Bette Dam ontrafelde het leven van Talibanleider mullah Omar: ‘Hij had een gesprekspartner kunnen zijn’

Jarenlang was Talibanleider mullah Omar de grootste vijand van de Amerikanen. Onterecht, zegt journalist Bette Dam, die zijn laatste schuilplaats onthulde. Het Westen maakt de Taliban volgens haar veel te groot.
Bette Dam. ©LinelleDeunk

Vijf jaar werkte journalist Bette Dam (39) aan haar boek Op zoek naar de vijand over oud-Talibanleider mullah Omar, dat donderdag verscheen. Tijdens het schrijven leek het er even op dat ze ermee zou stoppen. Eind vorig jaar ging het niet meer. Ze moest beginnen met het laatste hoofdstuk en er kwam geen woord op papier. Waar had haar hoofdpersoon de laatste jaren van zijn leven gezeten? Ze wist het niet.

Ik vind dit heel vervelend, dacht ze.

Mullah Omar verdween eind 2001 spoorloos, nadat de Amerikanen Afghanistan waren binnengevallen als vergelding voor de aanslagen op 11 september. Sindsdien was er niets meer van hem vernomen. In 2015 maakte de Afghaanse overheid bekend dat hij al twee jaar dood was. Wat hieraan vooraf was gegaan, werd niet verteld.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

De Talibanleider was jarenlang een van de belangrijkste vijanden van de Verenigde Staten. Er stond 10 miljoen dollar op zijn hoofd. Hij was tussen 1996 en 2001 aan de macht in Afghanistan toen Al Qaida-leider Osama bin Laden op Afghaans gebied de aanslagen voorbereidde. De Taliban en Al Qaida waren broederorganisaties, oordeelden de Amerikanen.

Bin Laden werd in 2011 doodgeschoten in Pakistan en de Amerikanen vermoedden dat ook mullah Omar daar zat. Er waren zoveel Taliban naar Pakistan gevlucht, het was niet gek om te denken dat hij ertussen zat. David Petraeus, oud-generaal van het Amerikaanse leger en ex-baas van de CIA, had het over Karachi of Quetta.

Al vóór het laatste hoofdstuk van haar boek dacht Dam dat het anders zat. In haar aantekeningenboekje had ze een naam staan: Omari. In Afghanistan had ze meerdere keren gehoord dat deze man mullah Omar de laatste twaalf jaar van zijn leven had beschermd; zij waren stamgenoten. En Dam wist nog iets: het graf van mullah Omar lag in de Zuid-Afghaanse provincie Zabul.

Toen ze eind vorig jaar via via vernam dat Omari was gearresteerd, staakte ze haar vruchteloze schrijfpogingen. Ze vroeg haar uitgever om het restant van haar voorschot voor het boek en vertrok naar Afghanistan. Ze moest en zou Omari opsporen.

Via een bevriende journalist sprak ze met hooggeplaatsten uit Zabul. ‘Ik merkte meteen dat het verhaal al op straat lag. Omari had gepraat. Mullah Omar had in Zabul gezeten’, zegt Dam.

Een ongedateerde foto van Mullah Omar. ©REUTERS

Hadden de mannen uit Zabul dat eerder al door, toen mullah Omar nog leefde?

‘Ze zeiden: we hadden wel door dat Omari iets aan het doen was. Dat was algemeen bekend. Mullah Omar is de hand boven het hoofd gehouden.’

Hoe kan het dat de Amerikanen dit niet wisten?

‘Ik heb die jongens uit Zabul gevraagd: hebben jullie aan anderen verteld dat jullie vermoedden dat mullah Omar in Zabul zat? Eén man, het vroegere hoofd van het provinciale bestuur, zei: ik heb het gezegd tegen Hamid Karzai, de president.’

En Karzai werkte samen met de Amerikanen, dus die zal het ze toch wel hebben verteld?

‘Het voormalige provinciehoofd zei: Karzai heeft het doorgegeven aan de Amerikanen. Maar die bleven volhouden dat hij in Pakistan zat.’

Een van de mannen had het telefoonnummer van Omari. Dam belde hem, hij klonk aardig. Hij wilde best met haar over mullah Omar praten, maar ze moest wel toestemming vragen aan de Afghaanse geheime dienst, die hem even na de dood van mullah Omar had opgepakt. In ruil voor zijn verhaal ging hij niet de gevangenis in, maar mocht hij zijn straf onder huisarrest uitzitten in Kabul.

Na veel speurwerk kwam ze in contact met de baas van de geheime dienst, Massoum Stanekzai. Hij moest er een week over nadenken, maar toen mocht ze met Omari praten. Twee keer ontmoette ze Omari, zes uur in totaal. Hij vertelde haar alles over de laatste jaren van haar hoofdpersoon.

Het was waar, mullah Omar zat in Zabul: vier jaar in de provinciehoofdstad Qalat en acht jaar in een dorpje in het district Shoury. Hij woonde in kleine kamertjes en had drie helpers: Omari, een boodschapper en een chauffeur. Verder praatte hij met niemand, zijn vier vrouwen en kinderen zag hij niet meer. Steeds minder bemoeide hij zich met de wereld om hem heen. Uren zat hij te bidden of te mediteren.

Het dorp lag nota bene op een uur lopen van een Amerikaanse militaire basis en vaak kwamen er Amerikanen langsrijden of overvliegen. Soms waren er huiszoekingen van Amerikaanse soldaten, dan vluchtte mullah Omar naar een schuilplaats. Eén keer liepen de Amerikanen zijn kamer gewoon voorbij, omdat het leek alsof er geen deur in zat.

In 2013 stierf mullah Omar aan tbc en werd hij begraven in het dorpje in Zabul. Na vijf weken in Afghanistan wist Bette Dam genoeg. Ze vloog terug naar Nederland en tikte haar laatste hoofdstuk over de Talibanleider.

Met de publicatie van haar boek komt een ander, genuanceerder beeld van ‘de vijand’ naar buiten dan bekend was. Dam vertelt over de kleinste details uit mullah Omars leven. Op de onthulling over zijn geheime verblijfplaats vroeg ze een reactie van het Amerikaanse Pentagon, maar die kreeg ze vooralsnog niet.

Tegen de stroom in

Een week voor de presentatie schenkt Bette Dam thee in, waarna ze haar tanden zet in een moorkop. Ze zit in haar bovenhuis in Amsterdam, waar de zon de kamer verwarmt alsof het zomer is. Op de eettafel ligt een lesboek Pashtun, een van de talen in Afghanistan. Ergens anders ligt een boek over Afghaans borduurwerk, aan de kapstok hangt een suède, geborduurde jas uit het land.

Het zijn herinneringen aan de jaren 2008-2014, toen ze in Afghanistan woonde, eerst als correspondent voor NRC Handelsblad, daarna als freelancejournalist. In 2009 schreef ze Expeditie Uruzgan, over de toenmalige president Hamid Karzai, die ze meerdere keren sprak.

Sinds ze weer in Nederland woont, houdt ze lezingen in binnen- en buitenland en schrijft ze artikelen over Afghanistan. Oorspronkelijk is ze politicoloog, wat haar een docentschap opleverde aan de Parijse universiteit Sciences Po. Sinds drie jaar geeft ze het mastervak ‘Afghanistan lessons (not) learned’, over wat er valt te leren van de interventie in het land.

Ze is licht zenuwachtig over de verschijning van haar boek, omdat de reacties niet te voorspellen zijn. In haar boek over Karzai bracht ze naar buiten dat de Taliban zich in 2001, amper drie maanden na de Amerikaanse inval in Afghanistan, al hadden overgegeven. De pas benoemde interim-president Karzai had de overgave geaccepteerd, de oorlog leek voorbij.

Wat gebeurde er? De Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld zette Karzai onder druk om te doen alsof er nooit een overgave was geweest. Ze hoorde het van Karzai zelf. Groot nieuws, dacht ze, dat ze jaren later nogmaals opschreef in Vrij Nederland. Ook de Amerikaanse journalist Anand Gopal, wiens boek over Afghanistan een Pulitzerprijs-nominatie kreeg, noemde de ongewenste overgave.

Alle keren reageerde er niemand, geen media, geen politici, nergens – terwijl het nieuws toch inhield dat er duizenden mensenlevens hadden kunnen worden gespaard.

Het omgekeerde gebeurt ook: tijdens lezingen wordt Dam soms met de grond gelijk gemaakt. De strekking van haar optredens is altijd dezelfde: maak de Taliban niet te groot, praat met ze. Al jaren bestrijdt ze dat er een innige band bestond tussen de Taliban en Al Qaida.

Toen ze een lezing hield op een ministerie in Ankara kwam de zaal zo’n beetje in opstand. ‘Oh my God’, zegt ze, ‘dat ging helemaal mis.’ Tijdens een voordracht op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken stak een dame haar vinger op: ‘I think you’re too close to the Taliban.’ Niet lang geleden las Dam een betoog van haar dat het wél een goed idee was met de Taliban te praten. ‘Ik dacht: die is om. Dankjewel voor het gebrek aan steun.’

Ze kan de reacties wel plaatsen. Na 9/11 heerste er grote woede in Washington. En wraakzucht. President George W. Bush zei dat iedereen de keuze had: je was voor de Amerikanen of voor de terroristen, meer smaken waren er niet. Een simpel zwart-witschema, dat volgens Dam tot een ideologie is geworden.

Haar boek is zwart noch wit. Mullah Omar komt er niet uit naar voren als een terrorist, maar als de ongeletterde, omhooggevallen voorganger uit een kleine dorpsmoskee. Hij hoefde niet op de voorgrond te treden; zelfs toen de Taliban in 1996 Kabul veroverden, bleef hij de beweging aansturen vanuit een raamloos hok onder de trap in het gouverneursgebouw in Kandahar.

Mullah Omar wilde de orde herstellen in Afghanistan, dat jaren had geleden onder een burgeroorlog. De islam was zijn leidraad, een andere wereld kende hij niet. Hij was strikt in de leer. Ledematen afhakken, stenigen en stokslagen: het mocht allemaal, als er maar een rechtszaak aan voorafging.

In haar beschrijving van het leven van mullah Omar slaat Dam geen barbaarse praktijk over. Ze noemt ook de in Afghanistan wijdverbreide gewoonte onder mannen om jongetjes als seksslaven te houden. Toch is haar oordeel over mullah Omar mild. ‘Hij was niet iemand om bang voor te zijn’, zegt ze. ‘Hij had een gesprekspartner voor het Westen kunnen zijn.’

Dam roept het al jaren, maar met haar boek hoopt ze eindelijk te kunnen laten zien waarop ze haar inzichten baseert. Ze sprak met een kleine honderd mensen, van wie ze tachtig bij naam noemt, zoals vroegere buren, aangetrouwde familie en medestrijders van mullah Omar, huidige Talibanleiders, een zoon van Osama bin Laden, oud-president Hamid Karzai en de baas van de Afghaanse geheime dienst.

Ze vindt het soms ‘eenzaam en lastig’ om in te gaan tegen het ‘heersende narratief’ over Afghanistan. Maar ze is overtuigd van haar zaak: ‘Ik geef niet zomaar een andere opinie, ik denk echt dat het verhaal over mullah Omar en de Taliban anders in elkaar steekt dan wij denken. We zijn in die hele war on terror op zoek naar een vijand, maar weten niet wie het is.’

An Afghaanse jongen rijdt met zijn ezel langs de Amerikaanse militairen in de Zuidelijke provincie Kandahar, 2012. ©AFP

Belangrijk in uw verhaal is de relatie tussen de Taliban en Al Qaida. Die is er nooit geweest, zegt u.

‘Nee, Al Qaida was bezig met de wereld ver weg, de Taliban richtten zich alleen op Afghanistan. Mullah Omar wist niet van 9/11.’

Volgens u hadden mullah Omar en Osama bin Laden bepaald geen warme verhouding. Waaruit maakt u dat op?

‘Het waren heel verschillende types. Bin Laden was een wahabiet uit Saoedi-Arabië, hij kwam uit een rijke familie. Mullah Omar hing het soefisme aan en was een dorpeling. Bin Laden was ook veel slimmer dan mullah Omar.’

Mullah Omar was erg laaggeschoold en had vooral de Koran leren reciteren, schrijft u.

‘Ja, en Bin Laden keek sowieso neer op Afghanen. Toen hij in Afghanistan kwam, stelde hij zich meteen hard op. Hij zocht de media op en verklaarde de oorlog aan Amerika, terwijl mullah Omar juist vrienden wilde worden met Amerika. Hij deed ontzettend zijn best om de Amerikaanse ambassade naar Kabul te halen en probeerde een VN-zetel te krijgen.’

Van wie heeft u dit gehoord?

‘Van heel veel mensen, ik ben niet de eerste die dit zegt. Het staat bijvoorbeeld ook in An Enemy We Created, een goed boek over de Taliban.’

Maar er waren toch wel degelijk Al Qaida-kampen in Afghanistan? Het is een feit dat Bin Laden dáár de aanslagen van 9/11 heeft uitgewerkt.

‘In 1996-1997 zijn er veel kampen gesloten uit de jaren tachtig, toen er een jihad tegen de Sovjetlegers was. Er zijn er drie, vier opengebleven, daar maakte Bin Laden gebruik van.’

In het Westen heerst al jaren het idee dat het allemaal één pot nat is: de Taliban, Al Qaida en nu weer IS. Dat maakt het misschien lastig uw boodschap te geloven.

‘Daarom is het ook heel spannend wat mijn boek gaat doen.’

Sommigen zullen zeggen dat u een naïeve westerse vrouw bent, die in de mooie praatjes van terroristen is getrapt.

‘Dat zal best. In de Koude Oorlog zal het ook lastig zijn geweest om te zeggen: zijn de Russen wel zo’n grote vijand als de Amerikanen zeggen of zit dat toch anders in elkaar?’

Heeft u zich weleens afgevraagd of u inderdaad niet te dicht bij de Taliban staat? Hoe weet u of u niet te veel in hun verhaal bent meegegaan?

Lange stilte. ‘Ik heb gedaan wat ik kon. Veel verslaggeving over Afghanistan komt embedded tot stand, dus onder de hoede van een van de legers die daar zitten. Dan horen verslaggevers alles van één kant en doen ze geen dubbelcheck. Ik dacht al vrij snel nadat ik in Afghanistan was gekomen: oké, dat standpunt ken ik nu wel, ik ga dubbelchecken bij de andere partij. Dat is wat ik heb gedaan.’

U stopte als correspondent bij NRC zodat u meer tijd kreeg om dingen uit te zoeken.

‘Ik merkte al snel dat het conflict in Afghanistan complexer was dan journalisten het vaak voorstelden. Daardoor raakte ik geprikkeld, want zo maakten we de Taliban groter. Ik ben niet voor de Taliban, ik zeg alleen: maak ze niet zo groot.’

Waarom zou je de Taliban niet geloven als ze aanslagen ­opeisen? 

‘Waarom zou je de website van de Taliban wel geloven? Misschien eisen ze een aanslag op om sterker te lijken. Er zijn meer partijen die aanslagen plegen. Ik zeg: pas op. Doe een dubbelcheck.’

In uw boek legt u uit dat de Afghaanse maatschappij is verdeeld in stammen, met wisselende loyaliteiten. Dat maakt de zaak zo complex.

‘De stammen spannen buitenlandse legers voor hun karretje en die hebben dat meestal niet door. Een tribale krijgsheer kan over een vijandige stam tegen zo’n leger zeggen: kijk, dat zijn de Taliban – terwijl dat niet zo is. En dan pakt het leger die stam aan. Daardoor komen er voortdurend nieuwe vijanden, van alle kanten.’

Hoe kreeg u het voor elkaar dat zo veel mensen in Afghanistan informatie met u deelden?

‘Ik heb mijn boek over Karzai, Expeditie Uruzgan, laten vertalen in het Pashtun en het Farsi. Het wordt gewaardeerd om de vele bronnen en het is het eerste journalistieke boek over de ex-president, in een land waar de kwaliteit van de journalistiek lager ligt. Ik moet vaak een handtekening zetten. Los daarvan: Afghanen willen graag hún kant van het verhaal vertellen – en ik wil die horen.’

Een van uw bronnen is Omar bin Laden, de zoon van Osama.

‘De oudste zoon die in Doha woont. De laatste keer dat ik hem zag was vorig jaar.’

U heeft hem meerdere keren gezien?

‘Ja.’ Ze scrollt door de WhatsApp-contacten in haar telefoon en zoekt naar zijn profielfoto. Daar is hij: wit gewaad, witte doek om het hoofd, zwarte baard, lange neus. Sprekend zijn vader.

Wat zei hij over de relatie tussen mullah Omar en zijn vader?

‘Hij beschreef de laatste keer dat mullah Omar naar Osama bin Laden ging en zei: stop ermee, stop met die aanvallende toon tegen Amerika. Dat was in de zomer van 2001.’

Stelt hij zijn vader niet mooier voor dan hij was?

‘Dat heeft hij niet echt gedaan. Hij benadrukte heel erg dat die twee mannen ruzie hadden. Maar hij wilde niet veel over zijn vader zeggen. Hij zei alleen dat hij sinds 9/11 geen contact meer met hem had gehad. Hij heeft min of meer afscheid genomen van zijn familie. Hij was het niet eens met wat zijn vader heeft gedaan. Ik denk dat hij nu weer wat dichter bij hem staat dan toen. Hij is bozer geworden op het Westen. Hij vindt het heel erg dat ze zijn vader in zee hebben gegooid.’

Het lijk.

‘Ja, dat vindt hij heel erg.’

Bette Dam Bette Dam en haar tolk in gesprek met een tribale leider (rechts) uit het gebied waar Talibanleider mullah Omar zich de laatste twaalf jaar van zijn leven schuilhield. ©Joost Conijn

Slecht geïnformeerd

Het idee om te schrijven over de clash tussen oost en west ontstond in 2003. De Amerikanen waren Irak binnengevallen en Dam besloot: hier moet ik naartoe. Ze was hoofdredacteur van het studieblad van politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en ging samen met een redactiegenoot. Het was zomervakantie, ze hadden toch niets anders te doen.

Ze was 24, tegen haar ouders in Friesland zei ze dat ze in Tel Aviv zat, anders waren die maar ongerust. Intussen reisde ze rond in een land dat in brand stond. ’s Nachts zag ze benzinepompen ontploffen. In Irak wist ze het zeker: dit wordt mijn werk. Nederland deed mee aan de oorlog, ze wilde begrijpen wat we daar deden.

In Afghanistan had ze vanaf het begin dezelfde vraag: wat doen we daar? Tussen 2002 en 2013 leverde Nederland troepen aan een internationale coalitie die de Taliban moest bestrijden. Na al die jaren onderzoek constateert ze dat de militaire inspanning niets heeft uitgehaald.

Dam: ‘Je kunt zeggen: her en der zijn er betere wegen. Er is mobiele telefonie gekomen, maar die holt nu alweer achteruit. De Nederlanders hebben de laatste jaren politiemensen getraind, maar die jongens zijn dood of ontslagen, veel zijn er niet meer van over.’

Eigenlijk, zegt ze, is de situatie eerder verslechterd. Doordat de buitenlandse legers zich zonder dat ze het wisten in een stammenstrijd stortten, zijn de onderlinge verhoudingen nu helemaal onoverzichtelijk. ‘Niemand vertrouwt elkaar meer’, zegt ze. En de aanslagen gaan onverminderd door.

Na dik zeventien jaar geven de Verenigde Staten er de brui aan. Eind vorig jaar kondigde president Trump aan dat hij de helft van de 14 duizend Amerikaanse militairen terugtrekt, in Moskou zijn intussen vredesbesprekingen begonnen met de Taliban.

Onlangs kwamen twee Amerikaanse diplomaten uit het onderhandelingsteam bij Dam langs in Amsterdam. Ze maakten een rondreis langs Taliban-experts om informatie in te winnen en vertelden wat een van de Amerikaanse eisen aan de Taliban wordt: afstand nemen van Al Qaida.

In 2015 bombardeerden de Amerikanen nog een Al Qaida-kamp in Kandahar, waaruit die band maar weer eens bleek, zeiden ze. Dam was verbaasd. ‘Hoe komen jullie erbij?’, vroeg ze. ‘Geheime informatie’, was het antwoord. Ze zei: ‘Ik heb ook informatie, van de mensen die daar wonen.’ Ze kende dat kamp goed, volgens haar zat Al Qaida daar helemaal niet.

Later belde ze nog eens met een van de diplomaten. Opnieuw praatten ze over de vermeende link tussen de Taliban en Al Qaida. De man gaf toe: ‘Die twee partijen waren niet close, maar het gaat niet meer om de feiten.’ Dam: ‘Dat vind ik nogal wat, hoor.’

Haar vorige boek over Karzai leerde haar dat de internationale coalitie, met de Amerikanen voorop, geen idee had tegen wie ze vocht. Haar nieuwe boek laat zien dat zelfs mullah Omar, deze o zo belangrijke vijand voor de Amerikanen, één groot mysterie voor ze was. Een dronken Amerikaanse diplomaat zei eens tegen haar: ‘Die mullah Omar, die bestaat helemaal niet.’

In New York ploos ze de geheime overheidsdocumenten uit die Edward Snowden in 2013 openbaarde. Van de ongeveer honderd ‘highly classified’ en ‘top secret’ pagina’s over mullah Omar had ze minstens negentig al op Wikipedia of in andere openbare bronnen gelezen. Eén ding was nieuw voor haar: zijn codenaam luidde veelzeggend ‘Blanco’.

Amerikaanse troepen op een legerbasis in Oost–Afghanistan. Trump is van plan de helft van zijn manschappen terug te trekken uit het land. ©AFP or licensors

De Amerikanen zijn dus slecht geïnformeerd over Afghanistan?

‘Ja, ze zitten in grote militaire kampen. Heel weinig informatie komt tot hen. Hun bronnen benaderen ze met een wapen op hun buik, waardoor ze niet per se goede informatie krijgen. De jongens die zij spreken, spreek ik ook. Maar ik kom in de lokale kledij, als burger. Ik heb niks bij me. Dat maakt alles anders.’

En doordat ze zo weinig weten, zijn ze bang?

‘De Amerikanen zijn vaak vollédig bewapend, soms zijn zelfs hun zonnebrillen zijn van kogelvrij glas. Ik heb de militairen in het veld gezien met angst in hun ogen. Dat maakt dat ze geen enkel risico willen nemen. Op Wikileaks lees je hoe vaak ze huizen binnenvallen en er daarna achter komen: we zijn bij de verkeerde, shit, jammer. Geen enkel huis is onaangetast.’

Wat vindt u ervan dat er na zeventien jaar met de Taliban wordt gepraat?

‘Ik zeg al heel lang dat dat kan. Ik denk dat het tijd wordt het idee te aanvaarden dat de Amerikanen op het gebied van buitenlandse oorlogsvoering misleidend zijn. Het is verraderlijk en eng om met hen in Irak, Libië of Syrië te stappen. Ze zijn bang, ze willen wraak, ze denken zwart-wit. Ze zijn geen betrouwbare partner in het beschrijven van de vijand.’