150 jaar zonder doodstraf (op een paar honderd executies na)

Strafrecht

Vandaag 150 jaar geleden, op 17 september 1870, zette koning Willem III zijn handtekening onder de 'Wet afschaffing doodstraf'. Toch vonden daarna nog honderden executies plaats, in Nederland en vooral in Nederlands-Indië.
©Idris van Heffen

Balthasar Gerards strompelde, toen hij op 14 juli 1584 het schavot voor het stadhuis in Delft betrad. Dagenlang hadden de ondervragers de moordenaar van Willem van Oranje opgehangen met gewichten aan zijn tenen, spijkers onder zijn nagels geduwd en zijn voeten in schroeiend leer gebonden.

Na die folteringen moest hij nog 'seer rigoreuselijcken ghestraft' worden, zo staat te lezen in de biografie 'Balthasar G.' die in 1984 verscheen. Dus knepen de beulen eerst Gerards' rechterhand met een gloeiend ijzer af, daarna bewerkten ze zijn armen, dijen en benen met gloeiende ijzers, vervolgens sneden ze zijn genitaliën af, toen sneden ze zijn romp open, rukten de ingewanden eruit, en smeten ze Gerards' hart in diens gezicht. Het werk zat er pas op toen ze het hoofd van de romp hadden gescheiden en zijn lichaam in vieren hadden gesneden.

Zó 'rigoreuselijck' ging het er in de negentiende eeuw allang niet meer aan toe, toen de discussie losbarstte over de 'barbaarsheid' van de doodstraf. Nederlands laatste terdoodveroordeelde, Johannes Nathan, werd op 31 oktober 1860 keurig opgehangen - in het openbaar op de Markt in Maastricht, dat wel - nadat hij schuldig was bevonden aan moord op zijn schoonmoeder. Eerder dat jaar hadden elders in Nederland nog twee executies plaatsgevonden, eveneens door ophanging. De guillotine die in de Franse tijd in Nederland dienst deed, was geen blijvertje.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

De doodstraf was in de negentiende eeuw niet gewoon; regelmatig gratieerde de koning veroordeelden. De liberalen hadden het tij mee, en konden het debat met de confessionelen uiteindelijk in hun voordeel beslechten. De afschaffing van de wetsartikelen in het wetboek van strafrecht die voorzagen in de doodstraf voor zware misdrijven was een feit in 1870.

Daarin liep Nederland ver voorop. Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk en België schaften de doodstraf pas honderd jaar later af, vertelt Gerhard Hoogers, docent staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. "Ons land heeft een progressieve traditie op strafrechtgebied. Dirk Coornhert schreef in de zestiende eeuw al dat lijfstraffen en martelen eigenlijk niet konden. Door de ketterverbrandingen onder Philips II was al ten tijde van de Republiek grote weerzin ontstaan tegen het ombrengen van mensen op grond van hun levensovertuiging. De doodstraf werd heus wel toegepast, maar minder vaak dan in de ons omringende landen."

Afschaffing onvolledig

De afschaffing van de doodstraf was allerminst volledig. In de Nederlandse koloniën bleef die straf decennia na 1870 bestaan. Zo werd in Suriname in 1927 nog iemand opgehangen. Pas in 2015, lang na de onafhankelijkheid, schafte het land de doodstraf af.

Nergens werden onder Nederlands gezag zoveel mensen geëxecuteerd, tot ver in de twintigste eeuw, als in Nederlands-Indië. Tot aan de formele soevereiniteitsoverdracht, in december 1949, voorzag het koloniale strafrecht in Nederlands-Indië in de doodstraf, vertelt Esther Zwinkels, als historica verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag. Sterker: na de onafhankelijkheid nam Indonesië het wetboek van strafrecht nagenoeg over, inclusief de artikelen over misdaden waarop de doodstraf stond.

Voor de Tweede Wereldoorlog werd in Nederlands-Indië de doodstraf met enige regelmaat opgelegd, ook wel aan Europeanen - die wel door andere rechtbanken werden berecht dan Indonesiërs - maar vooral aan Indonesiërs.

Na de oorlog gebeurde dat nog heel veel vaker. "Toen na de Japanse capitulatie in 1945 de Indonesische revolutie uitbrak, werden heel makkelijk doodstraffen opgelegd aan wat de Nederlanders terroristen noemde", vertelt Zwinkels. Naarmate het geweld toenam en Nederland maar geen grip kreeg op het conflict werden 'bijzondere krijgsgerechten' in het leven geroepen, als een soort noodgreep. Deze krijgsgerechten konden snelrecht toepassen en moesten zo standrechtelijke executies tegengaan. Maar, zegt Zwinkels, 'de krijgsgerechten werden in feite als wapen in de strijd tegen de Indonesiërs ingezet'.

Zo werden naar schatting enige honderden doodstraffen opgelegd. Zwinkels: "Exacte aantallen zijn moeilijk te geven, omdat veel informatie verloren is gegaan, maar er zijn aanwijzingen die in die richting wijzen." Zowel standrechtelijke executies in die tijd als de door krijgsraden opgelegde doodvonnissen zijn onderwerp van het grote dekolonisatie-onderzoek dat drie instituten, waaronder het NIMH van Zwinkels, met financiering van de Nederlandse regering uitvoeren.

Ook in Nederland vonden na de Tweede Wereldoorlog nog executies plaats, op grond van de 'bijzondere rechtspleging'. Daartoe had de Nederlandse regering in ballingschap besloten. Speciale wetgeving, rechtbanken en juridische procedures werden opgetuigd om misdaden van nazibezetters, collaborateurs en landverraders te bestraffen, ook door middel van de doodstraf. Verschillende getallen doen de ronde, maar ruim 145 mensen kregen een doodvonnis; ruim veertig werden daadwerkelijk voltrokken.

Onder andere NSB-leider Anton Mussert en SS-baas Hanns Rauter werden doodgeschoten voor een vuurpeloton op de Waalsdorpervlakte bij Wassenaar, waar de Duitse bezetters meer dan 250 mensen hadden omgebracht. De laatste twee executies op basis van de bijzondere rechtspleging vonden plaats in 1952. Koningin Juliana, die gewetensbezwaren had tegen de doodstraf, weigerde in de jaren vijftig koppig haar handtekening te zetten om de ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger Willy Lages te executeren.

Collaborateurs

Ook Indonesië kende een dergelijke bijzondere rechtspleging. 'Temporaire krijgsraden' werden belast met de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers en Indonesische collaborateurs, vertelt Zwinkels. "Globaal zijn zo'n duizend Japanners door deze Nederlandse krijgsraden berecht. In ongeveer 25 procent van de gevallen kregen zij de doodstraf." Ook ongeveer dertig Indonesiërs, Chinezen en Europeanen kregen de doodstraf wegens collaboratie.

Nog lang na 1870 bleef de ultieme straf ook voortbestaan in het Nederlandse oorlogsrecht. Op 12 mei 1940 werd bij de Grebbeberg de laatste Nederlandse militair veroordeeld en geëxecuteerd wegens desertie (artikel 100 van het wetboek van militair strafrecht). Maar sinds 1983 kent de Nederlandse Grondwet een artikel (114) dat kort maar krachtig is: "De doodstraf kan niet worden opgelegd".

Gerhard Hoogers: "Ik herinner me nog uit mijn studietijd in Nijmegen begin jaren negentig dat hoogleraar Kortmann over artikel 114 zei: 'Dat is nu typisch een voorbeeld van mooi weer-recht, dames en heren. Als er weer een oorlog uitbreekt met grootschalige mensenrechtenschendingen dan geef ik u op een briefje dat we weer collaborateurs tegen de muur gaan zetten zodra de oorlog voorbij is. En ik weet nog dat ik toen ook al dacht: ja, dat zou heel goed kunnen."

"Als je in 1938 tegen een beschaafde strafrechtadvocaat had gezegd 'over zes jaar hebben we - met terugwerkende kracht, en zonder parlement want dat hebben we even niet - artikelen opgesteld waarin we de doodstraf herinvoeren', dan zou die advocaat hebben geantwoord 'Ja ja, kom op zeg'. Maar dat is allemaal gebeurd."

Maar voor herinvoering van de doodstraf staan voorlopig wel wetten in de weg, en praktische bezwaren. Zo behoeft een wijziging van de grondwet een tweederde meerderheid in beide Kamers. En Nederland heeft ook in VN- en Europees verband verdragen tegen de doodstraf ondertekend. De Europese Unie verbiedt aan lidstaten de doodstraf.

Er bestaan natuurlijk ook morele bezwaren, en die zijn in de Nederlandse politiek gemeengoed. De meest gehoorde zijn wel de wreedheid van executies, en de onomkeerbaarheid ervan afgezet tegen de - al is het maar academische - mogelijkheid van gerechtelijke dwalingen. En het helpt niet, is ook een argument. Zeker als het aanslagplegers betreft, die er toch al op rekenen dat ze worden doodgeschoten.

Pleidooien voor de doodstraf zijn in Nederland vrijwel alleen buiten de politiek te beluisteren, na terroristische aanslagen, of 'te lage' vonnissen in geruchtmakende zaken, zoals de moord op Anne Faber. En begin dit jaar zag de Islamitische Hogeschool in Rotterdam zich genoodzaakt afstand te nemen van rector Ahmet Akgündüz, die op de Turkse tv had gezegd dat degenen die in opstand komen tegen de staat volgens de Koran de doodstraf verdienen.

Slechts één Nederlandse partij is voor herinvoering: de SGP. "De mens is geschapen naar het beeld van God. Vanuit dit vertrekpunt - de hoge waardigheid van de mens als beelddrager van God - volgt dat de overheid (rechter) gerechtigd is om bij ernstige levensdelicten de doodstraf toe te passen", zo staat te lezen op de site van de partij. "Niet uit populistische bloeddorstigheid, maar omdat de overheid geroepen is het kwaad op gepaste wijze te bestraffen."

Maar 'populistische bloeddorstigheid' valt nogal mee bij partijen waarvan je kunt vermoeden dat hun achterban wel is te porren voor de doodstraf, de PVV en Forum voor Democratie. Voor zo'n vermoeden bestaat geen bewijs, maar de laatste peiling over het onderwerp uit 2008 bevat wel een aanwijzing. Volgens Maurice de Hond was toen 40 procent van de Nederlanders voor herinvoering. Hij noteerde ook dat bij de VVD-aanhang het percentage voorstanders van herinvoering in twee jaar tijd was geslonken van 64 naar 45 procent. De verklaring: rechtse VVD'ers waren overgestapt naar de nieuwe rechtse partijen. Bij de aanhang van PVV en Trots op Nederland had slechts 16 en 25 procent bezwaar tegen de doodstraf.

"Het verbaast mij oprecht dat Wilders en Baudet er niet over beginnen", zegt Hoogers. "Alsof zelfs zij het niet aandurven dit taboe-onderwerp aan te snijden."

Niet dat helemaal niemand in de politiek erover begint. LPF-minister Nawijn liet een keer vallen dat hij kindermoordenaars de doodstraf toewenste. Onder algehele woede, binnen en buiten de Kamer, slikte hij zijn woorden snel weer in. Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, het wetenschappelijke bureau van de VVD, zette in 2005 in het tijdschrift Liberaal Reveil de voors en tegens nog eens op een rijtje, en bepleitte herinvoering. Maar hij kreeg een ijskoude ontvangst.

"Krabben aan de oppervlakte", vond Hoogers Van Schie's artikel. Zelf pleitte hij als promovendus in een publicatie in 1994 al eens voor een fundamenteel wetenschappelijk debat over het onderwerp. "Kant, toch niet de minste filosoof, schreef eens dat als we zeker zouden weten dat morgen de wereld vergaat, we vandaag nog de laatste terdoodveroordeelden moeten executeren. Volgens hem was dat het ultieme bewijs dat je de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens serieus neemt. Iemand executeren is hem zijn mens-zijn gunnen. Dat is nu geen gebruikelijke manier waarop we er tegenaan kijken, maar een filosofische analyse wordt nu helemaal niet meer gemaakt."

Geen garanties

We kunnen wel denken dat we de doodstraf voor eens en altijd achter ons hebben gelaten, maar daar zijn geen garanties voor. Het taboe op de doodstraf kan ertoe leiden dat het debat ondergronds gaat woekeren, denkt Hoogers. "Het onderwerp is een fatsoenlijke dissertatie waard, van een ethicus of een socioloog bijvoorbeeld. Alleen al het historische verschil tussen Nederland en België vind ik enorm interessant. In België werd de doodstraf pas in 1996 afgeschaft, maar al in de jaren zeventig was bepaald dat de koning automatisch gratie zou verlenen na een doodvonnis. Waarom hadden zij zo'n 'typisch Hollandse' oplossing, terwijl wij hier heel principieel in waren? Welke morele overwegingen en maatschappelijke omstandigheden hebben ertoe geleid dat wij op dit punt zo afweken?"