“Racisme heeft niet altijd met kleur te maken. De blanken waren bang dat we hun vrouwen zouden afsnoepen”

'Kinderen van de kolonie': Jean-Jacques Tamba, een zwarte Belg in Antwerpen

Hij is geboren in Belgisch-Congo, hij heeft er de onafhankelijkheid gevierd en daarna is hij in België verzeild als officier van de lange omvaart. Hij trouwde met een Vlaamse, ging werken bij General Motors, baatte een Antwerps nachtcafé uit en schitterde in Benidorm Bastards. En nu weet Jean-Jacques Tamba (78), de sterkhouder van de nieuwe Canvas-reeks Kinderen van de kolonie, het niet meer: is hij een Congolees of een Belg? “Ik ben een zwarte Belg.”

Jean-Jacques Tamba heeft voor het gesprek informatie meegebracht naar het café van de Permekebibliotheek in Antwerpen. Aan de hand van authentieke documenten zal hij staven dat hij niet uit zijn nek kletst over zijn bewogen leven in Afrika en Europa. Hij diept een brochure van Canvas op. “Hierin staat dat ik in mijn jeugd een boy was. Dat klopt niet: ik deed het werk van een boy als vakantiejob, om een centje bij te verdienen. Ik heb twee maanden voor madame Delbeke als moke gewerkt.”

Moke?

“Je had vier categorieën van boys: boys die strijkten, boys die kookten, boys die kleren wasten, en ten slotte de boys moke. De boy moke was de laagste in rang. Wij waren de kazakkendragers van madame. Als madame inkopen deed, droegen wij haar zakken. Af en toe speelden we ook met haar kinderen. We deden de kleinste jobs. Maar eerlijk gezegd: ik was daar niet zo goed in, ik was niet gedisciplineerd. En madame heeft mij buitengesjot.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

“Daarna heb ik als loopjongen gewerkt. Brieven van het ene kantoor in Boma naar het andere brengen. Dat ging sneller dan met de post.”

Wat voor stad was Boma in Beneden-Congo?

“Boma was de vroegere hoofdstad van Belgisch-Congo, vóór Leopoldstad (het huidige Kinshasa, red.). Een stad aan de rechteroever van de Congostroom, met twintigduizend inwoners. De Bayombe waren de grootste stam. Mijn vader was een Bayombe.”

Uw vader was waaier van beroep. Wat betekende dat precies?

“Hij wuifde met een palmtak de blanke man koelte toe. Maar hij was ook een drager: hij droeg, samen met drie anderen, de blanke man in een stoel rond. Hij was een sterke man.”

Deed hij dat graag?

“Hij deed het voor de kost.”

Vernederend, toch?

“Dat vinden wij nu. Vroeger beseften we niet dat het vernederend was. Mijn vader heeft vóór de onafhankelijkheid nooit gezegd dat de blanke man hem mishandelde, het is hem pas later gaan dagen. Uiteindelijk is hij chauffeur bij de nonnen geworden, dat was beter.”

Hij heeft u wel laten studeren.

‘In Boma kent niemand me nog, in Antwerpen ben ik thuis.’

“Ook een gevolg van het koloniale systeem: als je niet studeerde, kwam je terecht in de categorie van de ouvriers, de arbeiders. Mijn vader, een ongeletterde man, wilde dat zijn kinderen een goede baan zouden hebben. In Congo zijn kinderen nog altijd de bank, begrijpt u? Zij zijn de sociale zekerheid van de ouders. Kinderen met een goede job kunnen hun ouders helpen als ze een dagje ouder zijn.

“Ik weet niet hoeveel mijn vader verdiende. Veel was het ongetwijfeld niet, want we hebben thuis honger geleden, maar ik heb het nooit durven te vragen. Kinderen in Congo hadden het recht niet vragen te stellen aan hun ouders. De ouders beslisten waarover ze spraken. Zij waren wijs.”

Naar welke school ging u in Boma?

‘De Belgen wilden zwarte Belgen van ons maken, maar ook weer niet helemaal’

“De kolonieschool, een instelling van de Broeders van de Christelijke Scholen. Die had een uitstekende reputatie: de elite die na de onafhankelijkheid aan de macht kwam, was daar grotendeels gevormd. Maar je mocht van de broeders alleen binnen als je katholiek was. Mijn vader was protestant, en mijn grootvader langs moederszijde een dominee – een zwarte dominee die kon lezen en schrijven, net als mijn moeder. Maar er was geen discussie mogelijk: wij moesten bekeerd worden.”

Bent u op latere leeftijd gedoopt?

“Jazeker, in de kerk, met een pater die water over mijn hoofd goot. Ik moest me voor de gelegenheid zelfs kaal laten scheren. Een kroezelkop kon niet gedoopt worden: het water zou niet doordringen tot zijn hoofd.”

Gingen blank en zwart samen naar school?

(verontwaardigd) “Blank en zwart samen? Dat was áltijd apart, net als jongens en meisjes. Wij hadden geen contact met blanken op school, tenzij met de paters en de broeders. Zij waren het die ons in het middelbaar opvoedden.”

Met de bedoeling évolués van jullie te maken?

(knikt) “Een évolué was de beter ontwikkelde zwarte, een kopie van de blanke man. De Belgen wilden zwarte Belgen van ons maken, maar ook weer niet helemaal. Na het middelbaar stopte het onderwijs voor ons. De universiteit was voorbehouden voor blanken en een enkel zwart kind van évolués.”

Hoelang bent u naar school gegaan?

“Ik heb tien jaar op de kolonieschool gezeten, van 1946 tot 1956. Zes jaar lagere school en vier jaar middelbaar, maar ik moest twee jaar zittenblijven. Ik studeerde goed, maar ik was telkens gebuisd voor discipline. Ik was een zot manneke, een ADHD-kindje, maar dat kende men vroeger niet. Men wilde van ons emporte-pièces maken: iedereen moest hetzelfde zijn.”

Bent u dikwijls gestraft?

“Ja, de zweep ging er geregeld over. Soms waren we bang om naar school te gaan: ‘Wat staat ons vandaag weer te wachten?’ Het waren niet de broeders die ons sloegen, ze rekruteerden struise jongens onder de laatstejaars die de zweep hanteerden. Slaan was de enige manier om ons, onmogelijke kindjes, op te voeden.”

Sloegen ze op uw rug?

“Op mijn kont. Maar ik kan u verzekeren: het deed pijn, veel pijn. Meestal ging het zo: je kwam een kamer binnen waar drie struise jongens je opwachtten, samen met de inspecteur. De inspecteur schreeuwde de bevelen: ‘Broek af! Kleren uit!’ Daarna grepen twee jongens je vast, de ene bij je polsen, en de andere bij je enkels. Ze tilden je op en daar hing je dan te wachten op de slagen, trillend en bevend over je hele lichaam. Tegelijk spande je je spieren op om de slagen zo goed mogelijk op te vangen. Maar de inspecteur legde zijn hand op je kont en riep: ‘Ontspan u!’ Dan volgden de zweepslagen: drie, op voorwaarde dat je het niet uitschreeuwde van de pijn. Anders begonnen ze opnieuw te tellen. Op drie lieten ze je los: je knalde tegen de grond, maar je mocht geen kik geven. In zeven haasten raapte je je kleren bijeen, je rende de kamer uit en schreeuwde het daar uit van de pijn. Daar mocht het wel.” (lacht)

‘Ze tilden je op en daar hing je dan te wachten op de slagen, trillend en bevend over je hele lichaam’

U lacht, maar zo grappig is het niet.

“Je kunt zo’n verhaal niet vertellen zonder humor, anders ben je vandaag nog altijd gefrustreerd. Je kon de kolonialen niet tegenspreken. Je moest doen wat ze van je verlangden, zeker op zo'n goede school.”

U ging daar behoorlijk ver in mee: u bent nog van plan geweest missionaris te worden.

‘Natúúrlijk wilden we missionaris worden: alles was beter dan honger lijden’

“Wij werden daarin aangemoedigd: je moest proberen zo’n goede christen te worden dat je een roeping had. Seminaristen hadden een mooi leven. Ze gingen op internaat en ze werden goed gesoigneerd. Natúúrlijk wilden we missionaris worden: alles was beter dan honger lijden. Maar de directeur, die me kende als een deugniet, viel bijna van zijn stoel toen ik in het tweede middelbaar zei dat ik een roeping had. Hij geloofde me niet. Dat jaar ben ik van de school gegooid. Broeder Rudolf, een jongeman die in Belgisch-Congo was komen lesgeven in plaats van zijn legerdienst te vervullen, kon ons niet de baas. Hij heeft de directeur voor de keuze geplaatst: ‘Stuur me terug naar België of zet die mannekes aan de deur.’

“Enkele maanden later heb ik me via het ingangsexamen aangemeld bij de beroepsschool in Boma. Het was spotgemakkelijk voor mij, ik was bij de beste vijf. En het toeval wil dat de basis van de marine even verderop in Banana lag, een uithoek in het zuidwesten van Congo. De marine rekruteerde de beste leerlingen van de beroepsschool voor hun opleiding tot officier. Ik was één van hen. Ze hebben ons een contract voor acht jaar laten tekenen. In ruil kregen wij logies, eten, onderwijs en zelfs zakgeld. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik geld op zak had! C'était une vie en rose.

“Enkele dagen na de eindexamens in Banana vernamen we dat in Leopoldstad de onafhankelijkheid was uitgeroepen. We waren blij, al hadden we er in Beneden-Congo weinig van gemerkt. Ik vraag me nog altijd af waar die mannen in 1960 het lef vandaan gehaald hebben om het tegen het koloniale systeem op te nemen.”

Is Patrice Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo, een held voor u?

“Hij had in elk geval de ballen om een toespraak te houden in het bijzijn van koning Boudewijn, waarin hij vertelde hoe het er werkelijk aan toeging in de kolonie. Dat was formidabel. Maar ik vraag me af of Lumumba, als hij niet vermoord was, het beter gedaan zou hebben dan degenen die in leven gebleven zijn, zoals Kasavubu, Mobutu en Kabila. Eerlijk gezegd, ik heb mijn twijfels. Maar hij is vroeg gestorven, en dus is hij een held.”

Feest in Rio

U bent net na de onafhankelijkheid naar België gekomen.

“In de jury van mijn eindexamen zat een man van de Compagnie Maritime Belge (CMB). Na de onafhankelijkheid was er veel onzekerheid: we gingen ervan uit dat onze marinebasis zou sluiten. En die man liet me weten dat ik, als officier van de lange omvaart, bij de CMB kon beginnen. (Haalt zijn zeemansboekje boven) Voilà, hier zie je het: mijn eerste vaart ging naar Leopoldstad. Maar het meest voer ik over en weer tussen Matadi en Antwerpen.

“Ik was officier van de machineruimte, maar de zwarte matrozen vonden het lastig om mij te gehoorzamen. Ze kenden dat niet, een Congolese officier. En ik was amper 20. Ik moest alle trucs van de diplomatie aanwenden om die ouwe papa’s te laten doen wat ik wilde: ‘Wil je misschien even, als je vijf minuten tijd hebt, die plek schoonmaken?’ Als de eerste de beste onnozele blanke assistent hetzelfde vroeg, deden ze dat zonder tegenstribbelen.

“Ik heb nooit op een Congolees schip gevaren, maar altijd onder Belgische vlag. Een zwarte kon nooit het bevel voeren op zo’n schip. Onmogelijk. In het beste geval kon je, zoals ik, de tweede of derde in rang worden. Dat frustreerde me, en daarom ben ik na verloop van tijd vertrokken en bij General Motors gaan werken. Maar daar was het precies hetzelfde liedje: iedereen kon promotie maken, behalve een zwarte.”

'Aan de school van de Belgische marine kregen we logies, eten en zelfs zakgeld. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik geld op zak had!’

In 1965 bent u getrouwd met een Belgische. Dat was niet vanzelfsprekend in die dagen.

“Ik bewonder mijn vrouw dat ze het heeft aangedurfd. Zwarten werden als minderwaardig beschouwd. In Belgisch-Congo mocht een zwarte een blanke vrouw niet aanraken. Deed je het toch, dan vloog je in de gevangenis. Blanke vrouwen waren ook niet vriendelijk voor ons. Zoveel trots, zoveel pretentie. Enfin, ik wil niet veralgemenen, je had ook vriendelijke vrouwen, maar die mochten hun sympathie niet laten zien.

‘Ik vraag me nog altijd af waar die mannen in 1960 het lef vandaan gehaald hebben om het tegen het koloniale systeem op te nemen’

“Ik schrok toen ik merkte hoe blanke vrouwen in België met ons omgingen. Op een dag zat ik in café De Oude Gans in Antwerpen, en alle vrouwen waren aan het dansen. Ik was nog jong en mooi, en die vrouwen maar vragen of ik niet wilde meedoen! Ik antwoordde: ‘Ik mag niet met een blanke vrouw dansen.’ Die vrouwen konden hun oren niet geloven. Eentje, Flor heette ze, zei: ‘Jullie worden in Congo net zo gediscrimineerd als wij in België.’ Dat vond ik wel een mooie vergelijking. Maar een Belgische man mengde zich in de discussie en zei dat ze zich niet moest aanstellen, en met hem moest dansen. Flor gaf hem een mep rond zijn oren. In welk land ben ik nu beland, dacht ik, een vrouw die een man slaat! Dat had ik in Congo niet gezien. En het strafste was dat die kerel daarmee lachte.”

Hoe hebt u uw vrouw leren kennen?

“De Congolese zeelieden hadden een club in Antwerpen, een Congolees zeemanshuis onder toezicht van de paters scheutisten. Daar kwamen meisjes met ons praten. Mijn vrouw, die ook heeft gevaren, kwam daar geregeld. En ik ben nog altijd met haar samen.”

Zeelieden hebben een reputatie als het op vrouwen aankomt.

“Je hebt ook brave zeelieden.”

Was u één van hen?

“Als de boot aanmeerde, nam de koorts bezit van de bijna volledige bemanning. Mannen zouden hun vrouw terugzien, zeiden ze, hun grote liefde. Maar toen ze enkele dagen later vertrokken, was het alweer van: ‘Tot de volgende keer!’ Het hing ook af van welke haven je aandeed. In sommige havens viel werkelijk niets te beleven. Bestemmingen in de Perzische Golf waren niet geliefd: daar had je geen vrouwen, en daar dronk je cola in plaats van bier. Maar in Afrika of in Rio was het altijd feest. Indertijd bleven schepen nog twee weken in de haven liggen. Dat was veertien dagen ambiance. In veel havensteden lopen buitenechtelijke kinderen van zeelieden rond.”

Hebt u er ook?

“Ik denk het niet, ik was braaf – de invloed van de kolonisatie. Op school hadden we geleerd voorzichtig te zijn. Je had nog geen voorbehoedsmiddelen, hè: je mocht slapen met een vrouw, maar als ze zwanger was, werd je van school gegooid.”

‘Mijn vrouw kreeg nog meer kritiek dan ik: 'Woar hedde gij diejen opgeschaard?’’

Alle remmen los

Hebt u in België veel weerstand ontmoet omdat u een Belgische vrouw had?

“Het was niet vanzelfsprekend. Op een bepaald moment kregen haar ouders de politie over de vloer: ‘Weet u dat uw dochter een relatie heeft met een zwarte?’ Gelukkig was ze een sterke vrouw. Onderschat niet onder welke druk zij stond: ze kreeg nog meer kritiek dan ik. (In het plat Antwerps) ‘Woar hedde gij diejen opgeschaard?’ Dat soort opmerkingen waren normaal, maar zij sprak er zelden over. Zij wilde mij er niet mee belasten. Ik had het al zwaar genoeg, vond ze.

“Bij General Motors zat ik vast: ik kon mijn best doen zoveel als ik wilde, ik maakte geen promotie. Het was flagrant, maar zo was het systeem: een blanke wilde niet onder een zwarte werken. Na acht jaar ben ik opgestapt en ik ben op advies van mijn vrouw met een café begonnen.”

In de Soete Naem Jezus, een legendarisch nachtcafé in Antwerpen.

“Daar ben ik rijk geworden. Rijk van de mensenkennis, bedoel ik. Als ik nu iemand ontmoet, weet ik binnen de drie minuten wat voor vlees ik in de kuip heb. In mijn café kwamen alle soorten mensen over de vloer, het was een café mayonaise. De grootste namen, zoals Romario, Ramses Shaffy, Peter Piot en Marcel Colla, kwamen er ook omdat ze wisten dat er altijd iets te beleven was. De vrouwen die in de bars werkten, kwamen na hun uren naar mijn café. Soms vergaten ze dat ze gestopt waren met werken en gaven ze nog een kleine striptease. Gratis. Dat vond iedereen geweldig, natuurlijk. Voor mij was het, na de harde koloniale periode, een manier om aan de mensen te zeggen: ‘Wees jezelf, amuseer je, leef en laat leven.’

“Op een dag was er een klacht wegens geluidsoverlast. De politie zei: ‘Meneer, u moet uw klanten goed opvoeden.’ - ‘Ben ik nu een opvoeder?’ vroeg ik. ‘De Belgen zijn toch naar Congo gegaan om mij op te voeden?’”

Schrijfster Mieke de Loof, die voor u heeft gewerkt, heeft uw café de universiteit van het leven genoemd.

“Ik heb geweldig personeel gehad, en het klopt wat Mieke zegt: je leerde er de mens kennen zoals hij werkelijk is. De meeste mensen zijn schizofreen. Overdag zijn ze hard aan het werk, maar als ze ’s avonds laat in het café komen, veranderen ze in beesten. Een beest is amusant, maar soms ook agressief.”

U kon, volgens Mieke de Loof, de spanning wegnemen met één welgemikte opmerking.

“Mensen luisterden vroeger nog naar een cafébaas. Toen ik last kreeg met de politie door het drugsgebruik in het café, stuurde ik mijn klanten naar de Groenplaats om daar hun pétards te smoren. Ze deden dat, en daarna keerden ze in opperbeste stemming terug. (lacht)

“Ik heb nooit een buitenwipper gehad, ik regelde alles volgens de kunst van de diplomatie. Maar op het einde heb ik toch een vriend gevraagd om een oogje in het zeil te houden. Ik kon niet om met de agressie van sommige nieuwkomers, mensen van achter het IJzeren Gordijn: die sloegen hun glas stuk en gingen elkaar te lijf. (Verontschuldigend) Ik sprak hun taal niet, ik kon niet met hen communiceren.”

Het einde was niet zo mooi. Uw buren klaagden over overlast, ze beweerden dat u uw onstuimige klanten niet meer in bedwang kon houden.

“Ze hadden gelijk: ik had het niet meer onder controle.”

U bent ook vervolgd omdat u een dronken klant niet voldoende had bijgestaan.

“Emile liep van het ene café naar het andere, zonder geld in zijn zakken. Dus wat deed hij als iedereen danste? Dan dronk hij de bollekes leeg: hopla! (lacht) Ik moest de mensen dan sussen en een nieuw bolleke geven. Maar ik kon niet kwaad zijn op Milleke. Milleke était un gentil garçon.

“Op een dag is hij, met zijn glas in de hand, omvergevallen. Ik heb hem aan de deur gezet om hem lucht te doen krijgen. Een buurman heeft daar foto’s van genomen, als bewijs dat ik mijn klanten slecht behandelde. Maar ik heb wel de ambulance gebeld. Ze hebben me veroordeeld omdat ik onvoldoende voor Milleke had gezorgd: zes maanden gevangenis met uitstel en een voorwaardelijke boete.” (blaast)

Deed dat pijn?

‘De tijden zijn veranderd. Mensen zijn minder tolerant, je hebt geen bruine kroegen en nachtcafés meer’

“Je hebt het beste met de mensen voor, en dan word je nog gestraft ook. Maar dat is niet de reden waarom ik ben gestopt. Ik was 65, het was tijd om ermee op te houden. (Zwijgt) De tijden zijn veranderd. Mensen zijn minder tolerant, je hebt geen bruine kroegen en nachtcafés meer. Dat is het gevolg van al die agressie. Mensen zijn bang, ze komen niet meer buiten na middernacht. Terwijl Antwerpen vroeger de stad was die nooit sliep.”

Was het café uw roeping?

“Dat heb ik het liefst gedaan, ja. Daar voelde ik me vrij. Niemand die me zei wat ik wel of niet mocht doen. Mijn vrouw had recht van spreken, maar zij was ook de enige.”

Hield uw vrouw graag café?

“Zij heeft een ander karakter dan ik. Als mensen zich misdroegen, zette ze hen meteen aan de deur. Ik niet. Ik praatte eerst, ik maakte een grapje. Maar zij wond zich op. En op een bepaald moment is ze thuisgebleven: ‘Het is beter dat jij het café alleen openhoudt.’ Dat heb ik de laatste tien jaar ook gedaan.

‘Je hebt geen bruine kroegen en nachtcafés meer. Dat is het gevolg van al die agressie. Mensen zijn bang, ze komen niet meer buiten na middernacht.’

“Neem het van mij aan: als je van plan bent je huwelijk te laten stranden, is er niets beter dan met je vrouw een café te beginnen. Er komen mannen voor je vrouw, en vrouwen voor jou. Je relatie wordt op de proef gesteld. Tegelijk mag je nooit vergeten waar het om gaat: een goede recette. De zaak moet draaien, en dus doe je er alles voor om het de klanten naar de zin te maken. Je bent vriendelijk tegen mensen tegen wie je eigenlijk niet vriendelijk wilt zijn. Je maakt plezier, je placeert zelfs een danske. Als de vrouwen in vorm waren en alle remmen losgooiden, moest ik hen niet tegenhouden, hè. Ik herinner me dat eentje per se de lambada met mij wilde dansen. Ze ging zo hevig tekeer dat ze tegen de grond smakte en haar voet brak.” (lacht)

Had u als cafébaas geen last meer van racisme?

“Racisme zal altijd bestaan, maar dat heeft niet noodzakelijk met je kleur te maken. Eén voorbeeld: vroeger mocht ik niet binnen in de Jimmy’s, een Antwerpse discotheek. Maar een vaste klant van het café, een zwart meisje dat in bars werkte, mocht er dansen wanneer ze maar wilde. Op een keer ben ik haar achternagegaan. ‘Ze is mijn zus’, zei ik tegen de portiers. En ze lieten me door, zonder discussie. Volgens mij had hun deurbeleid te maken met de rivaliteit tussen blanke en zwarte mannen. De blanken waren bang dat wij hun vrouwen zouden afsnoepen. Als broer van dat meisje betekende ik geen gevaar.”

Zwarte burgemeester

Voelen blanke mannen zich inferieur op seksueel vlak?

“Dat is een hardnekkige mythe. Toen ik hier voetbalde, ging iedereen na afloop naakt onder de douche. Iedereen, behalve ik. Ik schaamde me dood, ik durfde me in het bijzijn van al die blanke mannen niet uit te kleden. Op een dag heb ik het wel gedaan, en ze kwamen allemaal kijken: ‘Wat een kastaar!’ Maar dat is niet typerend voor een zwarte, hè. Je hebt ook blanke mannen met une grosse bite. Soms vroegen ze me: ‘Hebt gij uwen hoed verloren?’ Ik snapte niet wat ze bedoelden, tot iemand het me uitlegde: ze hadden het over het feit dat ik besneden was. In Congo was dat een vast gebruik. We zijn bijna allemaal besneden op ons 7de.

“De mythe van de viriele zwarte man is ontstaan doordat we elkaar amper kenden. Ik verzeker u: de eerste keer dat ik met een blanke vrouw naar bed ging, voelde ik dat ik gewikt en gewogen werd. En vice versa: ik wist zelf niet wat ik kon verwachten. Een blanke vrouw was een bovenaards wezen in Afrika. Ik wist zelfs niet of ze naar het toilet ging.

‘Een blanke vrouw was een bovenaards wezen in Afrika. Ik wist zelfs niet of ze naar het toilet ging’

“Het is wel zo dat Afrikanen op een andere manier de liefde bedreven. Dat kregen wij geregeld te horen. ‘Je kunt goed neuken’, zeiden vrouwen, ‘maar je weet niet hoe je moet vrijen.’ Wij vrijden altijd in het donker, op de tast, zonder voorspel: het was direct boemboem. Maar om van seks te genieten moet je de tijd nemen, het is een spel waarbij de man de vrouw helpt om er ook van te genieten. Maar zo was het niet in Afrika. Mijn ouders hebben nooit gevreeën voor het plezier. Het was functioneel, voor de voortplanting. Papa had zijn eigen kamer, en mama sliep bij de kinderen. Als die in een diepe slaap verzonken waren, kwam mama naar papa. En dan deed hij het zo snel mogelijk, zodat de kinderen de afwezigheid van mama niet zouden opmerken. En als hij klaar was, keerde mama terug.

“We waren met acht kinderen thuis, maar tussen elk van ons was er minstens twee jaar verschil. Zolang mama een baby de borst gaf, mocht papa haar niet aanraken. Het hoorde niet dat ze meteen weer zwanger zou zijn. Dus, wat deden mannen zoals mijn vader in de tussentijd? Ze gingen vreemd.

“Bon, in Congo vrijen ze dankzij de media ook al lang voor het plezier. Ze hebben allemaal een smartphone. Ze kijken ook naar de filmpjes op YouTube.”

Wat doet het u als u terug in Congo bent?

“Het raakt me niet meer zo diep, bijna iedereen is dood. Ik heb nog twee zussen, de anderen zijn er niet meer. Het beste contact heb ik met mijn oudste zus. Ze heeft nooit gewerkt, maar ze heeft wel tien kinderen gebaard. Hoe zou zij nu moeten leven zonder kinderen?”

U hebt zelf twee kinderen. Hoe doen zij het in het leven?

‘Ik had maar één voorwaarde om deel te nemen aan ­'Benidorm Bastards': 'Niet te veel tekst!' (lacht)

“Mijn zoon werkt als machinist bij de NMBS. Dat is fijn voor hem, want hij heeft heel wat moeilijkheden gehad. Een gekleurde machinist, dat was lange tijd ondenkbaar. Mijn dochter, die marketing heeft gestudeerd, heeft sinds kort een baby: zij heeft vooral tijdelijke jobs. Mijn dochter is een mooie vrouw – een voormalige miss Antwerpen die iedereen inpakt. (lacht)

“Het gaat langzaam de goede richting uit: als je capabel bent, kun je jezelf opwerken in België. Ze kunnen ons niet meer negeren, je hebt ook nog maar weinig mensen die voor 100 procent Belg zijn.”

Waarom zijn er nog steeds zo weinig Congolees-Belgische politici?

“Je hebt papa Kompany, de nieuwe burgemeester van Ganshoren, die het dankzij de stemmen van de Afrikaanse gemeenschap heeft gehaald. Maar je hebt ook anderen. (Haalt een verkiezingsfoto met zijn beeltenis boven) Ik heb op 14 oktober voor Groen 900 stemmen gehaald. Dat lijkt me niet mis, maar eerlijk gezegd: een zwarte burgemeester in Antwerpen? Daar is deze stad nog niet klaar voor. Het zal nog enkele jaren duren voor we, zoals in Rotterdam, een donkere man aan de top hebben.”

Wat is thuis voor u?

“Ik heb twee steden in mijn leven: Boma en Antwerpen. Ik woon in Antwerpen. Ik begrijp de mensen, de mensen begrijpen mij. In Boma kent niemand me nog, in Antwerpen ben ik thuis.”

Hier bent u sinds Benidorm Bastards zelfs een BV.

“Een acteur zou ik mezelf niet noemen. Ik had maar één voorwaarde om deel te nemen aan dat programma: ‘Niet te veel tekst!’” (lacht)

U hoeft niet in Boma begraven te worden?

“Wat zouden ze ginder met mijn lijk kunnen doen? Nee, ik leef hier, ik heb hier mijn kinderen, ik voel me hier goed. Ik ben een Belg geworden. Een zwarte Belg.”

Kinderen van de kolonie, zesdelige reeks op Canvas, dinsdag, 21.20 uur

Kinderen van de kolonie, Jan Raymaekers, Polis

©Humo

Cadeautje

Verras je familie of vrienden met hun eigen persoonlijke nieuwssite, gebaseerd op een selectie van hun favoriete onderwerpen. Bekijk hier een voorbeeld van de uitnodiging.