Aan deze loeidrukke boulevard scharrelde Bob Dylan rustig in zijn tourbus. Een adembenemend idee

In aanloop naar Bob Dylans 80ste verjaardag maakt de VPRO een podcast over de legendarische zanger. Matthijs van Nieuwkerk, die meewerkte aan BOBcast, herinnert zich hoe hij vorig jaar – tot zijn eigen verrassing – uren bij een toerbus in Parijs zat te wachten op een glimp van zijn held.
Bob Dylan komt in 1978 aan bij het Pavillon de Paris, voorafgaand aan een concert. ©Getty Images

Parijs, 11 april 2019. Boulevard Poissonnière. De zon scheen best. Het was rond vijf uur ’s middags en ik wachtte op Bob. Op een stoeltje voor de Starbucks. Verderop stond een zwarte bus geparkeerd. En in die bus zat Bob. Bob Dylan. En Bob kon er ieder moment uitkomen. Zo was me verzekerd. Dit was al zeker anderhalf uur geleden.

Ik was erbij gaan zitten.

Bob Dylan was in Parijs. En ik was er toevallig ook. Wat ik niet wist, was dat mijn hotel om de hoek van de Grand Rex was, een mij onbekende bioscoop waar Bob drie avonden zou optreden. Toen ik eerder die middag mijn nieuwe buurt verkende, botste ik tegen dit filmpaleis op en werd ik op de stoep door een Nederlandse vrouw aangesproken. Zij zei dat ze mij daar wel had verwacht. Ik antwoordde dat ik niet voor Bob in de stad was. Zij wel, het zou die avond haar zesde concert van de Europese tour worden.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

En nu ze me toch sprak: Bob verfde waarschijnlijk zijn haar, Gotta Serve Somebody was het beste nummer op deze tour, de parade aan Sinatra-liedjes was eruit gekieperd (godzijgeprezen) en hij had twee dagen eerder in Praag warempel iets tegen het publiek gezegd, maar dat was voor niemand echt goed te verstaan geweest. En tot slot: Bobs stem klonk dan al bijna van gene zijde, ze dacht toch niet dat Bob snel zou gaan hemelen.

Fijn.

©k2

Toen ik vroeg waarom ze al zo vroeg ter plaatse was, wees ze naar de zwarte tourbus voor de Rex. Daar zat hij in. Die was van hem. En daar kon hij elk moment uitkomen. En dan zou hij de vijftien meter van de bus naar de artiesteningang afleggen. ‘Dat blijft magisch.’ En zij kon het weten, want die korte oversteek hoorde wat haar betreft bij een leven met Bob.

Ik keek naar de stoep waar deze petit promenade plaats zou vinden.

We namen afscheid.

Daar stond ik. Hartje Parijs. Doorlopen had geen zin meer. Aan deze loeidrukke boulevard scharrelde Bob Dylan rustig in zijn tourbus. Een adembenemend idee. En hij was dan wel niet dood, maar wel oud. Dit was dus, hoe je het ook bekeek, een buitenkansje op misschien een allerlaatste glimp. Tien jaar eerder had mijn vrouw mij woest aan mijn jasje teruggetrokken toen ik in het Londense The Restaurant mijn buurman Charlie Watts een hand wilde geven en hartelijk wilde bedanken voor alles. Maar mijn vrouw was er nu niet. Dat scheelde.

Dus wachtte ik op Bob.

Bob Dylan tijdens een optreden op Roskilde in Denemarken, in 2001. ©Hollandse Hoogte / AFP

Ome Bob, zoals Martin Bril altijd zei. Martin was verdomme alweer tien jaar dood. We spraken vaak over de poetsen die ome Bob ons allemaal gebakken had. Never a dull moment. Zo was het. Dylan was veel, en als je niet uitkeek alles. Bijna een leven reisde hij al met me mee, dit enigma, deze messias tegen wil en dank, deze trouweloze vriend, deze revolutionair, briljante dichter, onbehaagzieke troubadour, dienaar van God (parttime), charlatan, Nobelprijswinnaar, maker van een paar krankjorum slechte liedjes, schepper van een groot aantal van de allerbeste albums ooit.

Eindelijk, de deur van de bus zwenkte open. Ik ging staan. En ik was de enige niet. Mijn hemel. Zo’n dertig mannen en vrouwen renden en struikelden uit vele hoeken van de boulevard naar die bus. Ik zag tijdens mijn eigen sprintje dat er inmiddels twee beveiligers naast het lege gat van de deur geposteerd stonden, wachtend op de entree/uittree van the one and only Bob Dylan. 

Ik was te laat, zoveel was duidelijk. Het zicht op de Openbaring werd me volledig ontnomen. Bob was blijkbaar al uit de bus, want de luidruchtige stoet van Bob-roepers zette zich in beweging richting de Rex. Ik sprong. Niks. Ik zakte iets door mijn knieën en spiedde door een woud van denimbenen. Daar! Een klein ventje in een belachelijk grote spijkerbroek en een rood trainingsjack, hoody over zijn hoofd. En toen een paar krullen en zijn neus. Onmiskenbaar.

Niets was nog van belang dan dit zonovergoten heden.

©k2 - BOBcast