Dick Swaab en Ard Schenk over hoe gezond oud te worden: ‘Rust roest, dat geldt ook voor je brein’

Schaatskampioen Ard Schenk (76) en hersenwetenschapper Dick Swaab (75), beiden wereldberoemd in Nederland, kunnen door corona niet verder met hun theaterlezingen over het fitte brein. Daarom delen ze hier hun tips en tricks.
Ard Schenk en Dick Swaab (r.): ‘Wij een risicogroep? Totaal niet mee bezig.’ ©Simon Lenskens

Het zijn allebei jongetjes in een – toevallig – verouderd lijf. Daarvoor hoef je Ard Schenk en Dick Swaab niet eens live te ontmoeten. Je ziet het al via Zoom. De eerste is drievoudig olympisch schaatskampioen, en springt nog altijd rank en slank de fiets op. De tweede blinkt met zijn hersenonderzoek al decennia uit in denksport, nog altijd met die guitige blik en branie als van dat kereltje dat de microscoop van zijn vader mocht lenen.

Met hun lezing over hoe gezond oud te worden beklimmen ze doorgaans samen de Nederlandse podia. De coronakwestie mag hun theateragenda dan wel on hold zetten, tegen hun enthousiasme – vaak laaiend – en humor – soms hilarisch onderkoeld – kan geen virus op.

Schenk: “Ach, wij zijn flexibele, oude knarren, hè.”

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Swaab: “Én gezond. Dat is nu ook bewezen. Ze hebben me net, voor een baan aan de universiteit in Slovenië, volledig binnenstebuiten gekeerd. Ik ben mentaal én fysiek gezond bevonden. De arts zei wel dat ik de oudste werknemer was die hij ooit heeft getest.” (lacht)

Heren, hoe oud voelen jullie zich?

Dick Swaab: “Mijn brein voelt zich nog altijd zeventien. (lacht) Dus ik merk niet echt dat ik ouder word. Alleen is er dat lichaam natuurlijk.”

Ard Schenk: “Ik merk wel dat ik wat trager word, trager denk. Is dat nu die ongezondere levensstijl die mijn hersenen al wat op hun donder gegeven heeft – van toen ik rond mijn vijftigste meer at en dronk, en te weinig sliep? Of neemt dat brein van me langzaamaan af? Geen idee. Wel spring ik nog wekelijks op mijn mountainbike, om te klimmen en te klooien in de duinen. Zo probeer ik dat hoofd toch te stimuleren.

Swaab: “Is dat wel logisch, Ard? Dat je je lichaam traint als je voelt dat je brein wat minder functioneert? Ik zou dan mijn hersenen trainen.” (lacht)

Schenk: “Ik ben natuurlijk niet gevormd tussen de leesboeken, of achter de microscoop. Als jongetje zwierf ik rond op de boerderij van mijn ­ouders. Alles was er veel meer gericht op het doen, op actie. Dus maak ik mezelf graag wijs dat sporten mijn brein ook wat wakker houdt.”

Heeft Ard daar een punt? Kan sporten ook onze hersenen in conditie houden?

Swaab: (knikt) “Er zijn studies die aantonen dat lichamelijke activiteit – en dat is nog iets anders dan sporten – de gezondheid van ouderen ten goede komt. Beweging zou het risico op cognitieve achteruitgang en dementie verminderen. Ard heeft daar dus wel ergens gelijk.”

Schenk: “Mijn stelling is altijd geweest: gebruik je lichaam waar het voor gemaakt is. Om te bewegen. Je lijf op een goede manier in stand houden, dat is toch belangrijk. Zeker wie ouder wordt, vergeet dat vaak. Dan is het dikwijls ‘mind’ over ‘body’, terwijl het zo van belang is om je lichaam te blijven inzetten.”

Swaab: “Maar dan toch niet door je lichaam te gebruiken zoals jij dat vroeger hebt gedaan, Ard.” (lacht)

Ard Schenk: ‘In mijn fietsgroep hebben we een gouden regel: je mag het vijf minuten over je kwalen hebben, daarna moet het over iets anders gaan.’ ©Simon Lenskens

Schenk: “Nee, inderdaad. Dat merk ik ook. Sommige onderdelen, zoals mijn knieën en heupen, melden zich al. Lange wandelingen zijn niet meer aan mij besteed. Maar ook dat is zorg dragen voor je lichaam: het op tijd rust gunnen.”

Dat zegt u nu. Maar vijftig jaar geleden schaatste u als topsporter wellicht vlotjes over uw grenzen heen?

Schenk: “Dat is het negatieve effect van topsport. Je gaat maar door tot je lijf zegt: nu trek ik het niet meer. Maar goed, ik kom nog uit een heel ander tijdperk. Als ik dat vergelijk met de topsport van nu, dan deden wij niet veel anders dan flierefluiten. Wij hadden één trainer, aten wat de pot schafte en onze krachttraining deden we met de binnenband van een vrachtwagen, gevuld met zand. En we werden daar ook sterk van. Van de huidige generatie wordt veel meer gevraagd. Ze hebben ook allerlei specialisten rond zich: een psycholoog, een voedingsdeskundige, een krachttrainer, coaches.

“En wat valt er op? Onze maatschappij, zo sterk gericht op presteren, spiegelt zich daaraan. Je ziet dat al bij kinderen van zeven: ze trekken een T-shirt van Messi aan en willen al meteen de beste voetballer zijn. Ik heb als kleine jongen nooit staan roepen dat ik wereldkampioen wilde worden.”

Swaab: (gruwelt zichtbaar bij het idee)

Dick, u huivert als het over intensief sporten gaat. Maar er is toch zoiets als ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’?

Swaab: “Dat is zo’n leuze die me altijd aan de nazi’s doet denken. Weet je, jaren geleden was ik uitgenodigd op de universiteit van Twente, voor de opening van haar nieuwe sportfaciliteiten. Ik mocht er een woordje zeggen over ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’.”

Schenk: “Ik was daar ook, om te vertellen hoe belangrijk sport was. Voor mijn vader, toen net 65 geworden, had ik nog maar pas een tennis­racket gekocht. Maar toen kwam Dick dus.”

Swaab: “Ik wees erop dat een van onze beste ­breinen ter wereld, Stephen Hawking, niet ­bepaald in een gezond lijf zat. Dat een gezonde geest en een gezond lichaam dus niet per se ­samengaan. Daarna begon ik nog over de 1,5 miljoen sportblessures per jaar.

“Voetballers die hersenschade oplopen door te koppen, marathonlopers die dood neervallen, boksers die vroegtijdig alzheimer of parkinson krijgen. Daar waren ze helemaal niet mee opgezet. Ard, jij ook niet, geloof ik? Ze hebben me alleszins nooit meer uitgenodigd.” (lacht)

Dick, u voert al jaren onderzoek naar wat voor velen hét schrikbeeld is op hogere leeftijd: dementie. Behalve actief blijven, kunnen we daar nog iets tegen beginnen?

Swaab: “Genezen kunnen we het niet. Ik geloof ook niet, zoals sommige andere wetenschappers beweren, dat er ooit een pil komt die dat wel kan. Valse beloftes noem ik dat. Daarvoor is de hersenschade die je onder de microscoop ziet gewoonweg te groot.

“Ik zie de ziekte van Alzheimer als een vervroegde, versnelde vorm van hersenveroudering. Hoe ouder je wordt, hoe groter het risico dat je loopt. Van de 75-jarigen kampt 7 procent met dementie, bij de 85-plussers is dat al 30 procent. We kunnen niet verwachten – en moeten misschien ook niet hopen – dat we dat verouderingsproces ooit kunnen stoppen.

“Maar we kunnen het wel vertragen. Dat doen we nu al. De laatste twintig jaar hebben we alzheimer al met zo’n 10 procent uitgesteld. Dat kan door een goede opleiding, een interessante job die eisen stelt aan je brein – liever geen routinewerk dus. Maar ook door matig en gezond te eten, hart- en vaatproblemen te laten behandelen en regelmatig te bewegen.”

Al begint het voor ons brein al veel vroeger dan dat, zegt u. ‘De kans om oud te worden zonder dementie ligt al voor 50 procent vast in onze genen.’ Echt?

Swaab: “Je ouders zorgvuldig uitkiezen: dat is het allerbelangrijkste wat je kunt doen. (lachje) Als je je brein gebruikt, dan beschadig je je hersencellen. Wel hebben onze hersenen heel efficiënte mechanismes om de meeste schade te herstellen. Alleen: dat proces werkt bij sommigen beter dan bij anderen. Vooral je genetische aanleg speelt hier een rol. Dat beetje schade dat je niet kunt herstellen en zich opstapelt, dat is het verouderingsproces.

Dick Swaab: ‘De kans om oud te worden zonder dementie ligt voor 50 procent vast in je genen. Je ouders goed uitkiezen is wat je moet doen.’ ©Simon Lenskens

“Vandaar dat stokoude mensen vaak zelf ouders hadden die hoogbejaard werden. Ook het omgekeerde, jongdementie, zit in de familie. Zo zijn er in België een paar families waar ze rond hun 39ste al alzheimer krijgen. Bij hen ontstaat er veel schade door een mutatie, waardoor de ziekte vervroegd toeslaat. Maar dat is gelukkig zeldzaam.”

Ook straf: hoe gezond ons oude brein wordt, speelt zelfs al vóór onze geboorte. Dat moet u eens uitleggen.

Swaab: “Vanaf de bevruchting speelt onze omgeving al een rol. Kijk maar naar de Hongerwinter in Nederland. (De winter aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen er grote voedselschaarste was, red.) Wie toen in de baarmoeder zat, heeft nu op zijn 75ste al eerder risico op alzheimer. Bij die mensen zien we kleinere hersenstructuren.

“Hetzelfde mechanisme speelt nu nog als de placenta niet goed werkt. Ook dan krijgt de foetus niet genoeg voedsel voor een optimale hersenontwikkeling.”

Maar jullie zijn zelf allebei geboren in 1944. Zijn jullie dan geen slachtoffers?

Schenk: “Gelukkig woonden mijn ouders op een boerderij. Mijn moeder heeft altijd genoeg te eten gekregen. En ik dus ook, in de buik.”

Swaab: “Ard en ik hebben ook geluk gehad. De eerste drie maanden van de Hongerwinter waren de kwetsbaarste periode. Maar toen wij in de baarmoeder zaten, was die al achter de rug. Bovendien had mijn moeder veel melk na de bevalling. Zoveel zelfs dat ze nog afkolfde voor een ondergedoken kind.

“En, ook belangrijk: ik groeide op in een verrijkte omgeving met veel prikkels. Stel dat je in de baarmoeder achterstand oploopt, maar je wordt thuis genoeg gestimuleerd, dan kun je die schade nog inhalen. Kinderen, daarentegen, die dat moeten missen, hebben een dubbele handicap.”

Het komt er dus op neer om ons brein al van jongs af aan te stimuleren. Hoe kunnen we dat doen?

Swaab: “Door al vroeg een cognitieve hersen­reserve op te bouwen. Taalontwikkeling, bijvoorbeeld, is van buitengewoon belang. Kinderen die tweetalig opgroeien, krijgen nog een extra stimulans. Door voortdurend tussen twee talen te schakelen, bouwen zij extra reserve op. Zoveel zelfs dat ze vijf jaar later alzheimer krijgen, vergeleken met wie maar één moedertaal heeft.”

Wat als je al ouder bent? Hoe kun je dan je grijze spons trainen?

Swaab: “Denksport is zo’n beetje de veiligste sport, zien we daar.”

Schenk: (gniffelt en houdt zich op de vlakte)

Swaab: “Zo weten we dat ouderen die geregeld schaak spelen de ziekte van Alzheimer vier jaar kunnen opschuiven. Nog een aanrader: leer op hogere leeftijd een muziekinstrument spelen, of muziek lezen. En verslind goeie boeken of films. Use it or lose it: dat is nog altijd het enige advies om dementie uit te stellen. Rust roest, ook voor het brein.”

Doen jullie zelf aan schaken of muziek?

Swaab: “Ik heb daar geen tijd voor, ik werk nog altijd 70 uur per week.” (lacht)

Schenk: “Eerlijk gezegd, ik ben daar ook niet mee bezig. Alhoewel. Als kind had ik thuis een piano staan. Op mijn negende moest ik pianoles nemen, maar die leraar was een vreselijke man. Ik mocht niet eens mijn eigen muziek voorstellen – iets van The Beatles of zo. Na twee jaar ben ik daarmee gestopt. Maar tegenwoordig denk ik daar weleens over na. Mochten mijn knieën straks zeggen: ‘Ard, hou eens op met al de onzin op de fiets’, dan probeer ik misschien toch die piano nog eens.”

Ard, u kreeg op uw 54ste een herseninfarct. Was u toen niet bang voor uw oude dag: ga ik wel nog kunnen sporten?

Schenk: (schudt) “Mijn eerste gedachte was: wat kan ik wél nog? Daar heb ik meteen op ingepikt, zonder al te veel te luisteren naar sussende praatjes als: ‘Ga jij maar lekker zitten, want je hebt het aan je hersenen gehad.’ Tuurlijk moet je naar de signalen van je lichaam luisteren. Maar ze een klein beetje negeren heeft af en toe ook wel effect. (schalks)

“Ik bedoel maar: vlak na dat herseninfarct zag ik alles wazig, ik zag een dubbele horizon: één rechte en één schuine. Maar ik merkte dat ik, zelfs met dat troebele zicht, toch kon stappen zonder een dronkeman te lijken. Dus ben ik al vrij snel mijn fietsmaatjes achternagereden, met mijn blik op hun achterwiel. Na een zestal weken zag ik weer één horizon, maar zat ik alweer stevig in het zadel. Om maar te zeggen: je hebt echt wel invloed op de manier waarop je oud wordt.”

Na uw schaatscarrière werkte u tot uw zeventigste als fysiotherapeut. Wat zag u daar?

Schenk: “Alweer die prestatiemaatschappij. Er staat ontzettend veel druk op het individu. Ik heb dikwijls mensen gezien die te veel van zichzelf eisten, zeker in die laatste tien jaar. Mensen die zwichtten onder de stress.

Ard Schenk schaatst naar goud op de 1500 meter tijdens de Olympische Spelen in het Japanse Sapporo, 1972.

“Het is nochtans vrij simpel: tart je je lichaam, dan is vermoeidheid de eerste waarschuwing. Negeer je die, dan krijg je pijn. En luister je dan nog altijd niet, dan volgt de klap. In die zin was ook mijn herseninfarct een knal voor mijn eigenwijze kop.”

Liggen jullie daar soms wakker van: écht oud worden, het verval?

Ard: “Nee, ik ben daar niet bang voor. Ik kijk liever naar wat ik nog wél kan. Het grappige is: in het fietsgroepje waartoe ik behoor, ben ik een van de oudsten. Maar we hebben daar een gouden stelregel: we mogen het vijf minuten over onze kwaaltjes hebben, maar daarna moet het over iets anders gaan. (lacht) Ik ben zo iemand die altijd uitdagingen zal blijven zoeken. En mocht er ooit iets voorvallen waardoor dat niet meer kan, dan is er nog altijd hulp om niet lijdzaam te moeten toezien dat het over is.”

Swaab: “Op dat vlak heb ik ook al maatregelen genomen. Ik wil absoluut niet dat traject van alzheimer in. Zodra dat zich aandient, wordt het euthanasie. Daarover heb ik goeie afspraken op papier gezet. En mocht dat problemen geven, dan heb ik zelf nog altijd ‘spullen’ in huis. (stellig) Of dan neem ik wel iets uit het labo.”

Dick, bij acht op de tien 75-jarigen ziet u onder de microscoop al tekenen van beginnende dementie, nog zonder dat er symptomen zijn. Uw leeftijd. Bent u niet nieuwsgierig om uw eigen brein te onder­zoeken?

Swaab: “Nee, het kan me echt niet schelen hoe dat brein van me eruitziet. Ook niet om mijn risico te kennen. Als het maar werkt. Hoe dan ook, na mijn dood gaat mijn brein naar de Nederlandse Hersenbank. Ze kunnen daar al niet wachten. De directeur checkt elke dag wel even of ik er ben, om dan teleurgesteld op te merken: ‘Oh, je bent er nog, jammer.’” (proest)

Sinds de coronacrisis horen we voortdurend dat 65-plussers een risicogroep zijn. Drukt jullie dat met de neus op de feiten: jullie leeftijd?

Schenk: (wuift weg) “Nee, ik voel me daar totaal niet door aangesproken. Ik woon in een omgeving waar ik makkelijk buiten kan zonder anderen tegen te komen. Ik merk dus bitter weinig van die beperkingen. Tenzij ik misschien op de fiets zit en zin krijg in een kop koffie. Zit er dan te veel volk in de bar, dan drink ik er thuis wel een. Daar let ik wel op.”

Swaab: “Het ding is: mijn promovendi kunnen niet van thuis werken, je neemt niet zomaar een labo mee. Ik werk wel deels thuis, maar ik sta toch ook de helft van de dag naast mijn promovendi, mee te kijken door de microscoop. Ik ben dus voortdurend met jongvolwassenen in contact, zelfs met feestende studenten. Eigenlijk is het hier levensgevaarlijk werken voor mij. (lacht) Maar ik draag netjes mijn mondkapje.”

Ouderen, zeker in de woon-zorgcentra, lijken in coronatijden haast de paria’s van de samenleving. Hoe kijken jullie naar die ‘vergeten’ groep?

Swaab: “Ik weet niet of het zo bewust gebeurd is om ouderen weg te zetten. Wel heb ik me ontzettend geërgerd aan hoe het beleid is omgegaan met mondkapjes en beschermende kledij in de bejaardentehuizen. Dat was allemaal niet nodig, klonk het. Terwijl de overheid gewoon niet durfde te zeggen dat er geen voorraad was.”

Schenk: “Ik kom weleens in een woon-zorg­centrum om een vriend te bezoeken. Ik zie daar best wel ‘heldere’ mensen die er nog wat van maken. Ze komen buiten, bewegen, leiden hun leventje. Maar voor wie hulpbehoevend is, is dat anders. Er is ook te weinig personeel om hen te stimuleren. Het is vooral wassen, plassen en eten geven. Ook belangrijk, maar leuk is anders. Die groep wordt vaak vergeten.”

Het brengt ons bij die andere sluip­moorde­naar bij ouderen: eenzaamheid. Hoe kunnen we dat aanpakken?

Swaab: “Die eenzaamheid. Dat komt ook altijd bovendrijven in het debat over voltooid leven. Je hebt euthanasie bij kanker, bij psychische ziektes, zelfs in een vroeg stadium van dementie. Maar ouderen die niet ziek zijn, maar die er willen uitstappen, daar hebben we geen oplossing voor. Ze zijn hun partner verloren, hun vrienden kwijt, ze hebben het gehad. De religieuze partijen toeteren dan altijd: die mensen zijn eenzaam, we moeten ze gewoon meer aandacht geven. Maar dan denk ik: waarom doe je dat dan niet? Wacht daar niet mee.”

Schenk: “In landen waar ouderen nog volop deelnemen aan het sociale, actieve leven is dat anders. Daar kunnen we nog iets van opsteken.”

Swaab: (knikt) “In China zie je dat. De grootouders passen er overdag op de kleinkinderen. Zijn die het huis uit en hebben de grootouders zélf extra zorg nodig, dan nemen zij hun intrek bij hun kinderen. Op die manier wordt dat ‘terugbetaald’ en verval je niet in eenzaamheid.”

De Chinezen kunnen ons nog iets leren qua waardig grijs worden?

Swaab: “Absoluut. Ouderen komen er ook samen in parken om te dansen, muziek te maken, opera te zingen. Een paar moeders van mijn promovendi daar hebben er zelfs kampioenschappen op hun naam staan. (aarzelt even) Trouwens, nu ik eraan denk: ík heb ook ooit aan sport gedaan.”

Schenk: (valt net niet van zijn stoel van verbijstering)

Swaab: “Tussen mijn veertiende en achttiende heb ik ontzettend fanatiek geroeid. Ik ben toen zelfs twee keer Nederlands jeugdkampioen geworden. Maar vertel dat niet verder, hoor. Slecht voor mijn imago.” (proest het uit)