Deze traumachirurg behandelt de meeste zwaargewonden van de stad

In de operatiekamer van Frank Bloemers (50), onlangs benoemd tot hoogleraar traumachirurgie, komt veel drama voorbij: verkeersslachtoffers, trampolineletsels, neergeschoten criminelen en geblesseerde Ajaxspelers. Ongelukken met kinderen en tieners raken hem diep. ‘Dan zit je ’s avonds wel anders aan tafel met je vrouw en drie gezonde zoons.’
©Martin Dijkstra

Als je met regelmaat een familiekamer in moet lopen met slecht nieuws, dan kan je maar beter het voorkomen hebben van traumachirurg Frank Bloemers. Hij heeft een vriendelijk hoofd, sommigen zouden het olijk noemen. Natuurlijke rust straalt hij uit en hij is behept met een, voor patiënten en naasten, geruststellende dosis zelfvertrouwen.

Hij moet een van de zwaarste banen van Amsterdam hebben, want de meeste zwaargewonden in de stad komen bij hem en zijn collega’s van de shockroom van Amsterdam UMC, locatie VUmc, terecht. Jaarlijks driehonderd persoonlijke drama’s, familie en vrienden niet meegerekend. Verkeersslachtoffers, suïcidepogingen, drenkelingen, schotwonden en nog heel veel meer andere ellende die balanceert op het dunne lijntje van leven en dood. De meesten overleven, maar Bloemers maakt ook geregeld mee dat patiënten onder zijn handen sterven.

Wat maakt de meeste indruk?

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

“Ongelukken met kinderen en tieners. Ik vloog een tijd op de traumaheli en dan kom je vaak bij de mensen thuis. De helft van de zware ongelukken gebeurt namelijk in en rond het huis. Dan ga je naar een ernstige valpartij, of naar een kind waar iets zwaars op is gevallen, en dan zie je daar de kindertekeningen aan de muur hangen. Dat komt nog harder binnen dan wanneer ik op de shockroom sta. Je wordt je er ook heel erg bewust van dat het gevaar in een klein hoekje schuilt. Na zo’n dag zit je ‘s avonds wel anders aan tafel met je vrouw en drie gezonde zoons. Dan denk je: wat is het fijn dat we hier met zijn vijven zitten te eten. Maar je denkt ook: er is nu een gezin dat dat niet doet. Nooit meer.”

Bent u daardoor extra voorzichtig?

“Met skiën ben ik voorzichtiger, omdat ik weet hoe je een knie in de prak kan skiën. En ik ben altijd blij als we weer heelhuids terugrijden van een trampolinepark. Ik zie hier de verschrikkelijkste letsels van trampolines. Een paar keer per jaar zie ik fietsers zwaargewond binnengebracht worden. Ik hamer er dus ook op dat mijn kinderen niet met oortjes in fietsen. Mijn oudste zoon is twaalf, gaat naar de middelbare school, Overtoom oversteken, Vondelpark door. Het liefst breng ik hem iedere dag weg en haal ik hem op, maar ja, dat moet je ook loslaten.”

Ligt u weleens wakker van een patiënt?

“Dat niet, maar er worden wel tranen gelaten. Ook met de assistenten. Dat moet ook wel kunnen. Niet zozeer waar de patiënt bij is, alhoewel, die mag ook wel zien dat je daar verdriet over hebt. Het is vaak heel goed invoelbaar. Als je wat ouder bent, en zelf kinderen hebt, dan zie je dat beter.”

Is het nog steeds zo dat u moet huilen om wat u ziet?

“Misschien wordt het zelfs wat meer.”

Hoe komt dat?

“Dat weet ik niet. Meer levenservaring, begrip. Misschien besef je nog meer hoe kwetsbaar je bent. Het is dus niet dat ik verhard door het vak. Dat gevoel heb ik niet.”

©Martin Dijkstra

U heeft weleens in een interview gezegd: ‘Er komen steeds meer ervaringen in het laatje en als het laatje overloopt, dan gaat het mis.’ Heeft u weleens het idee gehad dat het laatje met ervaringen te vol raakte?

“Ik niet, maar ik heb weleens collega’s horen zeggen: ‘Nu moet er niks bij komen.’ Als je drie overleden kinderen in één week in je armen hebt gehad, ja, dat hakt er wel in. We vangen het goed op met elkaar. Er wordt dan gepraat, en soms ook de dagen erna nog. Het ene ongeluk komt ook harder binnen dan het andere. Wanneer een moeder met kinderen van de weg is geraakt en ter plaatse overlijdt, dan is dat indrukwekkend. Je weet wat voor impact dit bij de nabestaanden gaat geven.”

U krijgt dan een bijrol in een nachtmerrie.

“Eigenlijk wel ja. Ik kan me nog een jongen herinneren die zwaargewond is geraakt, maar het wel heeft overleefd. Zijn vader kwam binnen op de shockroom en zei: ‘En dit is dus waar je altijd bang voor bent.’”

Hoe brengt u dan licht in die nachtmerrie?

“Door duidelijke informatie en troost te geven. Ik zeg dan: ‘We gaan er alles aan doen om hem te helpen.’ Maar ik zeg het ook als ik het somber inzie, zonder meteen alle hoop te ontnemen. Ik zeg bijvoorbeeld nooit: ‘We gaan ervoor, maar ik denk niet dat het gaat lukken.’ Zo staan we er ook niet in, want we gaan er alles aan doen. Overigens, als je levend het ziekenhuis binnenkomt, heb je een goede kans om er ook weer levend uit te gaan.”

U zegt ook: trauma is een ziekte.

“Ja, heel veel mensen denken: ongeluk, operatie, beter worden en klaar. Maar sommige mensen heb ik jaren later nog op de poli. Die patiënten krijgen nog meer operaties of ze hebben klachten die later opspelen. Trauma is doodsoorzaak nummer één onder jonge mensen. Onder de veertig jaar gaan de meeste mensen dood aan ongevallen en geweld. Vaker nog dan aan kanker of welke andere ziekte ook.”

Als kleine jongen woonde hij boven café De Ysbreeker, waar hij geregeld om de hoek skelterde naar Broeder de Vries, een ambulancedienst waar de ziekenwagens af en aan reden en Bloemers naar eigen zeggen gefascineerd en met open mond naar staarde. Hij is geboren in het OLVG. Hij is opgeleid in het AMC, OLVG, het Slotervaartziekenhuis en VUmc. Alleen in het BovenIJ Ziekenhuis heeft hij niet gewerkt, maar daar zat dan weer een andere Bloemers: Franks vader, een radioloog.

In 1997 schaatste Frank Bloemers de Elfstedentocht, een onderneming die, als hij er zo op terugkijkt wel past bij een traumachirurg. Je moet doorgaan, doorgaan, doorgaan, zegt hij. “Ik denk dat je als traumachirurg een soort diesel moet zijn. Wel een met turbo, want die heb je nodig om gas te geven. Je moet kunnen pieken, maar ook rust kunnen pakken. Ik kan ook heel goed ’s avonds met mijn vrouw op de bank een Netflixserie kijken.”

Wat in uw karakter maakt dat dit werk bij u past?

“Ik hield als kind al van knutselen, timmeren en boomhutten bouwen. Ik heb in mijn tienerjaren de Rietveldstoel na getimmerd. En blijkbaar zit er ook iets in mij dat ik mensen wil helpen.”

Kunt u uitleggen waar de vergelijking ligt tussen knutselen en traumachirurgie?

“Als iemand een gebroken been heeft, kan dat bot in veel stukken liggen. We kunnen tegenwoordig al die delen in 3D-beelden zien en we kunnen het zelfs in 3D laten uitprinten. Dat geeft een goed beeld hoe die botstukken liggen. Vervolgens moet ik bedenken aan welke kant de plaat en de schroeven moeten komen. Maar ook: waar zaag je het bot door?”

Het lichaam is eigenlijk een soort bouwdoos?

“Ja, waar nog veel aan te ontdekken valt. We weten bijvoorbeeld nog steeds niet exact hoe botbreuken genezen. Waarom heelt het bij de éne patiënt wel goed en bij de andere niet? Dat willen we beter onderzoeken. En we moeten ook aan preventieonderzoeken gaan doen, want veel zwaargewonden zijn te voorkomen.”

Hoe dan?

“Snelle heeft nu een liedje uitgebracht over bellen en appen op de fiets – briljant. Misschien dat zo’n liedje binnenkomt bij de jeugd, waardoor ze minder met oortjes in gaan fietsen. Dat is interessant om te weten.”

Als u het nummer Smoorverliefd van Snelle hoort, welk beeld heeft u daarbij?

“Toch wel dat wat ik op de shockroom zie. Jonge mensen, die vanwege hun oordopjes of koptelefoons de vrachtwagen niet hebben horen aankomen. En daardoor onvoldoende hebben opgelet en een been kwijt zijn. Of erger.”

‘Het komt voor dat een patiënt vier dagen op een operatie ligt te wachten.’ ©Martin Dijkstra

In uw oratie als hoogleraar traumachirurgie, die u in december hield, schetste u een zorgwekkend beeld van de spoedzorg. Aangezien u ook de voorzitter bent van het ROAZ, die de acute zorg in en rond de stad coördineert, was het een verontrustend verhaal. In een notendop: er is een groot tekort aan verpleegkundigen, de huisartsen zitten in de knel, er zijn stops op de operatiekamers en op de intensive cares. En op een drukke vrijdagavond zijn urenlange eerstehulpsluitingen aan de orde van de dag. Tot slot: patiënten wachten soms dagenlang op acute operaties. Dat klinkt hopeloos.

“Daar maak ik me echt zorgen over. In alle ziekenhuizen zijn grote tekorten aan personeel, 10 tot 30 procent, met name gespecialiseerde verpleegkundigen. Het kan dus zijn dat een patiënt een dag van tevoren hoort: de operatie gaat niet door, want er is geen IC-bed. We hadden hier het beleid dat je een bos bloemen kreeg als het niet doorging, maar daar zijn we mee gestopt. Zo somber is het.”

“Het komt ook voor dat een patiënt vier dagen in zijn bed op een operatie ligt te wachten met een gebroken been. Het liefst wil je deze patiënten de volgende dag opereren, maar dan moet er een operatiekamer zijn met personeel. En ja, daar hebben we er niet genoeg van. Het is niet altijd zo dat de uitkomst van de operatie daar slechter van is, want je geneest daar ook wel van, maar je ligt wel te wachten.”

Je geneest er ook weleens niet van, begrijp ik uit uw woorden.

“Ja, al is dat moeilijk aan te tonen. Maar als bijvoorbeeld ouderen langer met een gebroken wervel in bed liggen, dan hebben ze een groter risico op een longontsteking.”

Daar kun je aan doodgaan.

“Theoretisch wel ja. Nou is het niet zo dat we dat vaak zien gebeuren. Maar dit is geen optimale zorg.”

Hoe vaak gebeurt het dat u zit te werken achter uw computer, terwijl u beneden in de ok aan het werk behoort te zijn?

“Dat is dagelijks. Iedere dag hebben we overleg met elkaar: voor welke patiënt is de operatie het meest urgent. En wie komt daarna. Daar gaat veel tijd en energie in zitten. Het is dus heel belangrijk dat ziekenhuizen beter samenwerken. Dat is best wel moeilijk, want we zijn door de invoering van de marktwerking als ziekenhuizen tegen elkaar opgezet: we moesten concurreren. Gelukkig zie ik daarin nu echt iets veranderen. We zitten nu in ROAZ-verband met de ziekenhuisbesturen aan tafel, ook met de ambulancedienst en de zorgverzekeraar. Er worden dus steeds meer afspraken gemaakt en samengewerkt.”

U maakt ook deel uit van het artsenteam van Ajax. Als u een speler, een godenzoon, op de behandelbank heeft, die zijn kuiten in goud waard is, denkt u dan terwijl u bezig bent: goed opletten, nu?

“Er zit wel een soort spanning bij, omdat het bekende Nederlanders zijn, maar verder zijn het ook gewoon mensen met kwaaltjes en onzekerheden.”

Wat is uw rol?

“Ajax heeft twee sportartsen en daaromheen zit een groep medisch specialisten. Daar ben ik er één van. Ik ben zelf de expert op de wervelkolom en liesklachten. Ik opereer de sportsman hernia. Er loopt, opgeteld, wel een elftal in de eredivisie rond dat door mij geopereerd is.”

Kunt u ook namen noemen?

“Beroepsgeheim.”

Als u een Ajaxspeler opereert kijken er heel veel mensen mee: de zaakwaarnemer, de club, de supporters, het gaat om heel veel geld, en dan staat u daar met uw scalpel. Geeft dat geen enorme druk?

“Het maakt het wel anders. We zeggen weleens: als het goed gaat, hoor je niets. Als het niet goed gaat, haal je de krant.”

Als het misgaat, loopt uw carrière stuk op één patiënt.

“Maar bij een onbekende patiënt kun je ook iets verkeerd doen.”

Maar daar riskeert u uw carrière niet mee.

“Dat is misschien wel waar. Dus je moet goed nadenken wat je doet.”

Waarom doet u het dan?

“Omdat ik het wel goed kan. Omdat ik daar ervaring in heb, en weet dat het soms beter is om niet te opereren. Maar het klopt: het is surfen op hoge golven. Je kan diep vallen.”

U keurde ook nieuwe spelers.

“Ja, maar nu doet de clubarts dat zelf. Je kan het bijna vergelijken met een renpaard kopen. Dan krijg je ook MRI’s van alle gewrichten, voordat er miljoenen voor worden betaald. Maar wat het keuren van een speler nog ingewikkelder maakt, is de privacy. Ajax heeft nog weleens de neiging om oude voetballers terug te halen. Dit zijn kerngezonde topatleten met veel ervaring. Ze zijn waardevol voor de club, als je het mij vraagt. Maar tegelijkertijd hebben ze dan toch een paar dingetjes meegemaakt in hun carrière: een nieuwe kruisband of slijtage. Ik mocht dan, na zo’n medisch onderzoek, natuurlijk niet tegen de leiding zeggen: ‘Pas op. Hij heeft wel een versleten knie.’”

Als kind keek Frank Bloemers al gefascineerd naar een ambulancedienst waar de ziekenwagens af en aan reden. ©-

U zit met uw beroepsgeheim.

“Dat ook. Ondertussen wilde ik ook niet dat de club miljoenen uitgaf aan een brekebeen. Maar die speler had ook recht op zijn privacy. Aan de andere kant liet hij zich wel keuren. Ik gaf de resultaten aan de clubarts. Dat is een andere arts, dus dat mocht. Dan hield het voor mij op.”

Er is veel aandacht voor voetballers en hun gezondheid. Zo bleek Ajaxspeler Daley Blind, nadat hij onwel werd tijdens een wedstrijd in december, een ontstoken hartspier te hebben.

“Dat kan iedere sporter overkomen. Uefa heeft sinds een jaar bepaald dat er bij alle wedstrijden in het Europees betaald voetbal een arts langs de lijn zit met een reanimatiekoffer. Bij Ajax zitten er bij alle thuiswedstrijden eerstehulpartsen van VUmc langs de lijn.”

Is deze maatregel ingevoerd naar aanleiding van Abdelhak Nouri, die in 2017 tijdens een oefenwedstrijd in elkaar zakte na een hartstilstand?

“Dat denk ik wel. Al zijn er de laatste jaren meerdere gevallen in Europa geweest.”

U zit nu vijftien jaar in het artsenteam van Ajax. Betekent dat ook dat u de geschiedenis Nouri van dichtbij heeft meegemaakt?

“Het gebeurde tijdens een trainingskamp in het buitenland en daar was ik niet bij. De clubarts heeft binnen het team een medisch geheim, en heeft de details over Nouri dus niet met mij gedeeld. Bovendien is cardiologie niet mijn vakgebied. Ik ben van de spieren en de botten.”

Maar u heeft wel meegemaakt wat dat in een team teweegbrengt.

“Het heeft op de hele club een enorme impact gehad. Daarom is dat wat Daley Blind meemaakte natuurlijk zo heftig. We hebben allemaal Nouri gehad. Dat is een soort posttraumatische stress die sneller terugkomt. Dat speelt mee.”

Blind werd onwel in de wedstrijd tegen Valencia, en hij speelde wel door. Had hij gestopt moeten worden?

“Ik ken de details niet. Als hij daarvoor een tik op zijn hoofd heeft gehad, dan kun je ook onwel worden.”

Worden Ajaxspelers onder een andere naam geregistreerd bij VUmc?

“Nee, dat gebeurt soms wel wanneer misdadigers acuut worden binnengebracht, bijvoorbeeld na een schietpartij. Dat is ook spannend. De politie staat voor de deur, soms zelfs op de operatiekamer. We hadden pas een crimineel die in zijn been was geschoten, en werd geopereerd. Ik vroeg na de ingreep aan mijn collega’s: ‘Weet je wel wie dat was?’ Sommige collega’s in het team hebben dat helemaal niet in de gaten. We zijn dan volledig bezig met letsels, en niet met wie daar nu ligt.”

Zijn schotwonden moeilijk te opereren?

“Als er uitwendig een klein gaatje zit, kan vanbinnen een heel been verbrijzeld zijn. Maar we weten wat we moeten doen.”

Wat zijn de lastigste trauma’s?

“Bloedingen bij het hart en de bovenbuik. Dan moet je wel heel snel handelen. Met een paar grote sneden kunnen we rechtstreeks in de borstkas en bij het hart komen. Dat gebeurt een paar keer per jaar. Vinger op het gat in het hart, hechten, knijpen en als hij het dan weer doet, nou, dan geeft dat een enorme voldoening. Meestal bloeden mensen dood, maar soms komen ze levend binnen en dan behandelen we dit soort dingen.”

‘Het is toch naar buiten gekomen: Ajaxchirurg opereert Artisolifant.’ ©Martin Dijkstra

Iets heel anders. Onlangs heeft u de slurf van een Artisolifantje geopereerd.

“Ja, over medisch geheim gesproken. Dieren hebben ook recht op privacy.”

Echt?

“Ja, dat vind ik wel. We zitten er niet op te wachten dat er drommen mensen naar die slurf gaan kijken. Ik wilde er ook geen ruchtbaarheid aan geven, maar het is via een omweg toch in de krant gekomen: Ajaxchirurg opereert Artisolifant.”

Hoe kwamen ze bij u terecht?

“Ik was in het OLVG onderwijs aan het geven over wervelkolomletsels, toen ik werd gebeld dat er een jonge olifant zwaargewond was. Ik dacht eerst: dit is een grap. Het was namelijk Dierendag. De dierenartsen van Artis weten veel beter hoe je dieren moet opereren dan ik, maar ze riepen mijn hulp in, omdat ik vaak werk met complexe verwondingen, zoals benen die er half af zijn.”

Hoe is het om een slurf te opereren?

“Het is een heel groot neusgat met twee stofzuigerslangen. Het waait ook in je gezicht als je daarmee bezig bent. De slurf was natuurlijk vies, dus we moesten het goed schoonmaken. Ook heeft een slurf een dikke hoornlaag, een soort dikke eeltlaag. Als je dat hecht, geneest het heel moeilijk. Gelukkig gaat het nu goed met de olifant. Ze doet weer alles met haar slurf.”

Dit was uw eerste slurf. Hoe weet u dan wat u moet doen?

“Er is geen seconde in mij opgekomen: oeh, wat eng. Traumachirurgen zijn opgeleid om allround en creatief te denken. De principes van wondgenezing zijn overigens hetzelfde, of het nou een olifant of een mens is. Als je een open wond hebt, is die per definitie vies. Als je het potdicht hecht, dan loop je een groot risico dat er een ontsteking onder komt met abcessen. Het lichaam moet de viezigheid eruit ­kunnen werken. Aan de andere kant moet de slurf wel stevig gehecht zijn, want dat beest gaat er meteen daarna weer heel veel eten mee naar binnen werken. Dus ja: zet me in een helikopter, breng me ergens heen en ik ga aan de slag. Breng me naar een gewonde olifant en ik begin te opereren.”