‘Mijn hoekje in de krant is kostbare ruimte. Uiteindelijk gaat het erom: waar ligt de echte macht?’

Vanuit een veilig en rijk land als Nederland is het heerlijk klagen. Volkskrant-columnist Sheila Sitalsing beschouwt het als plicht om links bij de les te houden en de macht te bevragen. Liefst zonder haar achtergrond in de strijd te werpen: ‘Ik heb me voorgenomen nooit de vrouw voor de allochtonenzaken te worden.’
©Oof Verschuren

‘Zeuren hoort erbij in Nederland’, zegt Sheila Sitalsing. ‘En ik heb zelf ook geklaagd hoor, het afgelopen jaar. Als thuis de muren op me afkwamen. Als ik moest schrijven terwijl mijn dochters met hun laptops op de bank zaten en mijn man keihard aan het videobellen was. Nou allemaal ópdonderen, dacht ik soms. Het is best lekker om te klagen. Maar ik vind het ook heel lekker om te klagen over mensen die klagen.’

Het is de grauwst denkbare maandagochtend aan het einde van het coronajaar. In haar gezellige, opgeruimde nieuwbouwwoning in een buitenwijk van Delft ontvangt de columniste op blote voeten. Binnen heerst rust, vandaag wel. Haar man Mario en haar dochters Zadie en Zora stiefelen elders door het huis. Het is een dag waarop ze haar column schrijft – iets wat ze al tijden niet kan doen op de manier zoals ze dat het liefst doet. ‘Ik was altijd gewend om er heel veel op uit te gaan en koffie te drinken, met collega’s of mensen die ik ken uit de tijd dat ik politiek verslaggever was. Soms ook met lezers die schreven: misschien moeten we eens praten, want u heeft er duidelijk niets van begrepen. Zo kwam ik altijd op ideeën, kon ik dingen toetsen en beter leren snappen.’

Dat droogde allemaal op. Ze werd niet langer ‘gevoed’. ‘En dan is het best een eenzaam bestaan, dat stukjes tikken. Ik leefde enorm op als ik roddels van de werkvloer hoorde. Er waren momenten dat ik ermee wilde stoppen, alleen maar omdat ik zo graag onder de mensen wilde komen. Maar goed, dat gevoel gaat ook weer over.’

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

In haar ‘stukjes’ mag ze de zaken graag in perspectief zetten. Tégen het geklaag. En anders zorgt Mario daar wel voor, de man die ze dertig jaar geleden ontmoette op de ‘Surinaamse’ gang van een studentenflat in Delft. ‘Mario woonde in Suriname in de tijd van de dictatuur. Een militaire avondklok, altijd binnen zitten. Hij kon niet studeren omdat de universiteit dicht was, dus is hij dat in China gaan doen, in de communistische tijd. Een paar jaar daarna was er de opstand op het Plein van de Hemelse Vrede. Werd hij met alle buitenlandse studenten geëvacueerd. Dus als ik begon te piepen dat ik zo’n behoefte had aan een feestje, zei hij: hou toch op, je kunt bijna alles, je hebt wifi. En terecht.’

Dát perspectief. Zoals ze in april al schreef: ‘In een veilig, rijk land waar zelden iets schokkends gebeurt, is weinig tolerantie voor onzekerheid en duurt ongemak al snel te lang.’ Meermaals voerde ze in haar columns een man op die in de zomer met tranen in zijn ogen plaatsnam op een terrasje, alsof het bevrijdingsdag was. ‘We maken in Nederland weinig ergs mee, en dat is heel fijn. Alles werkt, het is een wonder hoe goed georganiseerd we zijn – ook al komen die vaccinaties wat stroef op gang. Dus laten we niet meteen doen alsof het einde van de wereld nabij is. Waar ik me ook over heb verbaasd, in het begin, waren al die analyses dat we het leven nu heel anders zouden gaan inrichten. Niet meer vliegen, geen vlees eten. Een beetje hoogdravend vond ik dat. Áls we in Nederland een keer een ramp hebben, dan moet die ramp meteen betekenis hebben. Ik geloof daar niets van. De rest van de wereld wordt permanent door rampen bezocht en daar gaan mensen echt niet anders door leven. Die proberen zichzelf gewoon aan hun haren overeind te houden.’

In de tien jaar dat Sheila Sitalsing columns schrijft voor ‘de 2’ van de Volkskrant, om en om met Bert Wagendorp, is ze voor velen een toetssteen geworden. Met Wagendorp geldt ze als het linkse geweten van de krant, maar ze geniet ook buiten die kringen aanzien. Sitalsing wordt gelezen door mensen die ertoe doen, heeft gewicht. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het feit dat zij, van huis uit econoom, vrijwel altijd over hoofdzaken schrijft. Nooit richt ze haar pijlen op een onbeduidende frontsoldaat in de meningenoorlog, zelden zwicht ze voor trivialiteiten en de waan van de dag. De grondtoon is licht, maar ze kan fel uithalen als ze dat noodzakelijk acht.

In de kalmte van de ochtend, met de benen op de tafelbank gevouwen, lijkt die felheid ver weg. Sitalsing is goedlachs en scheutig met zelfrelativering. Ze praat honderduit, op een manier die je als je niet oplet makkelijk voor ‘babbelen’ zou kunnen verslijten. Misschien is dat wel deel van het geheim. Toevallig hoorde ik onderweg naar Delft op de autoradio een reportage over Muhammad Ali, eenmaal tegenover haar krijg ik ’s mans beroemdste uitspraak niet meer uit mijn hoofd: float like a butterfly, sting like a bee.

‘Als columnist probeer ik me op de hoofdlijnen te richten’, zegt ze. ‘Dat lukt niet altijd, soms is de verleiding te groot, vooral als er iets met Henk Krol is, maar ik zie mijn hoekje in de krant als kostbare ruimte. Uiteindelijk gaat het erom: waar ligt de echte macht? Op dit moment vooral bij de VVD en het CDA, en die partijen gaan straks ook weer winnen. Daar ligt de meeste verantwoordelijkheid om het een beetje netjes te doen, en ook voor alles wat misgaat. Dus daar schrijf ik het vaakst over.’

Het valt des te meer op als je achter elkaar de ruim honderd columns leest die nu zijn gebundeld onder de titel Dagboek van een krankzinnig jaar. Anders dan de titel doet vermoeden, is het allesbehalve een coronadagboek. ‘Het is een rode draad, daar ontkwam ik niet aan. Als je het boek leest, zie je mijn veranderende humeur, en daarmee hopelijk ook het humeur van heel veel mensen. Soms was het: ik wil álles weten over het virus en de maatregelen, maar vaak was ik net als iedereen heel erg coronamoe.’

Maar in Sitalsings versie van 2020 valt vooral op hoe de wereld ondertussen gewoon doorraasde. De focus op hoofdzaken betekent bij haar: geen Johan Derksen, weinig viruswappies, weinig aandacht voor de implosie van Forum voor Democratie, maar veel voor de toeslagenaffaire en de Brabantse samenwerking tussen Forum en het CDA – waarbij ze haar gif bewaart voor die laatste partij, die trouwens opvallend vaak een veeg uit de pan krijgt.

‘Ik verzet me tegen het idee dat er een soort kaste van een elite is die het dik voor mekaar heeft, en daartegenover het proletariaat, met niks ertussen.’ ©Oof Verschuren

Wat is er toch met jou en het CDA?

Ze lacht, hard. ‘Ik vrees dat ik getraumatiseerd ben geraakt door de samenwerking met de PVV tijdens Rutte 1. Dat nam ik de VVD ook kwalijk, maar minder. Die zijn toch onbetrouwbaar, dat weet je: ‘We hebben een rechtervleugel en die bedienen we lekker.’ Zij draaien er niet zo omheen. Bij het CDA zit een diepere hypocrisie. Zij laten zich voorstaan op een enorme betrouwbaarheid. Geef ons dat land maar, we hebben het altijd goed gedaan. Als je vanuit dat idee voor de PVV kiest, dan ben je gestoord. Acht jaar geleden is de partij daar helemaal aan kapotgegaan, vele in en in fatsoenlijke CDA’ers zijn toen geschoffeerd, en nu ga je dat opnieuw doen met Forum? Waaróm? Ik stem niet op het CDA, heb er niks mee, maar ik kan me daar erg druk over maken.’

Meer dan je je druk maakt over Baudet?

‘Dat circus rond de ineenstorting van Forum viel samen met de verhoren in de toeslagenaffaire. Toen heb ik een stukje geschreven over ‘binnen’ en ‘buiten’. Buiten kreeg Baudet alle aandacht, maar binnen zat de echte macht – Hoekstra, Rutte, Asscher – te getuigen hoe ze jarenlang willens en wetens een discriminerend systeem hebben opgetuigd dat mensen volledig platdrukte. Dat vonden ze nu allemaal heel erg en ze hadden er veel spijt van, maar intussen hebben ze echt mensen kapotgemaakt. Baudet moet nog mensen kapot gaan maken, het is zelfs nog maar de vraag of hij daar de kans voor krijgt. Daarbij geloof ik ook: wat je aandacht geeft dat groeit. Zelfs negatieve aandacht kan kiezers op een idee brengen. Dus daar moet je voorzichtig mee zijn.’

Een paar jaar geleden zei je in Vrij Nederland dat je je ergerde aan politici die ‘het gespuis’ opvoeren als ‘het volk’. In je columns viel het me op dat je zonder ironie woorden als ‘gewone mensen’ of ‘eenvoudige mensen’ gebruikt.

‘Ik verzet me tegen het idee dat er een soort kaste van een elite is die het dik voor mekaar heeft, en daartegenover het proletariaat, met niks ertussen. Volgens mij drijft dit land op gewone mensen, die vrijwilligerswerk doen en voor hun moeder zorgen. Dat zijn niet de gewone mensen die Wilders bedoelt, maar óók gewone mensen. Mijn man is gewoon, mijn buren zijn gewoon, ík ben gewoon. Nou ja, ik misschien niet, met m’n plek in de krant. Maar toch.’

Het lijkt alsof je die begrippen wil terugveroveren.

‘Dat klopt wel. Het is net als met de vlag en het volkslied. Ik ging naar school in Suriname en later op Curaçao. Daar werd elke ochtend de vlag gehesen en dan zongen we het volkslied. Ik stond daar niet met een hevig kloppend hart of zo, maar het was normaal, het hele land deed het. We gingen vaak op vakantie naar Amerika en daar is het helemaal een serieuze zaak. Bij elke scheet wordt eerst uitgebreid het volkslied gezongen. Niemand doet daar lacherig over. Het verenigt enorm. Toen ik hier kwam viel het me op hoe minachtend er over zulke symbolen werd gedaan. Dat was iets voor de nationalisten, voor de skinheads die een Nederlands vlaggetje op hun bomberjack droegen. Als Tweede Kamerleden werd gevraagd een paar regels van het Wilhelmus te zingen begonnen ze te stotteren en te lachen. Dan dacht ik: kom óp, je bent volksvertegenwoordiger.’

Je vindt dat we zuiniger moeten zijn op nationale symbolen?

‘Nou, in elk geval zuiniger op het idee dat je samen iets hebt, dat je bij elkaar hoort en dat dat iets waard is. Symbolen horen daar een beetje bij. Je moet het niet heel groot gaan maken. Toen Sybrand van Haersma Buma (toenmalig CDA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, red.) zei dat we allemaal staand het Wilhelmus moesten zingen dacht ik ook: sodemieter op. Maar wij zijn het juist klein gaan maken en dat verwijt ik links. We hebben het aan de extremisten gelaten. Aan de Baudets, met z’n gehamer op ‘oikofobie’. Hier in de wijk wordt om van alles de vlag uitgestoken. Als je daar op neerkijkt gaan die mensen denken: als ik met een vlag wil zwaaien moet ik kennelijk bij de PVV zijn.’

Sheila Sitalsing werd geboren in Paramaribo. Het gezin verhuisde op haar 7de naar Curaçao, waar haar vader ging werken als internist. Op het eiland waren ze ‘buitenlanders’, die de taal niet spraken en nauw verbonden bleven met Suriname. ‘Het was 1975, het jaar van de onafhankelijkheid. We waren vertrokken omdat mijn ouders er niet veel vertrouwen in hadden. Daarna ging het heel rap heel slecht – de coup, de decembermoorden. Mijn vader volgde dat allemaal nauwgezet. Ik vond het fascinerend, spannend ook. Goede bekenden van mijn vader zijn vermoord. Later is mijn oom gearresteerd. Hij was jurist en werd benaderd door militairen die een tegencoup wilden plegen. Die heeft hij geholpen om een nieuwe grondwet op papier te zetten, op zijn eigen typemachine. Toen de coup werd verijdeld is hij opgepakt. Heel even vreesden we dat hij dood was, maar dat was gelukkig niet zo.’

Zo werd het belang van politiek haar al vroeg duidelijk. Aan de eettafel ging het vaak over Suriname. Haar vader had uitgesproken opinies over wat er volgens hem moest gebeuren. De jonge Sheila sprak een woordje mee. En soms ook tegen. Lachend: ‘Mijn moeder klaagde weleens: ‘Dat kind gaat later nog bij de Rote Armee Fraktion!’’

‘Toen ik kwam aanzetten met een folder van de School voor Journalistiek, vond mijn vader dat absoluut geen goed idee. Veel te anarchistisch.’ ©Oof Verschuren

Had je zulke radicale ideeën?

‘Ach, dat viel wel mee. Ik was vooral brutaal, had een grote mond. Het ging niet per se om ideologie. Mijn vader was groot fan van de Verenigde Staten, hij hoopte dat ze in Suriname zouden ingrijpen. Ik kan me nog wel herinneren dat ik dat verwarrend vond. Het was de tijd van Ronald Reagan, die was natuurlijk hartstikke slecht en rechts, maar de Sovjets waren net zo erg. Tegelijkertijd kreeg ik het idee mee dat de Amerikanen beschermers waren, die streden voor iets groots: de vrijheid. Wat ook wel klopte: áls iemand ons zou helpen, dan zouden zij het zijn. Ik heb de tijd van de koude oorlog anders beleefd dan mensen in Nederland. Hier had iedereen gedemonstreerd tegen kernwapens, maar er was verder niets gebeurd. Terwijl heel Latijns-Amerika een slagveld was, met staatsgrepen en guerrillabewegingen.’

Ze kwam naar Nederland op haar 17de, met het ‘bursalenvliegtuig’, een vlucht vol tieners met een studiebeurs. Zoals dat ging, want op Curaçao was geen universiteit. ‘Het was een ijskoude winter, met een Elfstedentocht. Dat heb ik weer, dacht ik. Ik had het zó koud. En natuurlijk had ik in het begin ontzettend heimwee. Maar het was ook bevrijdend. Op Curaçao kon je geen stap zetten of je kwam een bekende tegen, in Amsterdam was ik anoniem. De eerste tijd heb ik alleen maar in m’n eentje rondgelopen. De stad was indertijd heel vies, met overal junks en hondenpoep en methadonbussen. Op straat werd balletje-balletje gespeeld – drie bekertjes die heen en weer werden geschoven, en dan moesten mensen raden onder welke beker het knikkertje lag. Enorme oplichterij natuurlijk, maar ik vond het fascinerend hoe handig die jongens dat deden. Dus die volgde ik door de hele stad. Beetje toekijken, van een afstandje.’

17 is jong om op eigen benen te staan. Werd er door je ouders veel van je verwacht?

‘Jawel. Mijn vader is Hindoestaans, prestatiedruk is vrij normaal in die kringen. Mijn ouders waren op leeftijd en hadden op sommige vlakken antieke denkbeelden. Tegelijkertijd vond mijn vader wel dat zijn dochters moesten doorleren en hun eigen geld moesten verdienen. Daar had hij strikte ideeën over. Toen ik kwam aanzetten met een folder van de School voor Journalistiek, vond hij dat absoluut geen goed idee. Veel te anarchistisch.’

Uiteindelijk werd het een studie economie – begonnen in Amsterdam, afgemaakt in Rotterdam. Niet haar eerste keus, wel een gelukkige. ‘Het gold indertijd als een rechtse studie, wat ik altijd stom heb gevonden. Als je het systeem wilt veranderen, moet je wel begrijpen hoe het in elkaar zit. Weten hoe het belastingstelsel werkt, hoe banken werken. Daar ligt de macht, daar wordt het systeem bedacht en het geld verdiend. Als je niet oplet, trek je aan het kortste eind. Het is in linkse kringen lange tijd mode geweest om neer te kijken op economie. Terwijl ik dacht: juist jullie moeten dit weten.’

Dat klinkt als een missie.

‘Nou, ik ging voor Elsevier werken, dat weekblad gold toen als héél rechts. Maar de sfeer was vooral vrijzinnig en nieuwsgierig. En als ik schreef dat de hypotheekrenteaftrek moest worden afgeschaft, drukten ze dat gewoon af. Toen ik op de economieredactie van de Volkskrant kwam, ontdekte ik dat collega’s van andere redacties de economiepagina’s niet lazen. Dat werd gezien als een niche. Gelukkig is er veel veranderd. Daar was een enorme bankencrisis voor nodig. Maar uiteindelijk kregen linkse partijen het ook door: je moet gewoon goede economen hebben. Dat is hoe het werkt.’

Beschouw jij jezelf als links? Betekent dat begrip nog iets voor je?

‘Ja, zeker. Maar dan bedoel ik vooral: sociaaleconomisch links. Wat het vroeger betekende: herverdeling, armoede de wereld uit, internationale samenwerking. Later is er een culturele component ingeslopen, en dat vind ik veel ingewikkelder. Als ik het heb over links, bedoel ik: tax the rich. Mario vindt dit trouwens totale onzin. Die zegt altijd: je bent niet links, je hoort nergens bij.’

Het viel me inderdaad op dat je weinig schrijft over identiteitspolitiek.

‘Ik vind dat een moeilijk debat, heb vaak het idee dat het in kringetjes gaat. Dat we ons erdoor laten afleiden.’

Omdat woke links zich niet op hoofdzaken richt?

‘Neenee, zo bedoel ik het niet! Dat is een frame van rechts, dat helaas succesvol is. Die hele toeslagenaffaire, bijvoorbeeld, draait voor een groot deel om etnisch profileren. Nou, als er één ding is waar woke links aandacht voor heeft, is het dat wel. Het irriteert me dat we ons steeds laten verleiden een debat te voeren over zaken waarvan ik denk dat het daar niet over zou moeten gaan, zoals: ‘Op de universiteit mag je niet meer zeggen wat je denkt. Draagt dat niet bij aan de polarisatie?’ Zo doet rechts alsof er een linkse dominantie is in het discours. Die is er niet! Rechtse partijen zijn al achttien jaar aan de macht en dat heeft geleid tot veel problemen.’

Wat vind je er dan bijvoorbeeld van als iemand als Obama waarschuwt dat de radicale standpunten van links kiezers wegjagen?

‘Ik denk dat je radicaliteit nodig hebt om dingen te veranderen. Zonder vrouwen die zich vastketenden en beha’s verbrandden had ik nooit stukjes in de krant kunnen schrijven. Zonder mensen die zich te pletter hebben gevochten hadden we bepaalde burgerrechten niet gehad. En zonder Kick Out Zwarte Piet was er nooit iets veranderd aan Zwarte Piet. Soms moet je gewoon de beuk erin gooien, de barricades op. Vervolgens heb je óók Obama’s nodig, die dat vertalen naar redelijkheid en over zaken gaan onderhandelen. Maar met alleen maar redelijkheid kom je er niet.’

Met onverholen trots begint ze te vertellen over haar oudste dochter, die 14 is en recentelijk ‘superwoke’ is geworden. ‘Ze is ontzettend bezig met Black Lives Matter, maar vooral ook met gender. Wij krijgen hele colleges aan de eettafel: welke types seksualiteit je allemaal hebt, hoe je mensen moet aanspreken. Ik vind dat geweldig. Volgens mij was ik ook zo toen ik 14 was, al ging het toen over andere dingen. De tijd waarin je ogen open gaan voor de wereld en je beseft: er is meer dan ikzelf. Dat legt de basis voor hoe je later tegen goed en kwaad aankijkt. Natuurlijk zeg ik tegen haar: kijk naar de hoofdlijnen, waar komt het vandaan? Hoe we tegen gender aankijken is óók bepaald door een systeem. Maar ik vind het vooral fantastisch om te zien dat ze een kant kiest – die van de verdrukten, de onderworpenen. En voor haar is dat nu het hele lhbti-spectrum.’

‘De krant is een olietanker, je kunt niet zomaar van koers veranderen. Ik had vast binnen de kortste keren ruzie gemaakt.’ ©Oof Verschuren

Maar zelf blijf je er in je columns dus liever van weg.

‘Ik vind het vooral lastig omdat het óók persoonlijk is. Ik schreef bijvoorbeeld nooit over Zwarte Piet, terwijl... Mijn man is daar altijd erg fel in geweest. Hij is zwart en wilde begin december nooit de stad in, omdat er altijd wel een kind was dat zei: kijk, daar loopt Zwarte Piet. Als hij op 6 december op zijn werk kwam kreeg hij standaard te horen: o, ben je er nog? Grapje! Hij had er zo’n teringhekel aan. Mijn kinderen zijn ook donker, hebben kroeshaar, dat brengt het nog dichterbij.’

Je had ook kunnen denken: de onderwerpen vallen me in de schoot.

‘Ja, maar juist daarom wil ik het niet doen. Het gaat in de kranten al zoveel over persoonlijke dingen van Jan en alleman. Ik ben bang dat ik niet genoeg afstand zou kunnen bewaren, dat de toon te schril wordt, te hysterisch. Het is ook veilig hè, dan hoef je niet te veel van jezelf te laten zien. Ik heb lang gedacht: dat doen anderen wel, heel fijn. Het ging ook wel erg vaak over Zwarte Piet, nog een excuus. Een tijdje geleden heb ik er eindelijk een keertje over geschreven.’ Lachend: ‘Dat voelt dan toch een beetje alsof ik mijn plicht heb gedaan.’

Schrik je er misschien ook voor terug omdat het te veel voor de hand ligt? Het idee: je bent een vrouw, je hebt een migratie-achtergrond; ziedaar je onderwerp.

‘Zo was het lange tijd wel. Toen ik begon in de journalistiek, in de jaren negentig, was het nog: we nemen een Turk aan, dan hebben we die hoek ook gecoverd. Ik heb me toen voorgenomen om nooit de vrouw voor de allochtonenzaken te worden. Dat is trouwens ook nooit van me verwacht. Ik vond: mijn achtergrond mag niet uitmaken, ik kan meer betekenen door gewoon te doen waar ik goed in ben. Maar ik ben daarin wel veranderd, omdat ik begon in te zien dat het wel degelijk uitmaakt. Al is het maar voor al die andere meisjes wier ouders niet hier zijn geboren en denken: hé, dat kan dus ook.’

Je ontkomt er niet aan dat je een rolmodel bent?

‘Dat heb ik nooit zo bedacht, maar andere mensen bepalen dat voor jou. Dan moet je dat ook serieus nemen. Het brengt verantwoordelijkheid met zich mee.’

Waar uit zich dat dan in?

Met een vileine grijns: ‘Nou, als ik kan kiezen tussen een vrouwelijke klootzak en een mannelijke klootzak, dan ga ik voor de man. Dan denk ik: er zijn genoeg mannelijke klootzakken, dus die pakken we eerst. Ik voel wel zoiets als solidariteit. Maar ik denk dat ik toch vooral wil laten zien dat je alles kunt doen, ondanks je afkomst of je sekse.’

Plotseling: ‘Ik heb de columns van Renate Rubinstein ontdekt. Redelijk laat, maar wat zijn die geweldig! Zij was precies zo oud als mijn moeder. Terwijl die het huishouden deed, ging Rubinstein in de jaren zestig gewoon met veel autoriteit schrijven over wereldzaken. Over Israël en zo, wat toen nog gold als een echte mannenaangelegenheid. Ze schreef ook voor de vrouwenpagina van Vrij Nederland. Daar begon ze in 1961 haar eerste stukje met: ‘Ik ken geen krant die er een mannenpagina op na houdt.’ Dat is zó’n goede zin.’

Over ‘mannenaangelegenheden’ gesproken: toen de vorige hoofdredacteur Philippe Remarque zijn vertrek aankondigde bij de Volkskrant gingen er geruchten dat jij een voorname kandidaat zou zijn. Maar je hebt niet gesolliciteerd.

‘Er is een zeer klemmend beroep op mij gedaan om te solliciteren, en natuurlijk heb ik dat overwogen. Hoofdredacteur van de beste krant van Nederland is een fantastische plek. Voor de vrouwenzaak zou het een enorme stap vooruit zijn, alleen daarom al ben je verplicht om er serieus over na te denken. Ik heb er met veel mensen over gesproken, maar uiteindelijk dacht ik: ik ga er niet gelukkig van worden.’

Waarom niet?

‘Bang voor eindeloos vergaderen. Bang dat ik mezelf dingen zou horen zeggen als: ‘Ach, dat ze bij het AD 13 cent per woord betaalden is eigenlijk begrijpelijk’. Je treedt toch toe tot het establishment. De krant is een olietanker, je kunt niet zomaar van koers veranderen. Er is dat enorme concern DPG Media dat veel bepaalt. Ik had vast binnen de kortste keren ruzie gemaakt.’

Ik kan me jou lastig boos voorstellen.

‘O, ja hoor. Als chef economie stond ik erom bekend dat ik hele lange, hele boze e-mails stuurde. Bij mijn afscheid vergeleek de toenmalige adjunct Arie Elshout ze met de kogels van de beroemde vrouwelijke sluipschutters uit Stalins Rode Leger.’

Schrijven vind ik het leukst, en denk dat ik daarin het meest kan betekenen. Ik wil dat mensen zeggen: heb je Sitalsing gelezen?’ ©Oof Verschuren

Waar zouden die ruzies met het concern dan over gegaan zijn?

‘Over de koers van de krant waarschijnlijk. Dat je allerlei stemmen aan het woord laat en geen positie kiest. De krant is ook individualistisch geworden. Als er een probleem is, moeten er altijd drie portretjes bij waarin mensen gevraagd wordt: hoe heb jíj dat beleefd? Een soort selfiekrant. Die koers is heel succesvol, het concern was er begrijpelijkerwijs zeer tevreden mee. Ik denk dat niemand blij zou zijn geweest met een Sitalsing die stampvoetend zou roepen: we moeten weer naar links. Systeemkritiek leveren!’

En anders had je ergens voor moeten gaan staan waar je in je hart niet voor staat?

‘Ik heb wel even gedacht: ben ik nou een onambitieuze trut? Maar ik ben juist heel ambitieus in wat ik doe. Schrijven vind ik het leukst, en denk dat ik daarin het meest kan betekenen. Ik wil dat mensen zeggen: heb je Sitalsing gelezen? Moet je bewaren! Of nee: moet je over tien jaar nog eens terug lezen! Zoals ik nu doe met Renate Rubinstein. Dat is een ander soort ambitie, veel rechtstreekser – iets willen toevoegen aan het debat, iets willen veranderen.’

Ze grinnikt: ‘Ik vroeg me ook af: wat is er eigenlijk geworden van de hoofdredacteuren die ik heb meegemaakt? Remarque is het concern in gegaan, Van der Meersch van NRC ook. Die zou heel romantisch correspondent worden in Frankrijk, op de motor ofzo, maar het werd een pak en een leaseauto. Dat is toch afschuwelijk? Dan ben je een soort manager. Het afschrikwekkendste voorbeeld is Ben Knapen, ook oud-NRC: die deed eerst iets commercieels bij Philips en werd toen staatssecretaris voor het CDA. Nee, als je klaar bent met het hoofdredacteurschap ga je echt naar de dark side.’

Dan: ‘Nou ja, Folkert Jensma (oud-hoofdredacteur van NRC, red.) is prachtige stukjes gaan schrijven over de rechtsstaat, en Pieter Broertjes (oud-hoofdredacteur van de Volkskrant, red.) is burgemeester geworden, wat me wel een hartstikke leuke baan lijkt.’

Burgemeester van Delft?

Met pretogen: ‘Ja, schrijf dat maar op! Dat wil ik wel worden als ik oud en grijs ben.’