ik in de Volkskrant had gezet, er waren meer reacties, maar die van haar stak er met kop en schouders bovenuit. Vanaf het eerste begin deden we veel samen, ik leerde haar tennissen, we gingen veel naar de film, bezochten zowel wereldsteden als kleine dorpjes met Fletcherhotels. Het waren haar warmte en haar zichtbare onmiddellijke genegenheid die ik als weldadig ervoer. Ze bleek net twee jaar weduwe en had twee kleine kinderen voor wie ik graag een beetje ‘vader’ wilde zijn. En in de drieëntwintig jaar die volgden, zijn we op een prettige manier min of meer aan elkaar blijven hangen, ook al waren we niet zichtbaar verliefd en woonden we niet samen. 

‘Ik hield van haar als van de liefde van mijn leven, maar er was één probleem. In het begin van onze relatie zei haar moeder tegen me: ‘Het kan ingewikkeld worden met mijn dochter. Ik heb mijn kinderen onvoldoende geknuffeld.’ En inderdaad, al snel begreep ik wat haar moeder bedoelde, lichamelijke affectie zat er niet in bij mijn vriendin. Aan de ene kant werd mijn liefde voor haar iedere dag sterker, aan de andere kant bleek met iedere dag erbij steeds duidelijker dat ze mij nooit zou omhelzen, dat ze nooit spontaan haar armen om me heen zou slaan. Andersom stond ze mijn omhelzingen wel toe. Dan liet ze me begaan. Nadat haar kinderen de deur uit waren, kwam ze iedere avond naar me toe. Ze woonde inmiddels al jaren bij mij aan de overkant. Ze kwam binnen om half tien en dan gingen we op de bank zitten, ze tilde mijn linkerarm op en dan vlijde zij zich tegen me aan, maar haar eigen armen bleven kuis over elkaar geklemd. Nooit heb ik haar greep om mijn lichaam gevoeld of een arm op mijn been. In al die jaren hebben we niet één keer gezoend. Het kasboek bleef, zou je kunnen zeggen, onevenwichtig gevuld. Maar ze knuffelde mij met haar ogen. Ze toonde haar liefde met ogen die vonkten. Ik gaf haar bloemen en andere cadeautjes en dan keek ze me aan en smolt ik, alleen van haar blik. En nooit heb ik gedacht: ik kom tekort, ik ga een ander zoeken. Daarvoor was haar gezelschap me te dierbaar, ik gunde haar haar onmacht.

‘Tot 20 augustus 2020. Even voor een beter begrip: zij en ik hadden nooit ruzie. Soms, als ze weer eens deed of ze de weg beter kende dan de TomTom, kibbelden we wat, maar veel stelde dat niet voor. Alle jaren samen kenmerkten zich door harmonie en een vast ritme. Als ze binnenkwam en in de oksel van mijn arm lag, keken we Nieuwsuur en daarna naar Op1 en daarvoor de voorgangers daarvan. We leverden samen commentaar, de laatste maanden op al die virologen, en hadden plezier. Rond middernacht ging ze weer naar huis of ze bleef slapen. In de dagen voor die 20ste augustus, was ze steeds vaker bij een vriendin. Aan mondkapjes deed ze niet, dat vond ik dom. Ik zei, je moet de regels in acht nemen, al maakte ik er geen al te grote heisa van. Op 19 augustus hadden we nog op de bank gezeten bij mij thuis en een dag later appte ze dat ze die avond een Netflix-film zou gaan kijken bij die vriendin. Rond half elf keek ik uit het raam om te zien of ze thuis was, maar ik zag geen licht branden, en om elf uur was ze er nog niet. Zolang ik haar kende, was ze nooit zo laat thuisgekomen, wat kon er gebeurd zijn? Ik maakte me zorgen. Pas om kwart over twaalf zag ik licht branden en ging naar haar toe. Ze leek verward. Toen ze me zag riep ze: ‘Ga weg, jij. Ga mijn huis uit.’ Ik was perplex en als een geslagen hond liep ik weg.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

‘Tot dat moment had ik altijd gedacht dat ik haar altijd voldoende kende en begreep om van haar te kunnen houden en me prettig te voelen. Het ongemak over haar lichaam en het onvermogen daar met mij over te praten, stoorden me op mijn 71ste al lang niet meer. Steeds deden de warm fonkelende ogen bekwaam hun werk. En nu stuurde ze me haar huis uit, alsof ik een inbreker of aanrander was. Plotseling wist ik: dit was het dan, dit is het einde van onze relatie. Uit bezorgdheid was ik ‘haar huis binnengedrongen’, zoals ze me nariep. Gedreven door liefde, had ik de consequenties van mijn besluit niet goed doordacht. Maar waarom joeg ze me zo hardvochtig weg? Op welke manier viel dit te rijmen met het haar jarenlange trouw en het enthousiasme waarmee ze bijvoorbeeld in 2019 met mij op reis was geweest naar Krakau? De herinneringen daaraan koester ik nog elke dag.

‘Ik heb meteen een briefje onder haar ruitenwisser gedaan: wat er ook gebeurt, ik houd altijd van je. Maar de dag erop kon ik het niet opbrengen met haar te gaan tennissen. Het kwam me voor dat vanaf nu alles onvoorspelbaar zou zijn tussen ons. En het waren juist de voorspelbaarheid en het plezier dat ik zo waardeerde. Heel gek misschien, maar we hebben elkaar nooit meer gesproken, ze is niet meer bij mij langs geweest en ik niet bij haar. Ik begreep dat ze een tijdje terug corona heeft gehad en gelukkig weer is opgeknapt. We kijken nu ieder apart op 50 meter afstand van elkaar naar Nieuwsuur. Als ik haar tegenkom op straat, loopt ze snel door. Gezamenlijke vrienden zeggen tegen me: leg je erbij neer, het is gebeurd met jullie relatie. Maar soms betwijfel ik of het die avond wel haar bedoeling was om mij voor altijd weg te sturen, of ze wel genoeg wist van de mores van de liefde om te weten welk effect haar woorden zouden hebben.

‘Ik mis haar en voel me somber. Zo grillig kan liefde dus zijn; in één minuut, alles voorbij. Als ik die nacht niet naar haar was toegegaan, waren we nu misschien nog samen.’