‘Het is geen open relatie. Wij leven zoals ieder koppel, alleen met drie’

Arthur Japin: ‘ ‘Ik ben doodsbang voor woorden. Het zijn wapens die vroeger tegen mij werden gebruikt.’ ©Damon De Backer
Alle dagen feest, zo lijkt het in de wereld van Arthur Japin (63), die een relatie heeft met zijn uitgever en met een Amerikaanse schrijver. Maar in zijn dagboeken neemt het leven hem ook flink te grazen. Met een lange depressie tot gevolg. ‘Cynisme is me goddank vreemd.’

Als een veldheer, zo overschouwt Arthur Japin vanuit de nok het immense restaurant van het Amsterdamse film­museum EYE. Zijn gespreide handen rusten statig op een tafelblad, alsof hij elk moment een speech zal inzetten. Maar zodra hij de fotograaf en mij in de gaten krijgt, beent hij met vlugge passen op ons af. Zwierig, charmant én met ongeveinsde interesse.

Het liefst heeft hij zo snel mogelijk de foto­sessie achter de rug, vraagt Japin. Logisch, als je zijn nieuwe elegante Privédomein-­dagboekdeel Geluk, een geheimtaal open­slaat: “Gefotografeerd worden ervaar ik als een daad van agressie”, lezen we. “Hoe kan het zijn dat ik de zeggenschap over mijn gezicht, mijn lijf, mijn intimiteit kwijt ben op het moment dat de camera klikt?”

Tien minuten later blijkt er geen handgemeen te zijn ontstaan tussen onze fotograaf en de Nederlandse bestseller­schrijver van onder meer De zwarte met het witte hart, Een schitterend gebrek, Vaslav of De gevleugelde. “Het licht was zo prachtig buiten aan het IJ”, verzucht Japin. Hij toont zich allerminst de afstandelijke, lichtjes hautaine auteur waarvoor hij weleens wordt uitgekreten.

Psst, vind je dit interessant?

Ontdek Topics nu 1 maand gratis en stel je eigen nieuwsoverzicht samen.

Lees 1 maand gratis

Al abonnee?

Log in en lees altijd gratis Topics.

De voormalige Libris Literatuurprijs-winnaar en “détecteur d’âmes”, zoals de Fransen hem graag noemen, houdt in Geluk, een geheimtaal weinig achter de kiezen. Natuurlijk bewoog Japin zich ook de voorbije tien jaar gretig in mondaine kringen. Ontmoetingen met het Nederlandse konings­huis of met bekendheden als Vanessa Redgrave en Stephen Fry wisselen af met eindeloze theater­uitjes of avonden met Erwin Olaf en John Irving. Intussen presenteerde hij de luchtige VARA-quiz QI, tot vermaak van zijn vijanden.

“Opnieuw zegt iemand me dat mijn leven een feest is. Maar ik doe van dit feest ook zelf de organisatie en de afwas”, noteert hij. “En zie bij orkaan­kracht die party­tent maar eens overeind te houden.” Er wordt gereisd dat het een lieve lust is, van continent naar continent. Of hij zich nooit vragen stelt over zijn ecologische voet­afdruk? “Ik eet geen vlees en heb geen kinderen, dat scheelt ontzettend”, grinnikt hij. “Maar ik weet het, ik kan zo niet blijven doorgaan.”

Achter de opulente façade toont Japin hier zonder remmingen zijn kwetsbaarheid. Het zijn jaren van een aanslepende depressie en opdringerige herinneringen aan de zelfmoord van zijn vader, detective­schrijver Bert Japin, toen hij amper dertien jaar was. “Ik snap het leven beter als het gedramatiseerd is”, staat er niet voor niks. Aan het liefdes­front heerst bovendien trouble in paradise, wanneer in de veelbezongen driehoeksrelatie van Japin met uitgever Lex Jansen en Benjamin Moser (de biograaf van Clarice Lispector en Susan Sontag) een vierde man opduikt.

‘Ik wou dat ik boos kon worden. Maar het zit er niet in.’ ©Damon De Backer

Dit is het tweede deel van uw dagboeken in de Privédomein-­reeks, na Zoals dat gaat met wonderen. Kijkt u tegenwoordig naar situaties met een dagboekblik? En zijn mensen in uw omgeving meer op hun hoede?

Arthur Japin: “Als er een bijzondere ontmoeting plaatsvindt, gaat er in mijn hoofd wel een knopje om. Dan ga ik extra goed opletten. Maar ik doe het intussen wel al twintig jaar. In 1999 werd ik gevraagd door het toen nog piepkleine blad Tzum (nu een literaire nieuws­site, DL). Of ik inzage kon bieden in mijn dagboek en wat fragmenten publiceren? Vanaf dat moment ben ik het blijven volhouden. Als iets een impressie waard is of me een impuls geeft, dan ga ik dat meteen opschrijven. Na twintig jaar dagboeken publiceren ontkom je niet aan die tweede blik. Maar ik ben niet het type dagboekschrijver dat noteert waar of wat ik eet of hoe laat ik opsta. Of het kwaadaardige type à la de Gebroeders Goncourt, al lees ik hen graag. Maar ik noteer wel anekdotes. En dan kijk je later naar jezelf met een veranderde blik én met afstand. Dat is ontzettend leuk. Ik begrijp het leven beter als ik het heb uitgeplozen.”

‘Weinig Nederlandse schrijvers hebben zoveel reden tot mensenhaat en zwartgalligheid en weinig Nederlandse schrijvers zijn daar zó verstoken van als Arthur Japin’, schreef Het Parool vorige week over u. Hoe komt het dat u – ondanks alles – zo positief in het leven blijft staan? Ook de titel van dit dagboek, Geluk, een geheimtaal, lijkt dat te suggereren.

“De titel kun je op twee manieren lezen. Als je het geluk kwijtraakt en je staat ernaar te kijken hoe het je ontglipt, dan moet je het weer zichtbaar maken. Het is een geheimtaal die je niet spreekt. Je kunt er niet meer bijkomen. En ik wilde ook even verwijzen naar mijn vorige dagboek, Zoals dat gaat met wonderen. Daarover hoorde ik voortdurend: Arthur vertelt alleen maar over prettige zaken of over feesten, over hoe mooi het leven is...Toch stonden daar ook verdrietige dingen in, zoals de dood van een vriendin.

“Maar het klopt: ik probeer geen woorden te geven aan het negatieve. Ik heb het deze keer wel moeten doen, hoe lastig het ook was, zoals over mijn depressie en de zelfmoord van mijn vader. Maar ik doe het op een manier die ik zelf kan verdragen. Je zult het niet geloven, maar dat komt omdat ik doodsbang ben voor woorden. Het zijn wapens die vroeger tegen mij werden gebruikt. Nu heb ik ze opgepakt en leren hanteren. Eigenlijk vind ik stilte prettiger. Kunnen we niet een uurtje zwijgend tegenover elkaar zitten? Dan leren we elkaar ook kennen. (lacht) Ik ben heel hard en levens­lang gebrand op hoop. Die vond ik in het theater, de kunst, de taal. En niet iedereen verstaat dat universum, zo ontdekte ik. Dat is meteen de andere betekenis van de titel.”

Arthur Japin met zijn levenspartners: uitgever Lex Jansen (l.) en de Amerikaanse schrijver Benjamin Moser. ©© Roy Beusker Fotografie

U krijgt ook vaak onder de neus geschoven dat u totaal gespeend bent van cynisme. Een nochtans veel voorkomend verschijnsel onder auteurs.

“Cynisme is me goddank vreemd. Ik vind het zinloos en gevaarlijk. Tommy Wieringa signeerde eens zijn eerste boek voor me, lang voor hij beroemd was, met als opdracht: ‘Vanwege het gelukzalig ontbreken van elk cynisme.’ Dat deed me goed. Ik ben ongepantserd. Dat is geen verdienste. Misschien eerder een gebrek.”

Wat bedoelt u daarmee?

“Soms zou ik minder kwetsbaar willen zijn. Boos kunnen worden als iemand me iets aandoet. Maar het zit er niet in. Ik heb als kind te veel boosheid om me heen gezien en goed begrepen dat het naar de afgrond leidt. Gevolg is dat ik me onder druk eerder tegen mezelf keer dan tegen een ander. Dat is gevaarlijk, maar voor mij nog altijd beter dan woede.”

U noemt een aantal keer de wil om ‘schaamteloos te leven’. Wat moeten we daaronder precies verstaan?

“Kijk, ik ben opgegroeid onder mensen die zich voortdurend schaamden. Snel zag ik in hoe dat een doodlopend straatje was. Schaamte voor wie je bent, voor je afkomst, hoe je je gedraagt: het werd me allemaal aangepraat. Op school kreeg ik ingeprent dat ik te lelijk ben om te bestaan. Ik kon ze geloven en verdwijnen. Of mezelf steeds opnieuw voorhouden: ‘En toch hebben ze ongelijk.’

“Ik weigerde de schaamte te aanvaarden die mij werd aangepraat. Schaamteloos zijn, letterlijk, betekent dat je andermans gedachten over jou terzijde schuift. Misschien dat ik daarom hecht aan duidelijkheid, graag zeker weet wat er van mij wordt verwacht. Oké, ik zie wel in dat ik op die manier een vreemd iemand ben geworden, waarover mensen zich kunnen verbazen. Iemand op Twitter zei, nadat ik dit weekend in VPRO Boeken was geïnterviewd: ‘Wat een wonderlijke man is die Japin toch!’ Dat is niet onaardig, maar verwart me toch, want voor mij voelt het toch vol­strekt normaal.”

Na verloop van tijd lijkt het of er zich een paar story­lines in dit boek aftekenen.

“Dat komt omdat je in die grote brij van je eigen leven patronen ontdekt. Bij het teruglezen van al die fragmenten moest ik bovendien gaan selecteren. Er is tien keer zoveel materiaal dat ik uiteindelijk niet heb gebruikt. Voor mijn romans pluis ik andermans dagboeken, brieven en archieven uit en smeed ik dat om tot een verhaal. Maar ook in een dagboek probeer je zaken aan elkaar te knopen. Om te begrijpen wat er is gebeurd. Je leven wordt een verhaal.”

‘In hooguit twintig minuten voelde ik hoe die depressie me te grazen nam. Het leek iets chemisch.’ ©Damon De Backer

Een van die minder feestelijke ‘verhalen’ is dat rondom uw depressie, en het terugblikken op de zelfmoord van uw vader. U beschrijft hoe die depressie u bijna onverhoeds in de nek valt?

“Ja, in hooguit twintig minuten voelde ik hoe ze me te grazen nam. Het leek iets chemisch. Het was een onaangename verrassing om te ontdekken dat je een depressie zo lichamelijk kunt ervaren. Vooral de nachten waren vreselijk. Die hele periode dacht ik: er moet een dokter zijn met een pilletje en dan is alles weer goed. Maar die heb ik niet gevonden.

“Ik ben wel blijven verder schrijven, aan mijn vrolijkste boek, het tragikomische De man van je leven. Tegelijk is dat misschien mijn meest persoonlijke roman. Achteraf vraag ik me af: was het wel een depressie? Ik was niet lusteloos, eerder vastberaden; het was geen verwarring, maar juist een zeker weten. Het is ook ontzettend eenzaam. Omdat je denkt dat je het aan niemand kunt overbrengen. Al had ik veel steun van mijn omgeving. Je zou bijna kunnen zeggen dat ik me in een optimale situatie bevond om met een depressie opgezadeld te zitten. (lacht) Maar goed, er staat wel een glazen wand tussen jou en de buitenwereld.”

Vreemd genoeg word je er als lezer zelf niet neerslachtig van. Misschien omdat u ons niet met alle details opzadelt.

“Gelukkig. Het interesseerde me meer om te beschrijven hoe het leven – weliswaar na een lange tijd – uiteindelijk terugkeerde. Van een heleboel donkere gedachten weet ik nu al niet meer waar ze vandaan kwamen. Ze beheersen mijn leven niet langer. Een depressie is alsof je uitzendt op een andere frequentie. Een frequentie die ik nu zelf niet meer kan capteren of verstaan. Ik wilde ook niet dat het een larmoyante litanie zou worden. Natuurlijk schrijf je de somberste dingen op tijdens zo’n toestand, maar ik heb ze weggelaten. Het zou te saai worden.”

Kon u door erover te schrijven de oorzaken achterhalen?

“Toen ik alles terug­las, verbaasde het me wél hoe die depressie blijkbaar al lang zat te sluimeren. Je verbindt puntjes met elkaar en ziet plots verbanden. En ik wilde ook tonen dat je de zwartste gedachten kunt hebben, maar intussen wel verder functioneert. Het is goed dat mensen weten dat je, zoals ik beschrijf, ’s ochtends het ergste kunt overwegen en dan toch ’s middags een mooi gesprek hebt met prinses Beatrix. Zo zie je dat dat feestelijke leven behoorlijk relatief is.” (lacht)

‘De meeste mensen leven door ondanks alle verdriet en verlies. De creativiteit die daarvoor nodig is! Doorgaan met leven is een kunstwerk op zich.’ ©Damon De Backer

Suggereert u een verband met de zelfmoord van uw vader, de schrijver Bert Japin, toen u amper dertien jaar was?

“Ik heb voor dit dagboek natuurlijk veel in het verleden zitten wroeten. Ik kwam ook veel spullen van vroeger tegen. Zoals zijn afscheidsbrief, maar ook een schriftje van toen ik zes jaar oud was, een opstel, en waarin ik toen al over ‘De vlieger’ schreef – vliegen is nog steeds een thema in mijn werk. Over mensen die uitbreken en tegen de klippen oplopen. Ik begon door dit dagboek ook beter te begrijpen waarom hij het precies gedaan heeft. Het overheerste natuurlijk mijn jeugd, het vormde mij, maar het gaf mijn leven ook een nieuwe impuls, om het zo te zeggen. Vijftig jaar na zijn dood is alles begrijpelijker geworden.”

U schrijft wel dat het niet onvoorstelbaar was ‘dat wij hadden kunnen eindigen als een familie­drama in de krant’. Want uw vader terroriseerde in zekere zin ook uw moeder, die alles onderging.

“Mijn oma, zijn moeder, blijkt dat eens te hebben gezegd. De mogelijkheid dat hij ons in de dood had meegenomen, lijkt me niet denkbeeldig. Niet per se uit kwaadaardigheid. Ik denk dat iemand zoiets in zijn verwarring ook met goede bedoelingen kan doen.

“Ik neem mijn vader niets kwalijk. Ik begrijp nu zijn behoefte om in andere werelden te vertoeven. De achttiende eeuw omzweemde hem, schreef hij ergens. Dat had hij nodig. En het is bij mij niet anders. Ik heb een ontzettende behoefte om in een decor te stappen waarin mijn hele universum intact blijft. En dat is vaak in een oude stad, een bos of een theater.”

U ruimt ook het idee uit de weg dat nabestaanden van zelfmoordenaars per se schuldgevoelens zouden moeten koesteren.

“Ik heb ze in ieder geval zelf nooit gehad. Dat was een vrij bewuste keuze. Het is niet nodig. Nu ik zelf aan de andere kant van het spectrum heb gezeten, weet ik dat de levenden en de depressieven elkaar niet kunnen verstaan, hoezeer ze het ook proberen. Het zijn twee gescheiden werelden. Daar kan niemand iets aan doen. Toen ik eens tegen mijn kapper – waar ik al mijn hele leven kom – zei dat ik met die depressieve gevoelens kampte en serieus over zelfmoord nadacht, zei hij: ‘Denk je erover na? O, maar dit is gewoon grappig.’ Ik was op een rare manier blij met zijn ongedwongen reactie. Omdat ze zo verfrissend was.”

‘Anders dan in een groot deel van de wereld heerst hier grote tolerantie voor homo’s. Dat is nog iets anders dan acceptatie.’ ©Damon De Backer

Bent u er intussen achter wat een zelfmoordenaar uiteindelijk triggert?

“Ik heb daarover gepraat met Wim Brands en Joost Zwagerman (die later allebei zelfmoord pleegden, DL), onder andere voor zijn boek over zelfmoord. Maar wat hen uiteindelijk over de streep trok, dat weet ik niet. Bij Zwagerman voelden een aantal mensen in zijn omgeving het duidelijk aankomen. De Arbeiderspers-uitgever Peter Nijssen zei me drie dagen voordien dat hij er bang voor was. Maar je hoorde ook mensen achteraf zeggen dat het toch een vlaag van verstandsverbijstering moet zijn geweest. Ook zij die wisten dat het touw al was gekocht.

“Leven is nu eenmaal niet voor iedereen het beste, schrijf ik in De gevleugelde, de zin waarover Wim Brands met mij wilde spreken. Ik vind leven eigenlijk te veel gevraagd van een mens. Niet iedereen houdt het tot het einde vol.”

Voelt u zich nu sterker na het overwinnen van die depressie?

“Om eerlijk te zijn: nee. Eerder zwakker. Omdat je beseft dat het leven het van je kan winnen. Ik dacht altijd dat ik de baas was. Dat blijkt niet zo te zijn. Het is veel dichterbij dan het ooit was. Je bent er alerter op als je de dieperik ingaat, maar je kunt er niet tegen knokken.”

Maar dat doet u in feite wel, al schrijvende?

“De meeste mensen leven door ondanks alle verdriet en verlies. Dat vind ik zo mooi en moedig. De creativiteit die daarvoor nodig is! Doorgaan met leven is een kunstwerk op zich. Dat moet iedereen zich af en toe goed realiseren.”

Verrassend genoeg vertelt u in Geluk, een geheimtaal niet zoveel over het schrijf­proces zelf.

“Ik weet ook niet hoe het werkt. Ik vertel ook nooit over een boek als ik er in ondergedompeld zit. Mijn partners verbazen zich daar ook steeds over: ‘Wat zit Arthur toch weer geheimzinnig te doen!’ Maar ach, dat onderzoek in archieven of die research, dat is niet zo interessant in een dagboek.”

We mogen wél zeggen dat u geamuseerd naar het literaire wereldje kijkt. Er zit een geweldige scène in het boek waarin u in Lyon bij een literair evenement op het podium zit en er een soort totale Babylonische spraakverwarring ontstaat.

“Op zo’n avond denk ik soms dat ik in een krankzinnigenhuis ben terechtgekomen. Mensen én vooral schrijvers kunnen zo kletsen. (lacht) Ik zou nooit van mijn leven vrijwillig naar zoiets gaan en er nog voor betalen ook. Ach, misschien is het ook een vorm van onzekerheid: we doen gewoon interessant en dan zal het wel wat waard zijn.”

U houdt zich liever ver weg van de literaire kransjes en hekelt wel eens de giftigheid en na-ijver. Maar u ontkomt er evenmin aan, getuige de vele prettig beschreven onder­onsjes met Orhan Pamuk, Stephen Fry, John Irving of Edmund White.

“Bij mijn vader zag ik veel boze, miskende auteurs die aan de drank raakten. Ik ben erin opgegroeid. Maar het was geen gezelschap waarvan je als kind denkt: daar wil ik graag bijhoren! Toen ik in 1996 mijn eerste boek publiceerde, Magonische verhalen, werd het gepresenteerd op het Spui in Amsterdam. Daarna gingen we iets drinken bij café De Zwart, waar alle schrijvers zitten te borrelen. Op dat moment besliste ik om dat nooit meer te doen.

“Maar Lex (Jansen) en ik woonden er toen vlakbij en we kwamen al die schrijvers voortdurend tegen op straat. Het is een van de redenen dat we uit Amsterdam zijn weggegaan en naar Utrecht en Frankrijk zijn gaan wonen. Ik wilde zoveel mogelijk autonoom blijven en zelfs liefst in mijn eentje optreden. Maar natuurlijk zijn er ook fijne ontmoetingen, dat spreekt.”

‘Ik ben ongepantserd. Dat is geen verdienste. Misschien eerder een gebrek.’ ©Damon De Backer

Maar u stapt ook af op columnist Nico Dijkshoorn en u vraagt hem op de man af waarom hij al jaren zulke nare dingen over u schrijft.

“Als mensen me kwetsen, probeer ik te begrijpen waarom. Als ik ze dan zie, begin ik een gesprek. Ik vertel ze wat hun woorden of acties met me doen. Dat werkt bijna altijd, want mensen verwachten niet dat je je voor ze openstelt en je kwetsbaarheid laat zien, zeker niet nadat ze je hebben aangevallen. Dit heeft zelfs al vriendschap opgeleverd. In elk geval lost het voor mij alle narigheid op.”

Toch negeert u bij voorkeur negatieve literaire kritieken over uw romans?

“Omdat een schrijver kritiek op zijn boek onmogelijk kan scheiden van kritiek op zijn persoon. Je hele hebben en houden zit erin, elke gedachte is de jouwe. Als schrijver kun je niet denken: hij vindt mijn boek niet leuk, maar mij wel. (lacht) Maar een auteur vergeet natuurlijk dat kritiek in feite voor de lezers is bestemd én niet voor hem.”

Een belangrijke verhaallijn van Japins dagboek – misschien wel de belangrijkste – is uiteraard zijn driemanschap met ex-Arbeiderspers-uitgever Lex Jansen en met biograaf en schrijver Benjamin Moser, die de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector wereldwijd postume bekendheid gaf en nu triomfen viert met zijn biografie over Susan Sontag. De buitenwereld heeft zich al vaker verwonderd over deze bijna geoliede ménage à trois, waarin problemen of hindernissen met zwier gecounterd worden, zo blijkt uit Geluk, een geheimtaal. Of hoe ze elkaar artistiek aanvuren. Ook volgen we van nabij de werkzaamheden en problemen van Moser bij het schrijven van de bio­grafie – tot zelfs een MeToo-verhaal met een Bosnische theatermaker die hem aanrandt. Maar er komt ook een vierde man opduiken en de balans (even) verstoren.

“Toen het allemaal net begon met Benjamin erbij, in 2000, verbaasde ik mezelf er ook over dat het zomaar kon, zo’n drievoudige relatie”, zegt Japin. “Het is zeldzaam, maar intussen voor ons ook heel gewoon. Vandaar ook de titel van mijn vorige dagboek, Zoals dat gaat met wonderen: als je het niet zelf hebt meegemaakt, wil je het niet geloven. Voordien dacht ik altijd: ik kan maar verliefd zijn op één persoon. Maar ik ontdekte dat mijn ontmoeting met Benjamin niet betekende dat ik Lex ook maar één spat minder graag zag. Je moet weten: op 17 december zijn we 40 jaar samen. En Ben is nu ook al 19 jaar in ons leven.

“Het geweldige aan Lex is dat hij nooit een dubbele agenda heeft, hij doet wat hij zegt. Na die verwarring van mijn jeugd had ik behoefte aan duidelijkheid, en die gaf Lex me. Zo konden we iets opbouwen. En zo ving Lex later ook Benjamin op, die zich in zijn kantoorbaan bij uitgeverij Knopf in New York niet kon ontplooien. ‘Je hoeft vanaf nu niks meer’, zei hij. ‘Je mag doen wat je wilt doen.’ Zo heeft Benjamin de projecten met Clarice en Susan in alle vrijheid en rust kunnen aanvatten.”

Toch leken er zich donkere wolken samen te pakken toen Benjamin in 2012 op zijn beurt verliefd werd op een jonge Amerikaanse dichter, Matthew Ritger. Dat losten jullie als volwassen mensen op: door er uitgebreid over te praten. Is het mogelijk om jaloezie te counteren?

“De buitenwereld denkt soms: jullie hebben een open relatie. Maar dat is niet het geval. We leven zoals ieder koppel, alleen met eentje meer. We doen heel veel dingen samen, we hebben genoeg aan een half woord van de ander. Toen Matthew ook nog op Ben verliefd werd, raakte die balans echter verstoord. Precies zoals dat in een huwelijk zou gebeuren. We moesten kijken hoe we dat zouden herstellen. Ben wilde niet weg bij ons en Matthew kon in de VS niet zomaar alles achterlaten. Toch heb ik hem laten overkomen. Daar was ik erg blij om. We zijn ook daar geweest. Maar het paste niet. Dat wij drieën elkaar hebben gevonden is al zo zeldzaam, je kunt niet verwachten dat zo’n wonder zich nog een keer voltrekt.”

Er staat zelfs een heuse afscheidsscène in uw dagboek.

“Matthew besloot er een punt achter te zetten. Pijnlijk, maar de impasse was wel doorbroken. En het werd geen drama. Matthew is deel van ons verhaal en hij heeft er geen enkele moeite mee dat deze periode nu in mijn gepubliceerde dagboek staat.”

Ten slotte: het valt op hoe u in dit dagboek veel militanter bent geworden over homo­rechten. Merkt u dat de klok weer teruggedraaid wordt?

“Het klopt dat ik politiek bozer ben geworden. Het is er ook de tijd naar. Toen het Nederlandse koningshuis naar de Olympische Winterspelen in Sotsji ging, kort nadat de Russische president Poetin zijn strenge anti­homo­wet had afgekondigd, schreef ik een brief naar minister-president Mark Rutte. Je merkt her en der dat homo­rechten meer en meer in het gedrang komen. Ik ben ook naar Polen geweest om een reportage te maken. En op sociale media gaat het er soms ook hard aan toe.”

Ondervindt u zelf soms discriminatie?

“Niks ernstigs. Anders dan in een groot deel van de wereld heerst hier grote tolerantie. Dat is nog iets anders dan acceptatie. Ik ben wel eens bedreigd in de trein, of iemand spuugt voor je op de grond. En in recensies wilde nog wel eens een tussenwerping opduiken. ‘Ach, meid toch!’ stond er dan. Of zelfs in grote letters boven het artikel: ‘Jankende nicht!’ Het griezelige is dat het lezers niet opvalt. Zelfs mij amper, zo is iedereen eraan gewend.”

Wie met vragen zit over zelfmoord, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het nummer 1813 of via zelfmoord1813.be.

Arthur Japin, ‘Geluk, een geheimtaal. Dagboeken 2008-2018', De Arbeiderspers, 374 p., 24,99 euro. ©RV
Cadeautje

Verras je familie of vrienden met hun eigen persoonlijke nieuwssite, gebaseerd op een selectie van hun favoriete onderwerpen. Bekijk hier een voorbeeld van de uitnodiging.