Cabaretier Hans Dorrestijn (80): ‘Ik heb mijn grappen heel lang binnenboord gehouden’

Cabaretier Hans Dorrestijn (net 80) woont al bijna zijn hele leven op de Veluwe. Daar, rond Bennekom, is hij de vogelaar. Maar hij heeft er weinig tijd voor. Er moet geschreven worden, straks beginnen de optredens weer.
Hans Dorrestijn: 'Ik heb mijn grappen heel lang binnenboord gehouden. Gespaard voor het papier.' ©Martijn Gijsbertsen

Een gesprek met Hans Dorrestijn gaat over vogeltjes. Want elke herinnering en anekdote wordt gelinkt aan een vogeltje. Zoals die keer dat hij met zijn destijds tweejarige zoontje Jesse achter op de fiets naar de bossen fietste en voor het eerst van zijn leven de zwarte specht zag. Was het een kraai? Nee, een zwarte specht. Hij zette Jesse met fiets en al tegen een boomstam en begon te rennen. Tot Jesse ‘Papa, papa!’ begon te roepen omdat de fiets tegen de boomstam omlaag begon te glijden. Hij was nog net op tijd terug om hem op te vangen.

Eigenlijk loopt hij liever door de velden dan het bos. In het bos hoor je de vogels wel, maar zie je ze niet. Sowieso is hij geen man met oog voor het mooie landschap. Zijn goede vriend Nico de Haan, met wie hij jarenlang voor omroep Max het vogelprogramma ‘De Baardmannetjes’ maakte, heeft tijdens het vogels spotten weleens enthousiast geroepen: ‘Behalve de schitterende natuur zien wij daar ook nog juwelen en diamanten tussen!’ Dorrestijn zelf ziet alleen maar juwelen en diamanten. Zoals het goudhaantje, volgens hem een van de allerliefste vogels die bestaat. “Een snoesje! Een heel klein bolletje met een heel kort staartje. Hij verstopt zich, je ziet hem bijna niet, maar soms, als hij druk bezig is met insecten zoeken van afhangende takken, dan lukt het om dichtbij te komen. Moet je wel doodstil blijven staan en niet ademhalen. Maar dat heb je er dan voor over.”

Grootste ontdekking van de afgelopen tijd is voor hem het natuurgebied Binnenveld, grenzend aan Bennekom waar hij woont. Daar wemelt het van de vogeltjes. Hij werd erop gewezen door mede-vogelaar en illustrator van zijn onlangs uitgekomen bundel ‘Wensvogels’, Elwin van der Kolk.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

Dorrestijn: “Vroeger, en dan heb ik het over vijftig jaar geleden, fietste ik op weg naar Wageningen, waar ik lesgaf op een middelbare school, vaak door dat gebied, en ik vond het er vreselijk. Geen leuke vogel te zien, door al dat landbouwgif wat hier decennialang is gesproeid. Maar nu hebben natuurverenigingen het gebied gekocht en afgegraven en zijn ze teruggegaan naar de oorspronkelijke begroeiing met kruiden en blauwgras. Ik ben gaan kijken en wist niet wat me overkwam. Ik heb in mijn hele leven nog nooit zoveel blauwborsten gezien!”

Dus dat vogelkijken zat er vijftig jaar geleden ook al in?

“Ik was een jaar of twaalf toen ik in Vinkeveen zat te vissen en er een lepelaar overkwam. Diep onder de indruk was ik. Maar waar andere jongens tenminste op het idee komen er wat meer aan te doen, heb ik het van het lot laten afhangen of ik hier en daar een vogeltje zag. Terwijl, je moet erop af. En je moet ook zorgen dat je weet wat je ziet. Daar ben ik pas in 2000 mee begonnen. Dus ik ben en blijf een sukkel in het veld.

Echte vogelaars, die zich van kinds af aan hebben verdiept, zien veel sneller een vogel dan ik, en ze weten ook direct welke. Inmiddels zie ik wel of ik een heggemus of een grasmus tref, maar het kan zoveel beter. Elwin ziet het verschil tussen het bokje, de watersnip, het witgatje en de oeverloper, door de manier waarop ze opvliegen of neerdalen. Nou, dan wordt het leuk.”

Waarom heeft u gewacht tot het jaar 2000?

“Daarvoor kwam ik niet eens op het idee. Dat had te maken met mijn belangstelling voor de literatuur. Ik kocht alleen maar dichtbundels, romans en verhalenbundels. Door die dichtbundels kende ik wel alle namen van vogels, maar ik snapte er al niets van dat mensen een tuinboek kochten, laat staan een vogelboek. Dat waren toch geen boeken? Ik was toen wel bescheiden, maar had het ook hoog in de bol. Op een gegeven moment heb ik uit interesse toch een vogelboekje gekocht, het goedkoopste dat ik kon vinden, maar daar had ik niks aan. De plaatjes waren zo erbarmelijk; de houtduif leek net een koekoek, en de fazant kon net zo goed een patrijs zijn. Ik had ook een heel goedkope kijker gekocht, want ik wilde geen geld uitgeven aan dingen die ik toch niet echt deed.”

Hoe kwam het goed?

“Door een samenloop van omstandigheden. Eind jaren negentig ben ik gestopt met drinken. Ik was begonnen vanuit liefdesverdriet ,maar ging ermee door. Een stommiteit: doorgaan met drinken terwijl je eigenlijk je ellende alweer vergeten bent. Sterker nog: je moet zuipen om er weer aan herinnerd te worden. Uiteindelijk werd het een afgrijselijke, tijdrovende hobby want ik zat veel in de kroeg, in verband met de dames.

Wat een zinloze onderneming was, want meestal was ik binnen een paar glazen dronken en dan begon ik te huilen, wat ook niet echt aantrekkelijk is. Een advies aan iedereen die het moeilijk heeft: hou meteen op met drinken, drie weken later kun je de wereld weer aan.

'Inmiddels zie ik wel of ik een heggemus of een grasmus tref, maar het kan zoveel beter.' ©Martijn Gijsbertsen

Toen ik niet meer dronk hield ik ineens veel tijd over. Rob Chrispijn, een collega en vogelaar, zei: ‘Hans, ga met me mee naar Spanje, dan breng ik jou de beginselen van het vogelkijken bij.’ Ik ben met hem door olijfboomgaarden gelopen, hij wees allerlei vogels aan en zo kwam ik erachter dat ik een vreselijk verkeerde kijker had. Ik heb een goede gekocht, en zo is het begonnen.”

Helaas bestaat de dag voor Hans Dorrestijn niet louter uit vogels kijken. Daar heeft hij het te druk voor. Er moet geschreven worden, straks beginnen de optredens weer. “Ik heb niet het beste beroep voor een vogelaar, want eigenlijk hoor je om zes uur over het veld te lopen. Dan zie je de vogels die je later op de dag niet ziet. Maar vaak lukt dat niet. Ik ben gewoon te moe om zo vroeg op te staan. Schrijven lukt me ook nog maar tot een uur of twee en daarna heb ik geen puf meer om erop uit te gaan.”

En toch blijft u optreden en laat naar bed gaan?

“Ja, en ik ga ook nog eens nooit relaxed het podium op, doordat er elke keer zo verschillend op me gereageerd wordt. Ik heb een keer een optreden gehad in een Brabants dorpje, daar lachte helemaal niemand. Ze zaten stil, met de armen over elkaar. Op een gegeven moment onderbrak ik de show en zei: ‘Luister eens: als ik iets gezegd heb of een liedje heb gezongen, dan moeten jullie je hoefjes tegen elkaar aandoen.’ Niks. Nou, dan duurt een avond lang hoor.

Brabanders en Limburgers zijn bourgondiërs en die hebben het idee ontwikkeld dat je ook als je maar één been hebt, gewoon vrolijk rond moet springen. Dus al die zwartgallige ongeluksverhalen van mij, daar zien zij minder de humor van in. In Friesland komen soms boeren op me af, echt duidelijk Friese boeren met eeltige poten, en die zeggen: ‘Wat jij zei, daar denk ik ook veel over na.’ Je kunt je wel voorstellen: als jij de hele dag in de aarde staat te spitten, dan ga je vanzelf nadenken.

Gelukkig gebeurt het omgekeerde ook, dat mensen helemaal blauw liggen. Daar groei ik van, en ik word ook steeds leuker. Waar ik vooral op dat moment heel blij mee ben, is dat ik weet: jullie hebben nu allemaal geen last van je eigen sores. Dat ken ik van vroeger. Mijn tweede stiefvader was een vreselijke man, er waren bij ons thuis krankzinnige ruzies. De feestdagen werden over het algemeen gekenmerkt door nog ergere ruzies, maar als Wim Kan met oud en nieuw zijn show opvoerde, lachte het hele gezin. Van boze stiefvader tot kleine aap. Ik heb al vroeg geleerd hoe belangrijk lachen en humor is.

Als mijn stiefvader weer eens doorsloeg was ik natuurlijk des duivels of bang, maar tegelijkertijd dacht ik: dit moet ik aan mijn vrienden Tjeerd en Rob vertellen. Moet je nagaan, dat je midden in die heksenketel toch bedenkt: dit kan ik straks ombouwen tot iets leuks. En dat was ook zo. Want als ik begon te vertellen kropen ze binnen de kortste keren over de vloer van het lachen. Dus ik wist dat ik het kon, maar het heeft nog heel lang geduurd voor ik het op papier kreeg.”

Wat was de ommekeer?

“Ik was jaloers op Tom van Deel, literair criticus van Trouw, helaas overleden. Ik studeerde Nederlands met hem en hij was een dolle liefhebber van mijn humor. We organiseerden feesten binnen literaire kringen, waarbij ik anekdotes vertelde en uitbeeldde en iedereen zich kapot lachte. Vervolgens publiceerde Tom van Deel zijn eerste dichtbundel, ‘Strafwerk’. Ik schreef toen ook al liedjes en gedichten, maar tot mijn schrik waren zijn gedichten veel grappiger dan die van mij. Dat was een eyeopener. Ik was een amateur. Leuk zijn op verjaardagsfeesten kan iedereen, ik wilde prof worden. Ik heb mijn grappen heel lang binnenboord gehouden. Gespaard voor het papier. Zodat ik kon schaven en structuur aanbrengen. Met als gevolg dat ik een tijdlang niet meer leuk was in de praktijk.”

Begeef je je nog steeds in literaire kringen?

“Ik ben bevriend met Rob Schouten, Ton Anbeek, Stella Bergsma en ik kan goed overweg met Jan Siebelink, die vlakbij in Ede woont. Ik heb dingen met hem beleefd… Op een keer kwam hij bij me. Er was een vergadering over hem op de school waar hij Franse les gaf, hij werd beschuldigd van iets naars, en hij zei: ‘Kom Hans, we gaan ze afluisteren.’ We zijn in zijn auto gestapt, een oude eend die enorm veel kabaal maakte en zo reden we dat stille zomerse straatje in. We stopten bij een lokaal waar allemaal struiken omheen stonden. Hij stapte uit, verdween in de struiken en ik zag op dat moment iemand door een nooddeur naar buiten komen die naar Jan stond te kijken die niet door had dat hij bespied werd bij het afluisteren. ‘Jan, we zien je wel,’ hoorde ik vervolgens. Ik zou door de grond zakken van ellende als mij dat overkwam, maar hij liep zich erover te verkneukelen.

'Vrouwen zijn er een stuk op vooruitgegaan.’ ©Martijn Gijsbertsen

Ik hou van schrijvers, er zitten zulke geweldenaren tussen. En die zijn leuk om over de vloer te hebben, want je kunt met niemand anders zo goed vakdetails bespreken. Hoe het met een boek gaat, met collega’s, hoe het er in de uitgeverij aan toe gaat. Wat dat betreft mis ik Amsterdam, waar ik tijdens mijn studie woonde. Ik ben er weggegaan vanwege het geblaf en gepoep van honden, een verkeerd verlopen liefde en een gebrek aan natuur, al rukt de stad de laatste tijd op met die bermen vol klaprozen. Eindelijk wordt er geluisterd naar de stadsecoloog.

De laatste keer dat ik Jan uitgebreid sprak was op het Boekenbal in de Stadsschouwburg. Hij was met zijn dochter, ik met die van mij. Leuke meiden. De vrouwen zijn er tegenwoordig een stuk op vooruitgegaan. Ze studeren, promoveren, hebben echte banen en lachen je uit als het om de verdiensten gaat. Ik vind het een verrukking.”

Behoort u zelf ook tot de literatuur?

“Vind ik wel, maar het heeft lang geduurd voor scholieren mijn boeken op hun lijst mochten zetten. En dat terwijl ik al in 1976 een hartstikke goed boek had gepubliceerd: ‘Het anti-hondenboek’, nu opnieuw uitgegeven. In Nederland is, behalve ‘Erik of het klein insectenboek’ van Godfried Bomans en ‘Frank van Wezels roemruchte jaren’ van A.M. de Jong, geen proza van langere adem verschenen dat zo humoristisch is. Helaas heeft het niet geholpen, er zijn meer honden dan ooit, en ik behoor nog steeds niet officieel tot de literaire sector. En dat is best een pijnpunt in mijn leven.”

Onlangs bent u 80 geworden. Hoe is dat?

“Het is geen verdienste, ik ben blij dat ik een paar leuke vogelboeken heb geschreven en ik ben gelukkig met mijn kleinzoon en pasgeboren kleindochter. Waar ik vooral blij mee ben is dat ik zo blij ben met hen. Dat ik me verheug op een ontmoeting in het park waarbij ik me op handen en knieën laat vallen en achter mijn kleinzoon aankruip. Hij gillen, ik in zijn beentjes knijpen en in zijn achterste, en knorren zodat hij nog harder gaat gillen. Al die grote dingen, zoals opa worden, en destijds ook vader, waar ik altijd zo bang voor was geweest, bang dat ik het niet kon waarmaken. Ik twijfelde of ik wel van ze kon houden. Maar toen mijn zoon Jesse geboren werd, dat lekkere spekbiggetje, voelde ik zo veel onbekommerde woordeloze liefde. Je hoeft niets te zeggen, helemaal nergens voor nodig, je hoeft hem alleen maar tegen je aan te drukken. Ik was een specialist in woorden, in taal. Maar nu bleek dat ik fysiek ook hartstikke goed uit de voeten kon.

Niet alles is leuk van ouder worden. Als ik op tv een film kijk van vroeger, met Marilyn Monroe, Cary Grant, Gary Cooper, Hitchcock, Brigitte Bardot of Catherine Deneuve, dan huil ik. Alles is verdwenen. Al die grote namen, de vrouwen op wie ik verliefd was, zijn dood of oud en vergeten. Niemand heeft het meer over ze, terwijl: dat was toen de echte wereld. Dit hier is voor mij niet de echte wereld, dát was de echte wereld. En die is weg. Dat vind ik echt heel erg en dan is het leven dus niet meer leuk. Wel als ik naar buiten kijk en er springt een leuk sijsje op de tafel, dan gaat het weer. Want ik geniet nog wel hoor, met volle teugen. Maar er bestaat wel een zware onderlaag.”

Hans Dorrestijn: ‘Wensvogels’ (Nijgh & Van Ditmar, € 15). Vanaf september speelt hij zijn nieuwe cabaretprogramma ‘’t Houdt een keer op’ in de theaters (als het virus het toelaat).

Lees ook:

Met normale mensen weet Hans Dorrestijn zich geen raad

De één lijdt aan zangangst, de ander heeft een poepfobie. Vanaf zaterdag trekken Hans Dorrestijn & friends door het land met ‘Neurosen en andere hobby’s’. Een louterende voorstelling.

’Dag in dag uit was ik wanhopig’

De eerste baan maakt vaak diepe indruk en legt de basis voor later. Voordat Hans Dorrestijn cabaretier en liedjesschrijver werd, was hij zeven jaar docent Nederlands.